Uitspraak · Civiel recht
Gerechtshof Amsterdam, 18 maart 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:666Zaaknummer 200.309.866/01
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 maart 2025
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2025
- Zaaknummer
- 200.309.866/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aannemingsovereenkomst met consument. Vervalbeding in AVA 2013 is onredelijk bezwarend/oneerlijk. Hof komt daardoor toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil. Afwijking van tweeconclusieregel op grond van afspraak. Partijen worden in de gelegenheid gesteld nadere memories daarover te nemen. Wetsartikelen: 6:233 sub a BW, Richtlijn 93/13/EEG, AVA 2013, 347 Rv
Het hof:
bepaalt dat tegen het in deze zaak gewezen arrest van 17 december 2024 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.E. van der Werff en M. Scheeper en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.309.866/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/314213/HA ZA 21-136
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 maart 2025
inzake
[appellante 1] en
[appellante 2],
beiden wonend te [plaats A], gemeente [gemeente],
appellanten,
advocaat: mr. R.G.M. van der Pas te Ulvenhout,
tegen
AANNEMERSBEDRIJF [X] B.V.,
gevestigd te [plaats B],
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn (NH).
1 Het verdere verloop van het geding
Partijen worden hierna wederom [appellanten] c.s. en [X] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 17 december 2024 een tussenarrest gewezen, waarbij het hof, anders dan de rechtbank, het beroep van [X] op het vervalbeding in artikel 16.3 van de toepasselijke AVA 2013 heeft verworpen op grond van het oordeel dat dat vervalbeding onredelijk bezwarend/oneerlijk is, en partijen, [appellanten] c.s. eerst, in de gelegenheid heeft gesteld nadere memories te nemen over hun verdere geschil.
Op de rol van 28 januari 2025 hebben [appellanten] c.s. hun nadere memorie genomen.
Bij e-mailbericht van haar advocaat van 26 februari 2025 heeft [X] het hof verzocht op de voet van artikel 401a lid 2 Rv te bepalen dat tegen het arrest van 17 december 2024 onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.
[appellanten] c.s. hebben bij e-mailbericht van 27 februari 2025 van hun advocaat verzocht het verzoek van [X] af te wijzen.
2 Beoordeling
Aan [appellanten] c.s. kan worden toegegeven dat [X] rijkelijk laat is met het verzoek tussentijds cassatieberoep open te stellen. Dat had zij al kunnen doen bij memorie van antwoord of voordat [appellanten] c.s. hun nadere memorie hadden genomen. Niettemin acht het hof het proceseconomisch efficiënt als eerst door de Hoge Raad wordt beslist op het principiële punt van de oneerlijkheid van het vervalbeding alvorens over de rest van het geschil wordt voort geprocedeerd. Het verzoek wordt daarom toegewezen.
3 Beslissing
Het hof:
bepaalt dat tegen het in deze zaak gewezen arrest van 17 december 2024 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.E. van der Werff en M. Scheeper en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2026:1556 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:1556 Hoge Raad, 25 september 2026 (verbintenissenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.