Uitspraak · Civiel recht

Gerechtshof Amsterdam, 18 december 2018

ECLI:NL:GHAMS:2018:4777Zaaknummer 200.164.386/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
28 juni 2019
Zaaknummer
200.164.386/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 5 juni 2018. Geen tegenbewijs geleverd, evenmin bewijs van enkele stellingen van de appellant. Bekrachtiging van de toewijzing van de vordering van de bewindvoerder.

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover tussen de bewindvoerder en [appellant] gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep tot op heden begroot aan de zijde van de bewindvoerder op € 1.615,- aan verschotten en € 10.582,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en S.B. van Baalen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 Beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.164.386/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/548128/ HA ZA 13-881

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 december 2018

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. O. Surquin te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde], handelende onder de naam [X Bewindvoering],

in hoedanigheid van bewindvoerder in het meerderjarigenbewind over de goederen van mevrouw [persoon 1],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Wytema te Haarlem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden wederom [appellant] en de bewindvoerder genoemd en de rechthebbende van de onder bewind gestelde goederen wederom [persoon 1].

In deze zaak is op 5 juni 2018 een derde tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar dat tussenarrest.

In het laatste tussenarrest is [appellant] toegelaten tot bewijslevering als in rov. 2.5 van dat arrest bedoeld. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De bewindvoerder heeft in dit geding de veroordeling gevorderd van [appellant] tot terugbetaling van bedragen die [appellant] in de periode 1 juli 2011 t/m 27 oktober 2012 aan het vermogen van [persoon 1] heeft onttrokken tot per saldo € 190.701,64. De vordering is gegrond op de stelling dat [persoon 1] destijds als gevolg van een vergevorderd stadium van dementie niet in staat was haar wil te bepalen, zodat [appellant] geacht moet worden de bedragen zonder instemming van [persoon 1] en mitsdien zonder recht of titel aan het vermogen van [persoon 1] te hebben onttrokken.

2.2.

Na een aktewisseling is de bewindvoerder voorshands geslaagd geacht in het bewijs van de door hem gestelde geestestoestand van [persoon 1] ten tijde van de onttrekkingen. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren ter ontzenuwing van dat bewijsvermoeden. [appellant] is bovendien in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van zijn tot verweer betrokken stellingen dat [persoon 1] hem € 150.000 had geschonken en dat zij hem volmacht had verstrekt om haar huis en tuin te laten opknappen en daartoe betalingen te doen aan derden tot een bedrag van € 115.000,-. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.3.

Nu [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tegenbewijs te leveren, wordt van de door de bewindvoerder gestelde geestestoestand van [persoon 1] ten tijde van de onttrekkingen uitgegaan. Gelet op die geestestoestand wordt het ervoor gehouden dat [persoon 1] ten tijde van de onttrekkingen niet in staat was om haar wil te bepalen, althans waar het financiële aangelegenheden aangaat zoals de onttrekkingen door [appellant]. Er zijn geen aanwijzingen dat [appellant] grond had om er desalniettemin op te vertrouwen dat [persoon 1] dienaangaande wel in staat was haar wil te bepalen, zodat de onttrekkingen geacht worden zonder recht of titel te zijn verricht. Dit brengt mee dat de onttrekkingen als onrechtmatig jegens [persoon 1] moeten worden aangemerkt. [appellant] is daarom gehouden het met de onttrekkingen gemoeide bedrag ten titel van schadevergoeding aan [persoon 1] (terug) te betalen, behoudens voor zover de onttrokken gelden ten voordele van [persoon 1] zijn aangewend. Dat hiervan sprake is (als gevolg van opknapwerkzaamheden aan het huis en de tuin van [persoon 1]) en zo ja, tot beloop waarvan, kan zonder het van [appellant] verlangde bewijs niet worden vastgesteld, zodat (ook) het daartoe strekkende verweer van [appellant] wordt verworpen.

2.4.

De slotsom is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld. Het bestreden vonnis voor zover gewezen tussen de bewindvoerder en [appellant] wordt bekrachtigd en [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover tussen de bewindvoerder en [appellant] gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep tot op heden begroot aan de zijde van de bewindvoerder op € 1.615,- aan verschotten en € 10.582,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en S.B. van Baalen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.