Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 31 maart 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:403Zaaknummer 24/1747 PW

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/1747 PW
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Intrekking hoger beroep. Afwijzing verzoek om Proceskostenveroordeling. Uit het besluit van 17 juli 2025 volgt niet dat de besluiten over de herziening en terugvordering van de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2022 onrechtmatig zijn gebleken of door het dagelijks bestuur zijn ingetrokken. Het dagelijks bestuur heeft op dit punt geen gewijzigd standpunt ingenomen en aan de bezwaren van appellante met betrekking tot de herziening en terugvordering per 1 november 2022 is dan ook niet tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) M. Wolfrat

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCESVERLOOP
  2. OVERWEGINGEN
  3. BESLISSING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

24/1747 PW

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2024, 24/2018 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 31 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad ziet geen aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten en overweegt daartoe het volgende.

Het hoger beroep van appellante had betrekking op de herziening en terugvordering van de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2022 wegens de afkoop van het partnerpensioen dat zij ontving van BPL Pensioen als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot op 24 februari 2022.

Vastgesteld wordt dat het dagelijks bestuur met een besluit van 17 juli 2025 de bijstand van appellante heeft ingetrokken en teruggevorderd met ingang van 4 april 2022, aanvang bijstandverlening, omdat aan appellante vanaf februari 2022 een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet is toegekend door de Sociale Verzekeringsbank. Deze uitkering is gelijk of hoger dan de betaalde bijstandsuitkering.

Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep ingetrokken.

Uit het besluit van 17 juli 2025 volgt niet dat de besluiten over de herziening en terugvordering van de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2022 onrechtmatig zijn gebleken of door het dagelijks bestuur zijn ingetrokken. Het dagelijks bestuur heeft op dit punt geen gewijzigd standpunt ingenomen en aan de bezwaren van appellante met betrekking tot de herziening en terugvordering per 1 november 2022 is dan ook niet tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb.

Nu het dagelijks bestuur niet geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, zal de Raad het verzoek om proceskostenveroordeling afwijzen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) M. Wolfrat

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.