Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1379Zaaknummer 24/2484 WAJONG

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
24/2484 WAJONG
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van weigering Wajong-uitkering. Herhaling van de gronden in beroep en verwijzing naar de aangevallen uitspraak. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Conclusie en gevolgen
  6. BESLISSING
  7. (getekend) F.M. Rijnbeek
  8. (getekend) G.T. Hunsel

24/2484 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 september 2024, 22/3352 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 5 juni 2018, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajonguitkering heeft afgewezen. Appellant vindt dat hij geen arbeidsvermogen heeft. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 5 juni 2018.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Djamal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2 september 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1985, heeft met een door het Uwv op 29 maart 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat er sprake is van hersenschade en dat hij in 2017 is opgenomen vanwege psychische klachten en drugsgebruik. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant onder andere een verslag van een intelligentieonderzoek bij de [naam kliniek], een verslag van een neuropsychologisch onderzoek en een “verslag sociotherapie zorgplanbespreking [naam appellant] ” overgelegd. Deze stukken dateren van maart 2017 tot januari 2018. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 juni 2018 besloten dat appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat er onvoldoende medische informatie is om de criteria voor de Wajong te kunnen beoordelen. In bezwaar heeft appellant verwezen naar een verslag van opname in de [naam kliniek] en een zorgplan van Tactus van 9 november 2017. Met een besluit van 20 december 2018 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

1.2.

Op 11 januari 2022 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen. Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts, heeft het Uwv het besluit van 3 februari 2022 genomen. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden zijn, die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn en besloten om niet terug te komen van het besluit van 8 juni 2018.

1.3.

Bij besluit van 27 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar voren gebracht dat uit de verkregen gegevens in bezwaar geen nieuwe gezichtspunten naar voren komen over de medische situatie van appellant die niet ook al bekend en gewogen waren bij de eerdere Wajong-beslissing. De verstandelijke problematiek in relatie tot het alcohol- en drugsgebruik van moeder tijdens de zwangerschap en de persoonlijkheidsstoornis, de ontwikkelingsstoornis en het jarenlange middelengebruik waren in volle omvang al van appellant bekend. Over de medische situatie in 2003 (de achttienjarige leeftijd van appellant) waren in 2018 geen dan wel niet voldoende feiten bekend om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over het arbeidsvermogen naar de criteria van de geldende Wajong. Dat gegeven is met de verkregen informatie bij de huidige aanvraag niet gewijzigd en ook niet in bezwaar. Aangezien, er geen concrete medische informatie is verkregen over de situatie in 2003, is volstaan met de vaststelling dat er geen nieuwe medische informatie is aangeleverd waarmee er dus ook geen aanleiding kan zijn om terug te komen op het besluit uit 2018. De rechtbank heeft geen grond gezien om te twijfelen aan de inhoud van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hieruit volgt dat er onvoldoende gegevens aanwezig waren om te beoordelen of appellant op zijn achttiende verjaardag jonggehandicapte was. Dit was ten tijde van het eerdere besluit, van 5 juni 2018, het geval en dat is nog steeds zo. Appellant noemt in beroep de bij hem vastgestelde diagnoses, maar die waren – zo volgt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – in 2018 ook al bekend. De enkele stelling van appellant dat hij met de door hem overgelegde stukken heeft aangetoond dat zijn huidige beperkingen verband houden met zijn jeugd, laat onverlet dat nu nog steeds informatie ontbreekt om de belastbaarheid van appellant in de van belang zijnde periode in het verleden vast te kunnen stellen. Dat geldt ook voor wat appellant in het rapport van de verzekeringsarts heeft gelezen, namelijk dat het aannemelijk is dat appellant op zijn achttiende jaar al beperkingen had. De aard en omvang daarvan waren in 2018 echter onbekend en dat is in de huidige aanvraag niet opgehelderd met (nieuwe) relevante (medische) stukken. Het enkele feit dat appellant op zijn achttiende jaar al beperkingen had, wil dus niet zeggen dat hij toen ook duurzaam geen arbeidsvermogen had in de zin van de Wajong. De rechtbank heeft het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige afgewezen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft – kort, samengevat – aangevoerd dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig, ondeugdelijk en onvolledig is geweest. Het Uwv heeft de informatie dat hij een laag IQ en een neurobiologische ontwikkelingsstoornis heeft, niet meegenomen in de beoordeling. Voorts is er twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Het Uwv heeft informatie van KOPP en KOV buiten beschouwing gelaten. Daarnaast heeft het Uwv geen rekening gehouden met medische informatie opgesteld door de officier van justitie en is nagelaten het opleidingsniveau van appellant in kaart te brengen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

5.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

5.4.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 8 juni 2018.

Conclusie en gevolgen

5.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.