Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1378Zaaknummer 24/1299 WIA

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
24/1299 WIA
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 73,68%. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad heeft een deskundige benoemd en volgt diens beoordeling dat het Uwv de beperkingen in de FML juist heeft vastgesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot een betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant in verband met het schadevergoedingsverzoek, ten bedrage van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.J.D. van Haren

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Het oordeel van de Raad
  6. Conclusie en gevolgen
  7. BESLISSING
  8. (getekend) F.M. Rijnbeek

24/1299 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2024, 22/2388 WIA (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 maart 2021 heeft vastgesteld op 73,68%. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De door de Raad geraadpleegde deskundige verzekeringsarts heeft vastgesteld dat het Uwv de beperkingen in de FML juist heeft vastgesteld. De Raad volgt deze deskundige. Dit betekent dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Na de behandeling van de zitting is het onderzoek heropend en heeft de Raad verzekeringsarts F.J. Perquin benoemd als deskundige. Deze deskundige heeft op 17 juli 2025 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op dit rapport gereageerd. Perquin heeft op 23 oktober 2025 nader gereageerd.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellant, die werkzaam was als manager beheer in een cultureel centrum voor 28 uur per week en als zelfstandige (zzp’er), heeft zich op 8 maart 2019 ziekgemeld wegens gezondheidsklachten (pijn/operatie linkervoet, jicht, boterosie, galblaas en slaapapneu). Daarna was sprake van aanhoudende vermoeidheid en werd de diagnose ME/CVS gesteld.

1.1.

Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een Uwv-arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De Uwv-arts, die appellant op spreekuur heeft gezien, heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen, waaronder een urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week, neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 november 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 73,68%.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 14 december 2021 aan appellant met ingang van 30 maart 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

1.3.

Bij besluit van 20 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een Uwvarts bezwaar en beroep van 11 mei 2022 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 mei 2022 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep – die appellant op spreekuur heeft onderzocht en informatie van de internist van 2 mei 2022 heeft bestudeerd – heeft geen reden gezien voor een aanvullende urenbeperking en voor aanvullende cognitieve beperkingen. Wel heeft hij aanvullende beperkingen aangenomen voor pollen en huisstof, lawaai en heeft hij de beperking voor een kantoortuin geschrapt. Verder heeft hij de beperkingen niet duurzaam geacht. Hij heeft een gewijzigde FML van 16 mei 2022 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de eerder geselecteerde functies als passend aangemerkt en heeft de signaleringen bij die functies toegelicht.

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek zorgvuldig geacht en geoordeeld dat niet gebleken is dat appellant onvoldoende ruimte is gelaten om (nadere) medische stukken in te dienen. Volgens de rechtbank is van een schending van het beginsel van “equality of arms” dan ook geen sprake, zodat er geen reden is voor een (onafhankelijk) deskundigenonderzoek.

2.1.

Volgens de rechtbank zijn de rapporten van de (verzekerings)artsen 19 november 2021 en 11 mei 2022 en de aanvullende rapporten van 29 augustus 2022 en 20 december 2023 deugdelijk gemotiveerd, consistent en inzichtelijk. Het standpunt van appellant dat sprake is van ernstiger gezondheidsproblematiek dan wel beperkingen slaagt volgens de rechtbank niet. De primaire Uwv-arts heeft geconcludeerd dat door ME/CVS geen sprake is van een volledig disfunctioneren op micro-, meso- en macroniveau, overeenkomstig de Richtlijn chronisch vermoeidheidssyndroom. De klachten en belemmeringen van appellant passen bij de aandoening en komen consistent naar voren tijdens de anamnese en het dagverhaal. Daarom is er reden om beperkingen aan te nemen in de energiehuishouding. Appellant dient te worden ontzien van de zware fysieke aspecten van arbeid en er is een indicatie voor een urenbeperking in passende arbeid voor ongeveer zes uur per dag en dertig uur per week.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep is deels tot een ander oordeel gekomen dan de primaire Uwv-arts. Volgens hem blijft het onduidelijk dat er een medische oorzaak ten grondslag ligt aan de vermoeidheidsklachten. De behandelend internist heeft geen afwijkingen kunnen vinden, afgezien van slaapapneu en overgewicht. Ondanks dat de slaap van appellant is verstoord en appellant vermoeidheidsklachten ervaart, heeft hij een gevuld dagverhaal. Appellant neemt rustmomenten, maar hoeft zich niet terug te trekken op bed. Met de vastgestelde urenbeperking is daarin ruim tegemoetgekomen. Cognitieve beperkingen worden alleen aangenomen indien deze objectief zijn aangetoond door middel van een neuropsychologisch onderzoek (NPO). De huidige diagnoses vormen geen aanleiding voor beperkingen op het cognitieve vlak. Uit het onderzoek van de internist van het UMCG naar de vermoeidheidsklachten is niets gekomen. Niet is objectief komen vast te staan dat sprake is van cognitieve beperkingen. Omdat er geen 0-meting beschikbaar is, heeft het nogmaals verrichten van een NPO geen meerwaarde.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank terecht aangenomen dat appellant niet overmatig prikkelgevoelig is en niet beperkt is voor het werken in een kantoortuin. Appellant is wel aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op arbeid waarin geen hoog handelingstempo. Hoewel appellant beperkt is voor geluidsbelasting, is hij niet beperkt voor het werken in een kantoortuin. Zo’n werkomgeving is minder prikkel-belastend dan de thuisomgeving, waarin sprake was van verstoringen door het eigen bedrijf en inwonende kinderen. Toch bestond er geen noodzaak om zich geheel uit die thuissituatie terug te trekken.

2.4.

Van meer fysieke beperkingen is evenmin gebleken. Appellant heeft geen ondersteunende medische gegevens of argumenten aangeleverd. Bovendien zijn al beperkingen aangenomen voor lopen en staan tijdens het werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien voor extra beperkingen voor omgevingslawaai en prikkelgevoeligheid. Nu volgens de rechtbank de medische beoordeling standhoudt, hoeft de FML van 17 mei 2022 niet aangepast te worden. De door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn passend.

Het standpunt van appellant

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij verdergaand beperkt is voor onder meer duurbelasting en prikkels en dat de verzekeringsarts in bezwaar is uitgegaan van een andere persoon (persoonsverwarring of verwisseling). Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op zijn beroepsgrond dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gemeend dat een NPO verricht moet worden alvorens cognitieve beperkingen worden gesteld, dat het dagverhaal door de bezwaarverzekeringsarts anders is opgeschreven dan is besproken en dat het Uwv ten onrechte het NPO-rapport van 17 januari 2023 buiten beschouwing heeft gelaten. Ook heeft appellant benadrukt dat hij in de thuisomgeving niet blootgesteld wordt aan de inwonende kinderen, omdat hen geleerd is met hem rekening te houden en hij zich in een aparte ruimte in huis kan terugtrekken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en daarvoor verwezen naar de rapporten van de verzekeringsartsen, waaronder die van 29 augustus 2022.

Opdracht aan deskundige

5. Bij de Raad zijn twijfels ontstaan over de voor appellant per 30 maart 2021 in de FML van 16 mei 2022 vastgestelde beperkingen. De Raad heeft daarom aanleiding gezien verzekeringsarts Perquin als deskundige te benoemen.

Het oordeel van de Raad

6. In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 maart 2021 terecht heeft bepaald op 73,68%.

6.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. De rapporten van Perquin van 17 juli 2025 en 23 oktober 2025 geven blijk van een zorgvuldig en volledig onderzoek. Perquin heeft dossierstudie verricht, appellant uitgebreid gesproken, een anamnese afgenomen en de in dit geding beschikbare medische informatie kenbaar in zijn beoordeling betrokken en meegewogen. Perquin heeft vastgesteld dat appellant vermoeidheidsklachten zonder duidelijk aanwijsbare onderliggende oorzaak heeft. De klachten van appellant zijn ontstaan na twee operaties, te weten een operatie aan de voet en een galblaasverwijdering. Onderzoek door internist professor dr. R.O.B. Gans heeft geen verklarende diagnose opgeleverd en geconcludeerd tot een syndroomdiagnose CVS op basis van chronische vermoeidheid zonder andere verklaring dan bestaande OSAS (slaapapneu), met een advies voor cognitieve gedragstherapie en oefentherapie. Verder heeft Perquin het standpunt van appellant dat aan het uitgevoerde NPO van 17 januari 2023 wel conclusies moeten worden verbonden, verworpen, omdat een niet-valide NPO niet bruikbaar is. Volgens Perquin is de Uwvbeoordeling goed te volgen en is deze beoordeling niet onvolledig of onzorgvuldig geweest. Perquin heeft geconcludeerd dat op de datum in geding, zijnde 30 maart 2021, sprake is van CVS, OSAS, hypertensie, jicht en obesitas en dat de beperkingen van appellant in de FML van 16 mei 2022 juist zijn vastgesteld.

6.2.

In zijn aanvullende rapport van 23 oktober 2025 heeft Perquin voldoende gemotiveerd gereageerd op de door appellant geuite kritiek op zijn rapport. Perquin heeft erop gewezen dat hij nooit een relatie heeft gehad met het Uwv of de betrokken functionarissen en dat een stevige argumentatie voor de door appellant geuite twijfel over zijn objectiviteit ontbreekt. Verder heeft Perquin uiteengezet dat hij, in tegenstelling tot wat appellant heeft aangevoerd, niet heeft volstaan met een deelonderzoek bij appellant, maar dat hij appellant fysiek heeft gezien en onderzocht. Een psychisch onderzoek is niet verricht, omdat geen sprake is van een psychische of psychiatrische ziekte, maar hoe appellant cognitief functioneerde tijdens het onderzoek is wel meegewogen en beoordeeld. Verder heeft Perquin vermeld dat hij de ontwikkelingen over ME/CVS volgt, waaronder de uitspraken van de Raad van 17 juli 2025 (die dateren van een dag nadat hij zijn rapport heeft opgesteld). Daarin heeft hij geen aanleiding gezien om tot een andere beoordeling te komen.

6.3.

De conclusies van deskundige Perquin worden door de Raad onderschreven. Er is geen aanleiding om de FML van 16 mei 2022 voor onjuist te houden en er wordt geen aanleiding gezien een andere deskundige in te schakelen.

6.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 16 mei 2022, wordt het Uwv gevolgd in het oordeel dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

7. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.[_72d31b92-1e8a-43ba-8723-fc6ef8aa1c85] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

7.1.

In dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 25 januari 2022 tot de datum van de uitspraak zijn vier jaar en negen maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

7.2.

De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te schrijven, nu het Uwv binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift het bestreden besluit heeft genomen. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling aan appellant van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-.

7.3.

Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het schadevergoedingsverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Conclusie en gevolgen

7.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 73,68%, in stand blijft.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten (uitgezonderd de proceskostenvergoeding, die hiervoor in 7.3, genoemd is) en ook niet voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot een betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant in verband met het schadevergoedingsverzoek, ten bedrage van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.J.D. van Haren

Voetnoten

  1. Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.