Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1376Zaaknummer 25/1703 Wajong

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
25/1703 Wajong
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van weigering Wajong-uitkering. Herhaling van de gronden in beroep en verwijzing naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan toe dat de in hoger beroep overlegde informatie van de neuroloog zorgvuldig in de besluitvorming is betrokken en onvoldoende is om de belastbaarheid bij benadering vast te stellen of om ervan uit te gaan dat appellant het arbeidsvermogen volledig is verloren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Het oordeel van de Raad
  6. Conclusie en gevolgen
  7. BESLISSING
  8. (getekend) F.M. Rijnbeek
  9. (getekend) G.T. Hunsel

25/1703 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2025, 24/8421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 2 mei 2019, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajonguitkering heeft afgewezen. Appellant vindt dat hij nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 2 mei 2019.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1991, heeft driemaal eerder een beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Bij besluit van 11 juli 2012 heeft het Uwv de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Wajong na verzekeringsgeneeskundig onderzoek afgewezen, omdat appellant meer dan 75% van het minimuminkomen kan verdienen. Appellant heeft op 24 maart 2014 opnieuw een aanvraag om Wajong-uitkering gedaan. Bij besluit van 9 april 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Appellante heeft vervolgens in april 2019 weer Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 2 mei 2019 heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig onderzoek de aanvraag om Wajong-uitkering afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft tegen de drie hiervoor genoemde besluiten geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze in rechte vaststaan.

1.2.

Appellant heeft op 27 februari 2023 met een door het Uwv op 1 maart 2023 ontvangen formulier aanvraag beoordelingsvermogen, voor de vierde keer een Wajonguitkering aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 8 maart 2023 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 2 mei 2019 omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, van de Awb.

1.3.

Bij besluit van 26 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2024 en 15 juli 2024 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken. Hoewel zonder meer aannemelijk is dat appellant forse beperkingen ervaart en voorts sprake lijkt van een verdere verslechtering van zijn gezondheidssituatie, zoals ook beschreven in de sociaal-medische advisering van de gemeente Rotterdam van 31 mei 2022, is het juridische kader in deze zaak beperkt tot de toets of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de voor de Wajong relevante periode. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten afdoende gemotiveerd dat de in bezwaar overgelegde informatie van de neuroloog E. van Beijeren van Sein van 12 juni 2024 betrekking heeft op de huidige medische situatie van appellant, die ver na zijn achttiende verjaardag ligt en er daarom geen sprake is van nieuwe medische feiten met betrekking tot zijn achttiende verjaardag. Hoewel appellant aanvoert dat de situatie nu volledig gelijk is aan die rond de periode in geding, worden er geen objectieve feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de situatie op het achttiende jaar gelijk is aan de medische situatie in recente jaren. In 2012 is de medische situatie van appellant op zijn achttiende jaar al beoordeeld en bleek sprake te zijn van participatiemogelijkheden. Er werd toen rekening gehouden met beperkingen door epilepsie en psychische problematiek. In 2019 is al geoordeeld dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen. Er is weliswaar sprake van een verslechterde gezondheidssituatie en appellant heeft tijdelijk geen mogelijkheden om deel te nemen aan arbeid, zoals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2024 is genoemd en waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoeksrapport uit 2022 is betrokken, maar dit valt buiten de voor appellant voor de Wajong relevante periode. Binnen die relevante periode is er geen moment aan te wijzen waarop de sinds 2012 bestaande klachten zijn verergerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 2 mei 2019 terecht heeft afgewezen. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Het standpunt van appellant

3.1.

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Appellant is van mening dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht of de huidige medische situatie aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de klachten en beperkingen al in de relevante periode bestonden, maar destijds onvoldoende zijn onderkend. Om die reden is het besluit van het Uwv onzorgvuldig voorbereid. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een EEG-verslag van 24 juli 2009, een ECG van 7 juni 2009, informatie van AIOS-neurologie van 23 juni 2009 en van neuroloog Van Beijeren van 19 augustus 2014 en

2 december 2014 overgelegd.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van het besluit van 2 mei 2019 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.

Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. In wat appellant heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

In het rapport van 30 juni 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd waarom de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om uit te gaan van een verergering van de beperkingen in de periode tussen [geboortedatum] 2009 en [geboortedatum] 2014, omstreeks februari 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie van neuroloog Van Beijeren zorgvuldig in de oordeelsvorming betrokken en geconcludeerd dat het enkele feit dat er een toegenomen aanvalsfrequentie bestond, onvoldoende is om de belastbaarheid bij benadering vast te stellen of om ervan uit te gaan dat appellant het arbeidsvermogen in die periode volledig is verloren. De Raad acht de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar.

Conclusie en gevolgen

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van 2 mei 2019 in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.