Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1374Zaaknummer 25/2034 WIA
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2034 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 52,25%. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft en daarom volledig arbeidsongeschikt had moeten worden verklaard. De Raad volgt dit standpunt niet.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) A.N. Bechinka
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/2034 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2025, 24/7557 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 januari 2023 heeft vastgesteld op 52,25%. Volgens appellante is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en heeft zij geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Voor appellante is mr. Duijs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Martens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als assistent-bedrijfsleider voor 40 uur per week. Op 21 februari 2020 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Deze arts heeft op 4 september 2023 vastgesteld dat bij appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) en dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft. De arts heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 augustus 2023. De arbeidsdeskundige heeft op 7 september 2023 vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 49,74%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 september 2023 aan appellante met ingang van 18 januari 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij besluit van 24 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 52,25%. Hieraan liggen ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 mei 2024, een gewijzigde FML van 3 mei 2024 en een rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2024.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft onder meer vastgesteld dat partijen verdeeld zijn over de vraag of appellante benutbare mogelijkheden heeft. De rechtbank heeft gewezen op de situaties in artikel 2 van het fbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het door appellante in beroep ingestuurde rapport van een gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek van psychiater M. van Beem en verzekeringsarts H. Yuce van 28 januari 2025 en de aanvulling daarop van 11 juli 2025 (hierna: contra-expertise), geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. In zijn rapporten van 6 juni 2024 (lees: 3 mei 2024) en 22 april 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank op inzichtelijke wijze uiteengezet dat en waarom appellante niet voldoet aan de GBM-criteria. Wat in de contra-expertise door Van Beem en Yuce afgeleid wordt uit het dagverhaal, komt volgens de rechtbank niet overeen met het disfunctioneren van appellante op micro-, meso- en macroniveau op de datum in geding. Dat volgt reeds uit het feit dat appellante, in de periode hier van belang, zelfstandig met een camper naar [plaats] is gereisd en daar maanden zelfstandig heeft verbleven. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Volgens de rechtbank zijn de functionele mogelijkheden van appellante correct vastgesteld, zijn de geselecteerde functies voor appellante passend en heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van 52,25% juist vastgesteld.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid. Ter onderbouwing heeft zij in hoger beroep aanvullende informatie ingestuurd van psychiater Van Beem van 26 november 2025 en informatie van revalidatiearts M.V. Borgerhoff Mulder van 4 april 2025 en 26 januari 2026. Volgens appellante blijkt uit de reeds in beroep overgelegde contra-expertise en de aanvullingen daarop dat de (verzekerings)artsen van het Uwv geen volledig en inzichtelijk beeld hadden van haar feitelijke psychische beperkingen. Essentiële onderdelen, zoals het dagverhaal en de doorwerking van de klachten op het dagelijks functioneren, zijn onvoldoende uitgevraagd en uitgewerkt. Ook is ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de camperreis van appellante naar [plaats]. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige in te schakelen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Met een rapport van 10 augustus 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de door appellante in hoger beroep ingestuurde medische informatie gereageerd. Zij ziet daarin geen aanleiding om haar eerdere standpunt dat geen sprake is van een GBM-situatie te wijzigen. Verder is ter zitting van de Raad door het Uwv toegelicht dat de (verzekerings)artsen van het Uwv bij de beoordeling gebruik hebben gemaakt van de Uwv-Richtlijn ‘Opname in Ziekenhuis of Instelling, Bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid en Onvermogen tot Persoonlijk en Sociaal Functioneren (OPSF)’ van 3 oktober 2018.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 52,25%, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit geldt dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit geeft, bij wijze van uitzondering, een limitatieve opsomming van situaties waarbij sprake is van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, op grond waarvan een arbeidskundig onderzoek achterwege blijft en de betrokkene volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Het gaat dan om gevallen waarin een verzekerde evident niet kan werken en ook op korte termijn niet in staat zal zijn om te werken.
Tussen partijen is niet in geschil dat een situatie als omschreven in artikel 2, vijfde lid, aanhef en de onderdelen a, b en c, in het geval van appellante niet aan de orde is. Het gaat enkel om de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit, namelijk dat betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
In de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit[_95a0c080-8694-4010-b503-bc4a9d247881] staat hierover vermeld:
“(…) 2. Geen duurzaam benutbare mogelijkheden (…) Dit is kort gezegd het geval wanneer de client als gevolg van de ernst van zijn stoornissen niet meer zelfstandig kan functioneren. Het zal hier veelal de meest ernstige ziektegevallen betreffen die de verzekeringsarts ter beoordeling krijgt voorgelegd. (…) Het persoonlijk en sociaal functioneren heeft betrekking op de situatie waarin het verlies van zelfredzaamheid van psychische aard is.
Onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren kan alleen worden aangenomen indien betrokkene op drie terreinen aantoonbaar disfunctioneert:
a. de zelfverzorging in het dagelijks leven (het zelfstandig initiatief kunnen nemen tot noodzakelijke handelingen tot behoud van zaken als hygiëne, dagritme en structurering van het dagelijks leven);
b. het samenlevingsverband (gezin, familie);
c. sociale contacten buiten het gezin, inclusief het onderhouden van werkrelaties.
Voor het aannemen van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren is noodzakelijk dat de cliënt op alle drie die terreinen, dus op micro-, meso- en macroniveau, niet kan functioneren. Indien betrokkene bijvoorbeeld alleen problemen heeft in zijn samenlevingsverband impliceert dit immers niet dat hij in arbeid niet kan functioneren. Ook indien iemand minder goed functioneert in de sociale aspecten van werk wil dat niet zeggen dat hij geen andere mogelijkheden heeft tot arbeid, en het verwerven van inkomsten. Het moet dus gaan om psychische klachten van zeer ernstige aard.(…)”
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten toereikend heeft toegelicht waarom in het geval van appellante zich niet de situatie voordoet als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Het standpunt van appellante dat Van Beem en Yuce stellen dat de (verzekerings)artsen van het Uwv het dagverhaal van appellante onvoldoende hebben uitgevraagd en uitgewerkt, wordt niet gevolgd. De (verzekerings)artsen van het Uwv hebben appellante tweemaal op een spreekuur uitgebreid gesproken, een anamnese afgenomen, informatie van de behandelend artsen in de beoordelingen betrokken en uitgebreid verwoord welke activiteiten appellante verricht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de contra-expertise van Van Beem en Yuce (inclusief aanvulling) in de beoordeling betrokken. Bovendien is tijdens de zitting van de Raad gebleken dat de vaststelling van de feiten geen punt van geschil tussen partijen is, maar dat het enkel gaat om de weging hiervan.
Op basis van de rapporten van de (verzekerings)artsen van het Uwv, de contraexpertise van Van Beem en Yuce (inclusief aanvulling) en de overige medische informatie, heeft het Uwv vervolgens geconcludeerd dat bij appellante geen sprake is van disfunctioneren op micro-, meso- en macroniveau. Appellante was op de datum in geding, 18 januari 2023, in staat om haar ontbijt te maken, te douchen, haar medicatie dagelijks in te nemen, auto te rijden, boodschappen te doen (kant-en klaar-maaltijden te kopen/bestellen) en haar maaltijden te bereiden dan wel op te warmen. Verder is niet gebleken van zelfverwaarlozing en is geconstateerd dat sprake is van een goed verzorgd uiterlijk en een normale voedingstoestand. Ook heeft appellante een LAT-relatie, onderhoudt zij langdurige vriendschappen en kan en gaat zij zelfstandig de openbare weg op. Ten slotte is gebleken dat zij, weliswaar met beperkingen, in staat was om begin 2023 alleen met de camper naar [plaats] te rijden om daar te klimmen en daar enkele maanden te blijven. Daar heeft zij zich gefocust op het doorkomen van haar dag en het verzorgen van maaltijden en was zij onder de mensen. In de avond kon ze aansluiten bij of samen met anderen koken.
Gelet op wat onder 5.3 tot en met 5.6 is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit. Er bestaat geen twijfel over de medische beoordeling. Er is daarom geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het verzoek om schade wordt afgewezen. Dit betekent dat de WIA-uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 52,25% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) A.N. Bechinka
Voetnoten
- Staatsblad 2000, 307, blz. 9 en 11.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.