Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1373Zaaknummer 25/1046 WIA
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1046 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling van mate arbeidsongeschiktheid op 79,22%. Geen nieuwe gronden. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn passend bij de belastbaarheid van appellant. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) J.H. Ermers
(getekend) C.C.M. van 't Hol
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/1046 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2025, 23/5020 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] [gemeente] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 25 juli 2022 heeft vastgesteld op 76,22%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. De Raad heeft tevens geoordeeld dat appellant recht heeft op schadevergoeding vanwege overschrijden van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A. van Lange, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Voor appellant is mr. Van Lange verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Okan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als machinist/wagencontroleur voor 36 uur per week. Op 27 juli 2020 heeft hij zich ziekgemeld met cardiale klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 76,96%. Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2022 aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend met ingang van 23 augustus 2022 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 76,96%. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij een nader besluit van 5 september 2022 is de ingangsdatum van de loongerelateerde WGA-uitkering gewijzigd naar 25 juli 2022.
Bij besluit van 8 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 16 mei 2023 een nieuwe FML opgesteld waarin meer beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een wijziging aangebracht in de geduide functies. Dit heeft geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,22%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van het medisch onderzoek. De rechtbank twijfelt ook niet aan de juistheid van de FML. De rechtbank heeft verder overwogen dat de geduide functies passend zijn voor appellant en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 79,22%.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de Wet WIA uitgaat van objectief vastgestelde beperkingen. Bij appellant is echter sprake van een cumulatieve impact van de klachten, zoals ernstige vermoeidheid, duizeligheid, visusproblemen en een slaapstoornis (OSAS). De subjectieve beleving daarvan op zijn functioneren is onvoldoende meegewogen in relatie tot de specifieke functie-eisen van de geduide functies.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hoewel de rechtbank de functie van coupeuse (SBC-code 272042) kwantitatief passend acht op basis van de belasting voor traplopen, deze functie kwalitatief niet passend is. De combinatie van traplopen met de door appellant ervaren vermoeidheid en duizeligheid vormt gezamenlijk een hogere belasting dan de afzonderlijke beperkingen suggereren.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Met betrekking tot de grond dat de klachten van appellant niet juist zijn vastgesteld, overweegt de Raad dat deze grond niet slaagt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Het Uwv heeft naast eigen onderzoek ook de medische informatie bij de beoordeling betrokken. Het is de Raad niet gebleken dat met niet alle geobjectiveerde beperkingen rekening is gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar de FML aangepast op grond van hetgeen appellant heeft aangevoerd. De Raad heeft geen twijfel of de verzekeringsarts bezwaar en beroep een juiste vertaalslag heeft gemaakt van de objectieve beperkingen naar de FML. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gronden naar voren gebracht of zijn stelling met aanvullende medische informatie onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om, met betrekking tot de medische kant van de schatting, tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
Arbeidskundige beoordeling
De Raad volgt appellant niet in het betoog dat bij het selecteren van functies de beperkingen meer in samenhang moeten worden gezien. Het systeem van de Wet WIA, in samenhang met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, stelt vast hoe een schatting moet verlopen en het Uwv heeft dat op juiste wijze gevolgd. Voor zover appellant daarmee wil aanvoeren dat de belastbaarheid wordt overschreden, slaagt deze grond niet. Uit wat onder 5.2 is overwogen volgt dat de belastbaarheid juist is vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom de functies passend zijn voor appellant. De Raad oordeelt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat op overtuigende wijze heeft gedaan.
Overschrijding van de redelijke termijn
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Of de redelijke termijn, bedoeld in dat artikel, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.
In zaken zoals deze, is voor een procedure in drie instanties de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar, het beroep binnen anderhalf jaar en het hoger beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgehandeld, terwijl de rechterlijke fase in totaal maximaal drie en een half jaar mag duren.[_00eda5fd-1a0e-42b9-ac87-805f93807419]
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.[_0433f41b-5165-4955-ad16-eba0683d56c1]
Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 23 augustus 2022 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim een maand verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-.
Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim negen maanden geduurd. De behandeling in de rechterlijke fase heeft afgerond 39 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de bestuurlijke fase is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is drie maanden. Het Uwv wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de WIA-uitkering per 25 juli 2022 op 79,22 % in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) J.H. Ermers
(getekend) C.C.M. van 't Hol
Voetnoten
- Vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
- Vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.