Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 13 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1371Zaaknummer 20/1177 WIA

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
20/1177 WIA
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Proceskostenveroordeling
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.500,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.159,20;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) M.G.J. van Eck

Volledige tekst

20/1177 WIA

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 februari 2020, 19/4497 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. De procedure is voortgezet door mr. I.G.M. van Gorkum.

Het Uwv heeft op 28 mei 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellante per 1 januari 2015 tot en met 30 april 2015 een loongerelateerde WIA-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1 mei 2015 is appellante een LAU-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering heeft dezelfde hoogte als de loongerelateerde uitkering.

Bij brief van 29 juni 2026 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft appellante een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Verzoek om schadevergoeding redelijke termijn

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geldt het volgende.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.[_cbe15d45-084f-4949-90fa-df1d947ddadc]

Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 14 januari 2019 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 28 mei 2026 zijn zeven jaar en (naar boven afgerond) vijf maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met eenenveertig maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift ruim vijf maanden geduurd. De redelijke termijn is dus in de rechterlijke fase geschonden. Dit betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 3.500,-.

Proceskosten

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het nieuwe besluit op bezwaar van 28 mei 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.

Deze voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden op grond van het Bpb begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 4.203,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 2 keer een 0,5 punt voor het verschijnen op twee nadere zittingen, 3 keer een 0,5 punt voor de reacties op de rapporten van de deskundigen verzekeringsarts I.A.K. Snels, verzekeringsarts R. Ouwens en psychiater G.F. Koerselman, met een waarde per punt van € 934,-).

Daarnaast komen de door appellante gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking,

€ 88,20.

Er bestaat tevens aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 6.159,20.

Griffierecht

Het Uwv dient het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.500,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.159,20;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

  1. Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.