Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 2 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1363Zaaknummer 26/1372 PW-VV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/1372 PW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijke toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Voorschotverlening. Intrekking. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Zorgbehoefte. Nader onderzoek. Verzoeker heeft met de door hem verstrekte stukken een aanzienlijke feitelijke grondslag verstrekt die erop wijst dat Y een zorgbehoefte heeft als bedoeld in art. 3 lid 2 onder a PW (nieuw). De verstrekte (medische) informatie over de zorgbehoefte van Y is specifiek en niet zo licht van aard dat het college daaraan voorbij had kunnen gaan. De voorzieningenrechter is met de rechtbank voorshands van oordeel dat het in dit geval op de weg van het college ligt om nader onderzoek te laten verrichten.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
- bepaalt dat het college met ingang van 27 juli 2026 aan verzoeker bij wijze van voorschot bijstand verleent tot een bedrag van € 400,- per maand totdat het college een onderzoek heeft verricht naar het bestaan van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (nieuw en oud) en hierover een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, dan wel totdat beslist is op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 147,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) W.B. Eefting
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26/1372 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Zutphen (college)
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
SAMENVATTING
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen om verzoeker bij wijze van voorschot bijstand te verlenen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek gedeeltelijk toe.
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2026, 26/2575 en 26/2579, ECLI:NL:RBGEL:2026:5231.
Namens verzoeker heeft mr. R.M. Noorlander een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september 2026. Verzoeker heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Hij is bijgestaan door mr. Noorlander, die op de zitting is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Riemersma en L.L. de Haas.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1 Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Verzoeker ontving sinds 6 april 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker staat in de basisregistratie personen ingeschreven op het uitkeringsadres in [woonplaats]. [naam 1] (Y) staat ingeschreven op een ander adres in [woonplaats] (adres X). Y ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Naar aanleiding van een eerder onderzoek waarin verzoeker heeft gemeld dat hij vaak bij Y is, heeft de consulent inkomen hem gevraagd om te verschijnen op gesprekken en stukken over te leggen. Omdat verzoeker dat niet heeft gedaan heeft het college met het besluit van 20 oktober 2025 zijn bijstand ingetrokken met ingang van 2 oktober 2025.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 29 november 2025. Voordien heeft verzoeker op 13 november 2025 een gesprek gehad met de consulent inkomen over zijn woon- en leefsituatie. Daarbij heeft verzoeker verklaard woonachtig te zijn op het adres van Y en over de redenen daarvoor, namelijk vanwege haar zorgbehoefte. Daarnaast heeft verzoeker op 24 november 2025 een ingevuld aanvraagformulier voor bijstand ingediend. In dat verband zijn er stukken opgevraagd bij verzoeker. Verzoeker heeft op 10 december 2025 een besluit van het college van 27 juli 2022 aan het college toegezonden waarbij de bestaande voorziening van Y op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is verlengd. Y krijgt acht uur per jaar zorgcoördinatie en twee uur per week individuele begeleiding van RIWIS Zorg & Welzijn.
Daarnaast ontvangt zij vijf uur per week dagbesteding van [organisatie 1], twee uur per week dagbesteding van de [organisatie 2] en twee uur per week dagbesteding van [organisatie 3].
Omdat niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt heeft de consulent een hersteltermijn gegeven voor het verstrekken van:
- een korte medische verklaring waarin staat dat er sprake is van een medische beperking/ziekte/stoornis bij Y en dat deze beperking leidt tot zorg- of toezichtbehoefte. Een korte omschrijving volstaat. Een volledig medisch dossier is niet nodig.
- een verklaring van een behandelaar of zorgprofessional over de benodigde dagelijkse hulp of ondersteuning aan Y en waarom zelfstandig functioneren niet (volledig) mogelijk is.
Op 6 januari 2026 heeft verzoeker de consulent per e-mail bericht:
‘U heeft mij op 18 december een brief geschreven waarin u mij maant om voor 29 december gegevens aan te leveren. Ik heb u bijna alle gegevens aangeleverd ruim voor uw nieuwe 'deadline' van 29 december met uitzondering van de '...verklaring van een behandelaar of zorgprofessional...' . Ik verleen mantelzorg aan een vrouw met narcolepsie, cataplexie, psychosegevoeligheid, morbide obesitas en geheugenproblemen. Deze diagnoses heb ik niet verzonnen maar zijn gesteld door: neuroloog dr. [naam neuroloog] van Gelre ziekenhuizen, psychiater [naam psychiater] GGnet, en huisarts dr. [naam huisarts] van therapeuticum [naam therapeuticum] .’
Na een nieuwe hersteltermijn heeft verzoeker op 27 januari 2026 een brief van psychiater [naam psychiater] van GGNet verstrekt, gedateerd 20 augustus 2025 en geadresseerd aan de huisarts. Hierin staat dat het behandelplan van Y is bijgewerkt naar aanleiding van de geplande evaluatie en dat de huisarts in het overzicht de informatie over de DSM, het behandelbeleid en de wijzigingen in het behandelplan kan inzien. In deze brief staat dat Y sinds 2015 bekend is met late-onset schizofrenie. Zij is bekend met een langdurige behandelvoorgeschiedenis waarbij eerder sprake was van een dysthyme stoornis en een depressieve stoornis. Er is van jongs af aan sprake van narcolepsie en kataplexie waarvoor behandeling door neuroloog. Sinds 2015 heeft zij meerdere psychotische episoden doorgemaakt. Somatisch is er sprake van adipositas en narcolepsie. Er lijkt ook sprake van negatieve symptomatologie.
Op deze brief staat een bijschrift van huisarts [naam huisarts], gedateerd op 26 januari 2026.
‘Deze patiënt is bij mijn praktijk bekend. Zij heeft oa. hulp van RIWIS. Echter naast die hulp hebben patiënten met meerdere aandoeningen zoals [Y] dagelijks hulp en toezicht nodig. Hierbij helpt [verzoeker].’
Op 24 februari 2026 heeft verzoeker een brief van psychiater [naam psychiater] overlegd waarin staat dat Y vanaf 6 februari 2019 tot heden in behandeling is binnen het FACT-team van GGnet te [plaats].
De bevindingen van het onderzoek van de consulent staan in het rapport van 23 februari 2026.
Dit heeft geleid tot een herzien primair besluit van 25 februari 2026. De intrekking van de bijstand per 2 oktober 2025 blijft met een gewijzigde motivering in stand. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoeker verzwegen heeft dat hij met Y op adres X een gezamenlijke huishouding voert, dat hij als gehuwde moet worden aangemerkt en hij daarom geen recht op bijstand heeft naar de norm voor een alleenstaande. De uitzondering voor het voeren van een gezamenlijke huishouding als gevolg van een zorgbehoefte bij Y is niet van toepassing. Omdat het college al eerder wist dat verzoeker veel bij Y verbleef en daar mantelzorg gaf – en toch geen extra onderzoek heeft verricht – vindt het college het nu niet redelijk om met volledige terugwerkende kracht de uitkering te herzien. Het college heeft het besluit van 25 februari 2026 bij de beoordeling van het bezwaar betrokken.
Bij besluit van 27 februari 2026 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Naar aanleiding van het herziene primaire besluit van 25 februari 2026 heeft mr. Noorlander namens verzoeker een aanvullend bezwaarschrift ingediend op 16 maart 2026. Tijdens de hoorzitting op 31 maart 2026 heeft verzoeker een gedetailleerd overzicht verstrekt van de zorgtaken die hij per week verricht voor Y vanwege haar zorgbehoefte.
Met het besluit van 21 april 2026 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker daarbij geen belang meer heeft. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2026 ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand per 2 oktober 2025 in stand gelaten. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker en Y een gezamenlijke huishouding voeren en dat de in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW genoemde uitzondering zich niet voordoet. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat Y door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
Uitspraak van de rechtbank
2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
In de aangevallen uitspraak van 2 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb heeft de rechtbank het besluit van 25 februari 2026 geschorst, zulks tot zes weken nadat opnieuw op het bezwaar is beslist. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4. overwogen:
‘Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [Y] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [Y] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [Y]. Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [Y] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan nietprofessionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde/externe sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast” (Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.).’
Hoger beroep
3. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Volgens het hoger beroepschrift is het college van mening dat de rechtbank:
- niet gemotiveerd heeft waarom aan de vereisten van de uitzondering is voldaan;
- de bewijslast onjuist heeft verdeeld;
- een onjuist criterium voor (intensieve) 'zorgbehoefte' heeft gehanteerd;
- miskend heeft dat objectieve medische onderbouwing ontbreekt;
- een onjuiste betekenis heeft toegekend aan voornoemde memorie van toelichting en
- met haar uitspraak heeft gezorgd voor een onwerkbare uitvoerings- en rechtspraktijk.
Het verzoek om voorlopige voorziening
4. Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoeker gesteld dat hij al sinds 2 oktober 2025 geen inkomen meer heeft, inmiddels drie maanden huurachterstand heeft tot een bedrag van € 1.691,10 en een sommatie van de deurwaarder heeft ontvangen om de huur te voldoen. Een huurachterstand van drie maanden is volgens vaste rechtspraak voldoende om tot ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Mede gelet op het ontbrekende inkomen kan hij de afhandeling van de bodemzaak niet afwachten. Het verzoek strekt er mede toe dat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de bodemzaak.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter acht het door verzoeker gestelde financiële belang spoedeisend. Vanaf 2 oktober 2025 ontbreekt het verzoeker aan inkomen en inmiddels is sprake van een achterstand in de betaling van de huur over drie maanden. Verzoeker had in de te beoordelen periode een huur van € 548,94 per maand en recht op huurtoeslag. Verzoeker kan niet langer geld lenen om daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien en de huur te betalen. Het college heeft ter zitting gesteld dat verzoeker zijn financiële nood kan oplossen door weer in zijn woning op het uitkeringsadres te gaan verblijven waarna hij weer bijstand naar de alleenstaandennorm kan verkrijgen en dat verzoeker ervoor kan zorgen dat Y op korte termijn een aanvraag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) doet waardoor snel duidelijkheid wordt verkregen over de bestaande zorgbehoefte. Dit leidt er echter niet toe dat het spoedeisend belang komt te ontvallen. Verzoeker heeft toegelicht dat de keuze om op het uitkeringsadres te verblijven ten koste gaat van de zorg voor Y en dat een Wlzaanvraag nu niet aan de orde is.
Verder heeft het college aangevoerd dat Y en verzoeker een toeslag op grond van de Toeslagenwet kunnen aanvragen tot het geldende sociale minimum. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker en Y op grond van de Toeslagenwet als gehuwden kunnen worden aangemerkt omdat zij een gezamenlijke huishouding voeren. De in de PW opgenomen uitzondering vanwege het bestaan van een zorgbehoefte is niet opgenomen in de Toeslagenwet. Hieruit volgt dat verzoeker voor een deel zijn inkomen kan aanvullen, maar dit leidt er niet toe dat het spoedeisend belang geheel aan het verzoek komt te ontvallen.
Afdoen hoofdzaken
De voorzieningenrechter beoordeelt ook of hij meteen al een oordeel kan geven over de hoofdzaak. In dit geval is de procedure over de voorlopige voorziening niet geschikt om meteen een oordeel te geven over de hoofdzaak. Het is een lastige en principiële zaak, mede gelet op de door het college aangevoerde beroepsgronden. Hierbij is van belang dat gelet op de te beoordelen periode, die naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter loopt van 2 oktober 2025 tot en met 25 februari 2026, op deze zaak zowel het vanaf 1 januari 2026 geldende recht als het voordien geldende recht op grond van de PW, van toepassing lijkt te zijn. Dit betreft in het bijzonder de in deze zaak relevante uitzondering op de gezamenlijke huishouding, maar ook – meer zijdelings – de uitzondering op de kostendelersnorm in verband met een zorgbehoefte. Verder is ter zitting gebleken dat verzoeker zeer recent incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Deze hoofdzaken zijn niet rijp voor een bodemoordeel en dienen gelet op de inhoud en de stand van het recht door een meervoudige kamer te worden afgedaan.
Belangenafweging
Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. In het algemeen speelt bij deze belangenafweging een rol de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het bestreden besluit en/of de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven en dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn dan de huidige toestand. Naar dit geval vertaald is dus van belang of de aangevallen uitspraak naar verwachting in hoger beroep stand zal houden en het bestreden besluit dus niet, en zelfs of het primaire besluit moet worden herroepen. Deze toetsing kan meebrengen dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over het geschil in de bodemprocedure. De bodemrechter die de hoger beroepen moet gaan beoordelen is op geen enkele manier gebonden aan dit voorlopig oordeel.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, zoals deze bepaling sinds 1 januari 2026 luidt (nieuw), wordt in de PW en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, zoals deze bepaling vóór 1 januari 2026 luidde (oud) wordt in de PW en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
De voorzieningenrechter begrijpt de aangevallen uitspraak zo dat het bestreden besluit niet berust op zorgvuldig onderzoek omdat het college, gelet op wat verzoeker aan informatie heeft overgelegd, niet zonder nader (medisch) onderzoek mag vaststellen dat geen sprake is van een (intensieve) zorgbehoefte bij Y als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (nieuw). De rechtbank heeft niet expliciet de vernietigingsgrond als bedoeld in artikel 8:77, tweede lid, van de Awb genoemd, maar lijkt het bestreden besluit overeenkomstig de daartoe door verzoeker aangevoerde grond te hebben vernietigd wegens schending van artikel 3:2 van de Awb, dat zorgvuldig voorbereide besluitvorming eist.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de rechtbank hierin gevolgd kan worden. Verzoeker heeft met de door hem verstrekte stukken een aanzienlijke feitelijke grondslag verstrekt die erop wijst dat Y een zorgbehoefte heeft als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (nieuw). Verzoeker heeft wat de zorgbehoefte van Y betreft gewezen op de door hem verstrekte (medische) stukken, zoals genoemd onder 1.3 tot en met 1.7, en tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft hij een stuk overgelegd waaruit volgt wat de zorg is die hij aan Y verstrekt. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij van de zorgverleners niet de schriftelijke bevestiging krijgt dat wat hij aan zorg verleent nodig is gelet op de zorgbehoefte van Y en dat hij daarom niet meer informatie kan leveren.
De door verzoeker verstrekte (medische) informatie over de zorgbehoefte van Y is specifiek en niet zo licht van aard dat het college daaraan voorbij had kunnen gaan. Het college is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op wat verzoeker naar voren heeft gebracht over de zorgbehoefte van Y. De voorzieningenrechter is met de rechtbank voorshands van oordeel dat het in dit geval op de weg van het college ligt om nader onderzoek te laten verrichten.
Onderzoek
Verzoeker heeft een verklaring van Y ingebracht waarin staat dat zij bereid is mee te werken aan een onderzoek door een onafhankelijk medisch specialist. Ter zitting is met partijen besproken dat een onderzoek naar de zorgbehoefte zou kunnen worden verricht door een sociaal medisch adviseur, een deskundige die geregeld wordt ingeschakeld door gemeenten in het kader van de arbeidsinschakeling/verlening ontheffingen. Deze adviseur kan het medisch dossier opvragen, aanvullend onderzoek verrichten en mede aan de hand van de door verzoeker tijdens de hoorzitting geschetste zorgtaken beoordelen of sprake is van een (intensieve) zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (oud en nieuw). Zoals de rechtbank ook heeft overwogen komt – voorshands oordelend –, mocht Y bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, dat voor rekening en risico van verzoeker.
Conclusie en gevolgen
Uit 5.3.2 en 5.3.3 volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat de aangevallen uitspraak naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in stand kan blijven. Gelet op de actuele financiële situatie waarin verzoeker zich bevindt, bepaalt de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening dat het college verzoeker met ingang van 27 juli 2026 (de dag waarop het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan) een voorschot op de bijstand verstrekt tot een bedrag van € 400,- per maand totdat
a. beslist is op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep, dan wel
b. meer duidelijkheid is ontstaan over de zorgbehoefte en de uiteindelijke materiële uitkomst van het geschil doordat het college een onderzoek heeft verricht naar het bestaan van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (oud en nieuw) en hierover overeenkomstig de opdracht van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen.
De voorzieningenrechter onderkent dat in het laatste geval mogelijk een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening zal worden gedaan, maar ook dat dan een vollediger voorlopig oordeel over de inhoud van de zaak, kan worden gegeven.
Bij de beslissing betrekt de voorzieningenrechter dat, gelet op de voorgenomen zittingsplanning, de bodemprocedure naar verwachting in het tweede kwartaal van 2027 tot een einde zal komen en dat het financiële risico voor het college, dat hij het voorschot niet terugbetaald kan krijgen indien het college gelijk krijgt in de bodemprocedure, in zoverre beperkt blijft. Bij de hoogte van het bedrag van het voorschot heeft de voorzieningenrechter betrokken dat verzoeker als voorschot 90% voor de voor hem geldende norm heeft verzocht. De voorzieningenrechter komt voorlopig oordelend tot toepassing van de kostendelersnorm en niet tot de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, van de PW (nieuw) omdat geen sprake is van tijdelijk hoofdverblijf elders. Verder betrekt hij dat naar zijn voorlopig oordeel verzoeker naast Y gerechtigd is tot een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Omdat niet alle gegevens precies bekend zijn komt de voorzieningenrechter geschat tot het genoemde afgeronde bedrag per maand exclusief vakantiegeld.
6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt). Daarnaast moet het college aan verzoeker het voor het verzoek betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
- bepaalt dat het college met ingang van 27 juli 2026 aan verzoeker bij wijze van voorschot bijstand verleent tot een bedrag van € 400,- per maand totdat het college een onderzoek heeft verricht naar het bestaan van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de PW (nieuw en oud) en hierover een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, dan wel totdat beslist is op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 147,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) W.B. Eefting
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.