Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 29 september 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1362Zaaknummer 24/1463 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/1463 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Proces-verbaal
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Niet verschenen op gesprek. Verwijt. Geen onevenwichtige belangenafweging. Appellant heeft zijn standpunten dat zijn ex-partner post uit zijn brievenbus verwijderde en dat hij het college daarom eerder had verzocht om enkel digitaal met hem te communiceren niet aannemelijk gemaakt. Er is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking o.g.v. art. 54 lid 4 PW. Appellant heeft daarnaast in bezwaar geen enkele toelichting heeft gegeven over zijn vermogenspositie. Van een onevenwichtige belangenafweging op grond waarvan het college van voornoemde intrekkingsbevoegdheid geen gebruik mocht maken, is dan ook geen sprake.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

2. Het college heeft een onderzoek naar de financiële situatie van appellant gestart naar aanleiding van een anonieme schriftelijke mededeling, vermoedelijk van de ex-partner van appellant, met als bijlage een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2022. In het arrest staat onder meer dat de ex-partner aan appellant 20.000 aandelen moet leveren in een vennootschap in [plaats]. In de anonieme melding staat dat de aandelen meer dan € 200.000,- waard zijn. Het college heeft hierin reden gezien om appellant vragen te stellen over zijn vermogen en hem per brief uit te nodigen voor een gesprek op 13 oktober 2022 in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verlening van bijstand aan hem. Appellant heeft niet op die brief gereageerd en is niet op het gesprek verschenen. Het college heeft vervolgens met een besluit van 17 oktober 2022 het recht op bijstand van appellant opgeschort en hem nogmaals per brief uitgenodigd voor een gesprek op 20 oktober 2022. Appellant is ook op dit gesprek zonder bericht niet verschenen. Met een besluit van 27 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand vervolgens met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ingetrokken.

3. In geschil is de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellant na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 17 oktober 2022 in te trekken.

4. De bijstandverlenende instantie is alleen bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. Als dat niet zo is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

5. Niet in geschil is dat appellant niet op het gesprek van 20 oktober 2022 is verschenen en dat de uitnodigingsbrief daartoe in zijn brievenbus is gedeponeerd.

6. De beroepsgrond dat hem van het niet verschijnen geen verwijt kan worden gemaakt omdat hem niet te verwijten valt dat hij niet op tijd van de gespreksuitnodiging op de hoogte is geraakt, slaagt niet. Appellant heeft zijn standpunten dat zijn ex-partner post uit zijn brievenbus verwijderde en dat hij het college daarom eerder had verzocht om enkel digitaal met hem te communiceren niet aannemelijk gemaakt. Het dossier bevat niet een dergelijk verzoek. Het is bovendien de verantwoordelijkheid van appellant om zorg te dragen voor adequate postafhandeling en om de op zijn adres bezorgde post tijdig te lezen. Het niet (tijdig) lezen komt dan ook voor zijn rekening en risico. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 17 oktober 2022 in te trekken.

7. De beroepsgrond van appellant dat het college van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik mocht maken slaagt evenmin. Het college heeft in dit kader terecht aangevoerd dat appellant in bezwaar, maar overigens ook tot op heden, geen enkele toelichting heeft gegeven over zijn vermogenspositie. Omdat ten tijde van het bestreden besluit niet vaststond dat appellant na opschorting nog recht op bijstand had, had het college een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking.[_653ea5d8-caeb-4216-abfb-e0bd371de9b1] Omdat appellant daartegenover geen andere in aanmerking te nemen belangen heeft gesteld, getuigt het bestreden besluit dan ook niet van een onevenwichtige belangenafweging.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M.G.J. van Eck (getekend) E.C.E. Marechal

Volledige tekst

24/1463 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2024, 23/1559 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 29 september 2026

Zitting heeft: E.C.E. Marechal

Griffier: M.G.J. van Eck

De zitting is gehouden op 29 september 2026. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

2. Het college heeft een onderzoek naar de financiële situatie van appellant gestart naar aanleiding van een anonieme schriftelijke mededeling, vermoedelijk van de ex-partner van appellant, met als bijlage een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2022. In het arrest staat onder meer dat de ex-partner aan appellant 20.000 aandelen moet leveren in een vennootschap in [plaats]. In de anonieme melding staat dat de aandelen meer dan € 200.000,- waard zijn. Het college heeft hierin reden gezien om appellant vragen te stellen over zijn vermogen en hem per brief uit te nodigen voor een gesprek op 13 oktober 2022 in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verlening van bijstand aan hem. Appellant heeft niet op die brief gereageerd en is niet op het gesprek verschenen. Het college heeft vervolgens met een besluit van 17 oktober 2022 het recht op bijstand van appellant opgeschort en hem nogmaals per brief uitgenodigd voor een gesprek op 20 oktober 2022. Appellant is ook op dit gesprek zonder bericht niet verschenen. Met een besluit van 27 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand vervolgens met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ingetrokken.

3. In geschil is de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellant na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 17 oktober 2022 in te trekken.

4. De bijstandverlenende instantie is alleen bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. Als dat niet zo is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

5. Niet in geschil is dat appellant niet op het gesprek van 20 oktober 2022 is verschenen en dat de uitnodigingsbrief daartoe in zijn brievenbus is gedeponeerd.

6. De beroepsgrond dat hem van het niet verschijnen geen verwijt kan worden gemaakt omdat hem niet te verwijten valt dat hij niet op tijd van de gespreksuitnodiging op de hoogte is geraakt, slaagt niet. Appellant heeft zijn standpunten dat zijn ex-partner post uit zijn brievenbus verwijderde en dat hij het college daarom eerder had verzocht om enkel digitaal met hem te communiceren niet aannemelijk gemaakt. Het dossier bevat niet een dergelijk verzoek. Het is bovendien de verantwoordelijkheid van appellant om zorg te dragen voor adequate postafhandeling en om de op zijn adres bezorgde post tijdig te lezen. Het niet (tijdig) lezen komt dan ook voor zijn rekening en risico. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 17 oktober 2022 in te trekken.

7. De beroepsgrond van appellant dat het college van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik mocht maken slaagt evenmin. Het college heeft in dit kader terecht aangevoerd dat appellant in bezwaar, maar overigens ook tot op heden, geen enkele toelichting heeft gegeven over zijn vermogenspositie. Omdat ten tijde van het bestreden besluit niet vaststond dat appellant na opschorting nog recht op bijstand had, had het college een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking.[_653ea5d8-caeb-4216-abfb-e0bd371de9b1] Omdat appellant daartegenover geen andere in aanmerking te nemen belangen heeft gesteld, getuigt het bestreden besluit dan ook niet van een onevenwichtige belangenafweging.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M.G.J. van Eck (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

  1. Vergelijk de uitspraak van 14 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:521.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.