Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 29 september 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1358Zaaknummer 24/2229 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/2229 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Proces-verbaal
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering woonkostentoeslag. Te hoog inkomen. Afwijzing beroep op betalingsonmacht. Appellante had geen recht had op een woonkostentoeslag, omdat zij – gelet op de hoogte van haar inkomsten uit werkzaamheden – ruim boven de bijstandsnorm uitkwam. Uit de berekening die ten grondslag ligt aan de besluitvorming en die door appellante niet wordt betwist, blijkt duidelijk dat appellante, anders dan zij zelf meent, achteraf gezien over voldoende inkomsten beschikte om de woonkosten te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellante heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. De Raad wijst dit verzoek af. Appellante heeft ondanks herhaalde verzoeken geen (financiële) gegevens overgelegd, zodat de door haar gestelde betalingsonmacht niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft het griffierecht betaald, zodat de Raad inhoudelijk uitspraak doet.

2. Appellante heeft een eigen woning en ontvangt maandelijks inkomsten uit loondienst. Sinds 1 januari 2019 ontvangt appellante een woonkostentoeslag van € 60,72 per maand op grond van de Participatiewet.

3.1. Met een besluit van 19 maart 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de woonkostentoeslag van appellante per l juli 2019 ingetrokken, omdat gebleken is dat appellante over voldoende draagkracht beschikt om zelf de woonlasten te betalen. De te veel ontvangen woonkostentoeslag heeft het college van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 1.214,40.

3.2. Hangende de beroepsprocedure heeft het college op 31 juli 2023 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2). Met dat besluit heeft het college bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op basis van een nieuwe berekening heeft het college vastgesteld dat appellante, gelet op de hoogte van haar inkomen, met ingang van 1 juli 2019 niet langer in aanmerking komt voor een woonkostentoeslag.

4. De rechtbank heeft, voorzover van belang, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het college op basis van de inkomensgegevens van appellante terecht tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf 1 juli 2019 geen recht had op een woonkostentoeslag.

5. De Raad begrijpt het betoog van appellante aldus dat het college de woonkostentoeslag ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat het college van een verkeerd inkomen is uitgegaan. In dit verband wijst appellante opnieuw op haar financiële situatie en op diverse andere problemen, zoals problemen met haar buren, met de Vereniging van Eigenaren en met haar bankadviseur.

5.1. Appellante krijgt geen gelijk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante geen recht had op een woonkostentoeslag, omdat zij – gelet op de hoogte van haar inkomsten uit werkzaamheden – ruim boven de bijstandsnorm uitkwam. Uit de berekening die ten grondslag ligt aan de besluitvorming en die door appellante niet wordt betwist, blijkt duidelijk dat appellante, anders dan zij zelf meent, achteraf gezien over voldoende inkomsten beschikte om de woonkosten te betalen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.P.A. Elzer (getekend) A.M. Overbeeke

Volledige tekst

24/2229 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 augustus 2024, 22/3782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 29 september 2026

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: S.P.A. Elzer

De zitting is gehouden op 29 september 2026. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van der Zwart.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellante heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. De Raad wijst dit verzoek af. Appellante heeft ondanks herhaalde verzoeken geen (financiële) gegevens overgelegd, zodat de door haar gestelde betalingsonmacht niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft het griffierecht betaald, zodat de Raad inhoudelijk uitspraak doet.

2. Appellante heeft een eigen woning en ontvangt maandelijks inkomsten uit loondienst. Sinds 1 januari 2019 ontvangt appellante een woonkostentoeslag van € 60,72 per maand op grond van de Participatiewet.

3.1. Met een besluit van 19 maart 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de woonkostentoeslag van appellante per l juli 2019 ingetrokken, omdat gebleken is dat appellante over voldoende draagkracht beschikt om zelf de woonlasten te betalen. De te veel ontvangen woonkostentoeslag heeft het college van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 1.214,40.

3.2. Hangende de beroepsprocedure heeft het college op 31 juli 2023 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2). Met dat besluit heeft het college bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op basis van een nieuwe berekening heeft het college vastgesteld dat appellante, gelet op de hoogte van haar inkomen, met ingang van 1 juli 2019 niet langer in aanmerking komt voor een woonkostentoeslag.

4. De rechtbank heeft, voorzover van belang, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het college op basis van de inkomensgegevens van appellante terecht tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf 1 juli 2019 geen recht had op een woonkostentoeslag.

5. De Raad begrijpt het betoog van appellante aldus dat het college de woonkostentoeslag ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat het college van een verkeerd inkomen is uitgegaan. In dit verband wijst appellante opnieuw op haar financiële situatie en op diverse andere problemen, zoals problemen met haar buren, met de Vereniging van Eigenaren en met haar bankadviseur.

5.1. Appellante krijgt geen gelijk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante geen recht had op een woonkostentoeslag, omdat zij – gelet op de hoogte van haar inkomsten uit werkzaamheden – ruim boven de bijstandsnorm uitkwam. Uit de berekening die ten grondslag ligt aan de besluitvorming en die door appellante niet wordt betwist, blijkt duidelijk dat appellante, anders dan zij zelf meent, achteraf gezien over voldoende inkomsten beschikte om de woonkosten te betalen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.P.A. Elzer (getekend) A.M. Overbeeke

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.