Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1357Zaaknummer 25/2107 WIA
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2107 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Appellante is minder dan 35% arbeidsongeschikt. Medische onderzoek is zorgvuldig. De verzekeringsartsen beschikten over voldoende informatie om tot een afgewogen oordeel te komen. De geselecteerde functies zijn passend.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) J.H. Ermers
(getekend) C.C.M. van 't Hol
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/2107 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 oktober 2025, 25/2524 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 24 januari 2024 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S Träger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als beveiliger op een vliegveld voor 29,31 uur per week. Op 26 januari 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Zij ontving toen een Werkloosheidsuitkering. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 december 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 januari 2024 geweigerd appellante met ingang van 24 januari 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 8 april 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 1 april 2025 een nieuwe FML opgesteld waarin meer beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies opnieuw bekeken, geconcludeerd dat niet alle functies meer geschikt zijn, andere functies geselecteerd en berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid 27,15% is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De geduide functies vallen binnen de belastbaarheid zoals die is vastgelegd in de FML.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij is van mening dat de rechtbank niet is ingegaan op de grond dat er geen tijdig, volledig en actief onderzoek heeft plaatsgevonden door het Uwv. De verzekeringsartsen hebben nagelaten informatie op te vragen. De beperkingen van appellante zijn niet juist ingeschat. Zij had voor de datum in geding al ernstige klachten, zoals ernstige psychische ontregeling, waaronder een burnoutbeeld met uitputting, prikkelbaarheid en stemmingsdaling, alsook met fors toenemende lichamelijke klachten zoals schouder- en beenpijn, algehele stijfheid, vermoeidheid en tekenen van een onderliggende endocrinologische aandoening. Uit de stukken blijkt tevens dat de diabetes reeds langere tijd ontregeld was en dat de behandelend huisarts spreekt van overbelasting en mentale decompensatie die niet uit het niets is ontstaan, maar een voortzetting vormt van reeds bestaande problemen. Daarmee wordt objectief bevestigd dat appellantes klachten in essentie al vóór de datum in geding aanwezig waren, en dat deze tijdens de primaire en bezwaarprocedure onvoldoende zijn onderkend. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de FML van 1 april 2025. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel over de duurzaamheid van de klachten heeft gegeven. Nu de belastbaarheid in de FML te licht is vastgesteld, is een daarop gebaseerde arbeidskundige beoordeling eveneens onjuist. De rechtbank had moeten onderkennen dat de arbeidskundige passendheidstoets slechts de belasting van de functie afzet tegen de in de FML opgenomen beperkingen. Ter zitting van de Raad heeft appellante de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische stukken die in hoger beroep zijn ingebracht geen betrekking hebben op de datum in geding van 24 januari 2024. Onder verwijzing naar het verweerschrift heeft het Uwv verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de vraag of er een tijdig, volledig en actief onderzoek heeft plaatsgevonden door het Uwv. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.2 van de aangevallen uitspraak overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante op juiste wijze is verricht. De rechtbank heeft hierbij beschreven op welke manier de onderzoeken hebben plaatsgevonden en wat de uitkomsten zijn van de onderzoeken. Appellante heeft niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de verzekeringsartsen ten onrechte hebben nagelaten om informatie op te vragen bij de behandelaars van appellante. De klachten van appellante waren bekend bij de verzekeringsartsen. Zij beschikten over voldoende informatie om tot een afgewogen oordeel te komen. Het behoort tot de expertise van de verzekeringsarts om te bepalen welke onderzoeksmethoden worden gekozen, hoe de onderzoeksresultaten worden beoordeeld en tot welke beperkingen die leiden. Daarbij staat het appellante vrij om zelf medische informatie in te dienen en van die mogelijkheid heeft zij ook gebruik gemaakt.
De grond dat de beperkingen niet juist zijn ingeschat slaagt niet. Appellante heeft niet met objectieve medische stukken aannemelijk gemaakt dat zij op de datum in geding van 24 januari 2024 meer beperkingen had dan is aangenomen in de FML van 1 april 2025. De medische stukken die appellante in hoger beroep heeft ingebracht, maken dat niet anders. Deze stukken dateren van ver na de datum in geding en hebben geen betrekking op de datum in geding.
De Raad overweegt verder dat de rechtbank terecht niet heeft besproken of de beperkingen van appellante duurzaam zijn. De vraag of beperkingen duurzaam zijn, is pas relevant bij volledige arbeidsongeschiktheid.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de Raad geen twijfel heeft aan de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek door het Uwv en de FML van 1 april 2025. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen wordt dan ook afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
Wat appellante heeft aangevoerd, houdt in wezen in dat zij het niet eens is met de beperkingen zoals die in de FML zijn vastgelegd. De Raad heeft geoordeeld dat de FML juist is. De Raad oordeelt vervolgens dat de functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Appellante heeft geen concrete arbeidskundige gronden aangevoerd die zich richten tegen de geselecteerde functies.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) J.H. Ermers
(getekend) C.C.M. van 't Hol
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.