Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1356Zaaknummer 25/1180 WIA

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/1180 WIA
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn passend bij de belastbaarheid van appelante.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.D.F. de Moor

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Het oordeel van de Raad
  6. Conclusie en gevolgen
  7. BESLISSING
  8. (getekend) S. Wijna

25/1180 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 april 2025, 23/2372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 13 december 2018 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.J. Rubens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rubens. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

Na de zitting is het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Partijen hebben over en weer op elkaar gereageerd.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij nadere een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als stalmedewerker voor 24,83 uur per week. Op 13 december 2016 heeft zij zich ziekgemeld in verband met klachten na een bedrijfsongeval. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 26 januari 2023 geweigerd appellante met ingang van 13 december 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 4 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de beroepsgronden aanleiding gezien een eerder geselecteerde functies ongeschikt te achten en een functie te vervangen door een andere functie binnen dezelfde SBC-code.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft appellante niet in haar standpunt gevolgd dat sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek in bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante voorafgaand aan het primaire besluit wel het spreekuur van een geregistreerd verzekeringsarts heeft bezocht. Daarom hoefde in het geval van appellante in bezwaar niet om die reden opnieuw een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts plaats te vinden. Voorts is uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebleken dat de door appellante gegeven uiteenzetting, de overgelegde informatie van haar psycholoog van 17 mei 2023 en de informatie van haar fysiotherapeut van 19 mei 2023 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen volgen die, onder toepassing van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, geen aanleiding heeft gezien om een urenbeperking aan te nemen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de brief van de neuroloog van 30 november 2021 blijkt dat de door appellante beschreven aanvallen pas in 2021 zijn ontstaan. Appellante heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij bij haar opleiding veel begeleiding heeft gekregen. De rechtbank heeft de beoordeling van de medische situatie van appellante door de verzekeringsartsen kunnen volgen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het gaat om de beperkingen die appelante had op 13 december 2018. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat toen nog geen sprake was van de aanvallen van krachtverlies. Of deze aanvallen van krachtverlies in verband staan met het ongeluk in 2016 is daarom in deze procedure niet van belang. Ook als dat wel het geval is en ook als moet worden aangenomen dat appellante in 2018 al een functionele neurologische stoornis had, is niet gebleken dat appellante in 2018 al deze aanvalsgewijze klachten had. Wel was toen sprake van knieklachten, maar appellante heeft op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts op 9 november 2022 vermeld dat die rond december 2018 zijn verdwenen. Ook was sprake van hoofdpijn, concentratieklachten, geheugenklachten, vermoeidheid, problemen met dieptezien en prikkelgevoeligheid. Met deze klachten meldde appelante zich in februari 2018 bij de revalidatiearts. Die heeft echter in zijn brief van juli 2018 vermeld dat appellante haar oude leven weer op heeft kunnen pakken en dat een restklacht is dat appellante moeite heeft met drukke omgevingen. Daarnaast was sprake van angstklachten, die volgens de psycholoog in haar brief van 28 augustus 2018 niet met succes zijn behandeld. In verband met die angstklachten en de moeite met drukke omgevingen hebben de verzekeringsartsen beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kunnen volgen in het standpunt dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn. Daartoe is overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de functie productiemedewerker industrie (printmonteur conventioneel) wordt uitgeoefend in een rustige, klimatologisch vrij goede en goed ingerichte grote (geautomatiseerde) montageafdeling. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat in de (nieuw) geselecteerde functies door collega’s weliswaar spullen gehaald worden, soms met een wagentje, maar dat dit niet veelvuldig plaatsvindt. Ook wordt er wel gelopen door collega’s, maar het betreft een rustige werkomgeving en om de werkplek staan schotten of kunnen schotten worden geplaatst om afleiding en geluidsoverlast zo veel mogelijk te beperken.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Volgens appellante is uit het dossier een duidelijke lijn te volgen van klachten en beperkingen die kunnen worden geduid als gevolg van het ongeval dat haar op 13 december 2016 is overkomen. De problemen van appellante hebben verschillende labels gekregen, terwijl de klachten niet afnamen, maar erger werden. Dat blijkt onder meer uit de aanpassingen die ten behoeve van appellante zijn gedaan in het onderwijs en uit het dagverhaal van appellante. Gezien de onduidelijkheid van klachten die verband houden met niet-aangeboren hersenletsel en functioneel neurologisch syndroom, de diagnoses die thans aan de orde zijn, had een zorgvuldig onderzoek zich breder moeten richten op de voorliggende medische situatie en de onzekerheden van dat moment. Dat zich een ongunstig medisch scenario heeft ontwikkeld, leidt tot de vraag of dit scenario niet kon worden voorzien. Met een voorbehoud ten aanzien van herstel, zou op de datum in geding een urenbeperking moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat krachtsverlies en uitvalsverschijnselen gevolgen zijn van een ziekteoorzaak die al op 13 december 2018 aanwezig was. Ook als krachtsverlies en uitval op 13 december 2018 nog niet aan de orde waren, was het energieverlies er wel. Appellante meent dat de rechtbank te veel belang heeft gehecht aan een opmerking in een verslag van 9 juli 2018 van verpleegkundig specialist revalidatiegeneeskunde dat appellante haar oude leven weer zou hebben opgepakt. Die opmerking moet worden gelezen in relatie tot de opmerking vanuit neurologie op 5 februari 2018, dat appellante haar leven al behoorlijk heeft aangepast aan de belemmeringen die zij ervaart.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter zitting van de Raad op 13 mei 2026 is door de gemachtigde van het Uwv medegedeeld dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht naar aanleiding van een aanvraag van 15 september 2023 wegens toegenomen klachten per medio september 2021. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv een rapport van 4 juni 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 22 april 2026 van een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat is opgesteld in het kader van een aanvraag van appellante van september 2023, overgelegd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt uit het rapport van 22 april 2026 dat sprake is van een toenemende medische problematiek in september 2021 met een wijziging in de mentale toestand die leidde tot een aanname van een toename van beperkingen per 15 september 2021. Er was dus sprake van een andere medische toestand in september 2021 dan in 2018 en de medische bevindingen die zien op september 2021 zijn niet van toepassing op de datum 12 december 2018.

De reactie van appellante

5. In reactie op het standpunt van het Uwv heeft appellante aangevoerd dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat er medisch gezien sprake is van een wijziging in de medische toestand, geen steun vindt in het dossier of in de feiten.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

6.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellante op 9 november 2022 op een spreekuur gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling. In dit geval bevatte het dossier voldoende medische gegevens voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep om af te zien van een eigen spreekuurcontact. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, wordt eveneens onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv haar klachten ten onrechte niet in samenhang met de latere ontwikkelingen heeft beoordeeld. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben zich bij de beoordeling rekenschap gegeven van alle aandoeningen en de daaruit voortkomende klachten van appellante per 13 december 2018 en daarvoor zijn in de FML van 29 november 2022 beperkingen aangenomen.

6.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in medisch opzicht tekort is gedaan met de FML. In een rapport van 7 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de in beroep en hoger beroep ingezonden medische informatie geen informatie bevat die niet eerder bekend was. Deze conclusie wordt gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten voldoende gemotiveerd dat voor het aannemen van een urenbeperking of een andere aanpassing van de FML geen objectiveerbare medische informatie is overgelegd.

6.5.

Geoordeeld wordt dat het Uwv met de rapporten van 4 juni 2026 en 22 april 2026 van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende heeft onderbouwd dat er medisch gezien sprake is van een toename van beperkingen per 15 september 2021 en er daarom per die datum sprake is van een andere medische toestand dan op de datum in geding.

Arbeidskundige beoordeling

6.6.

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

6.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.D.F. de Moor

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.