Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1354Zaaknummer 25/2091 WIA
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2091 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Appellante is minder dan 35% arbeidsongeschikt. Beperkingen zijn juist vastgesteld. Geselecteerde functies zijn passend. In hoger beroep herhaling van eerder naar voren gebrachte gronden. Geen nieuwe medische informatie. Oordeel van de rechtbank wordt gevolgd.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) A.N. Bechinka
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/2091 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 september 2025, 24/3616 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 17 april 2019 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als huishoudelijk medewerker voor 7,42 uur per week. Op 19 april 2017 heeft zij zich ziekgemeld met onder meer handklachten. Bij afzonderlijke besluiten van 31 januari 2018 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 maart 2019 ingetrokken en geweigerd om aan haar per 17 april 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen, omdat zij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
Tegen de intrekking van de ZW-uitkering per 1 maart 2019 heeft appellante bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit op bezwaar van 30 april 2019 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Gelderland bij uitspraak van 23 juli 2020 (19/2418) ongegrond verklaard. In het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep (20/2778 ZW) heeft de Raad de deskundige verzekeringsarts L. GrevelingFockens verzocht een rapport uit te brengen. In haar rapport van 8 november 2022 heeft Greveling-Fockens geconcludeerd dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Greveling-Fockens heeft appellante aanvullend beperkt geacht op de aspecten 3.4.1 (huidcontact), 4.7.1 (schroefbewegingen met hand en arm), 4.19.2 (lopen tijdens het werk), 4.21.1 (klimmen) en 5.4.2 (staan tijdens het werk). Verder heeft zij toegelicht dat en waarom zij voor het aannemen van meer beperkingen zoals voorgesteld door verzekeringsarts M. de Winter in haar – op verzoek van appellante uitgebrachte – rapport van 14 augustus 2019 vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt geen valide argumenten heeft gezien. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 januari 2023 opgesteld en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat niet alle eerder geselecteerde functies passend zijn en dat onvoldoende functies zijn te vinden waarmee appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2019 over het intrekken van de ZW-uitkering gegrond geacht en dat besluit ingetrokken.
Bij besluit van 30 januari 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 17 april 2019 beëindigd omdat de vereiste wachttijd van 104 weken was volgemaakt. Op 16 maart 2023 heeft appellante het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juli 2020 ingetrokken.
Naar aanleiding van een door appellante op 7 maart 2023 gedane aanvraag om een uitkering op grond van de WIA heeft op 27 maart 2023 een verzekeringsarts gerapporteerd. Zij heeft zich aangesloten bij de in de eerdere ZW-zaak door verzekeringsarts GrevelingFockens vastgestelde belastbaarheid en heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een FML van 27 maart 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 27 juli 2023 vier functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de drie meeste verdienende functie berekend op 0,0%.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 juli 2023 geweigerd aan appellante per 17 april 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 25 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 april 2024 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 april 2024.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. De primaire verzekeringsarts heeft appellante telefonisch gesproken en het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft appellante op een fysiek spreekuur gezien en heeft haar zowel lichamelijk als psychisch onderzocht.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen overtuigend hebben gemotiveerd dat er geen medische onderbouwing bestaat om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML van 27 maart 2023 is gedaan. De verzekeringsartsen hebben inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd waarom ze in de FML aansluiten bij de bevindingen van Greveling-Fockens. Daarbij is van belang dat appellante bij de verzekeringsarts heeft verklaard dat haar klachten op de datum in geding, sinds het onderzoek van GrevelingFockens, niet zijn toegenomen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de beperkingen aan de handen van appellante op 17 april 2019. Greveling-Fockens heeft in haar rapport van 8 november 2022 het volgende overwogen:
“Het bestaan van fibromyalgie betekent niet zonder meer dat er sprake is van arbeidsbeperkingen. Bij het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte zou betrokkene belastbaar kunnen worden geacht conform habitus, leeftijd en conditie. Over het algemeen wordt echter wel aangenomen dat bij geconstateerde fibromyalgie (chronisch pijnsyndroom) het aannemelijk is dat er sprake is van enige beperkingen voor zwaar lichamelijke arbeid en ten aanzien van hoogfrequente repetitieve activiteiten. Gedoseerde activiteit wordt aangewezen geacht. In het algemeen leidt fibromyalgie tot het aannemen van beperkingen ten aanzien van zwaardere fysieke belasting zoals frequent reiken, frequent buigen, zwaar duwen of trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen, lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen, staan en staan tijdens het werk. De mate van de ernst van de beperkingen zijn niet objectief meetbaar vast te stellen. Het betreft een inschatting van de mogelijkheden, waarbij niet iedere verzekeringsarts dezelfde inschatting zal maken.
Toegespitst op de klachten van de handen van betrokkene acht ik het aannemelijk en plausibel dat de grijp-knijpkracht beperkt is te achten evenals repetitieve handvingerbewegingen. En dan met name dat dit beide niet continu mogelijk is te achten. In het verlengde hiervan acht ik betrokkene ook beperkt voor schroefbewegingen met hand en arm, niet frequent en zonder dat veel kracht gezet moet worden. Het werken met toetsenbord en muis is eveneens beperkt omdat dit repetitieve handelingen betreft. Kijkende naar de FML van 30 januari 2019 zie ik dan ook aanleiding om betrokkene in aanvulling hierop meer beperkt te achten ten aanzien van het item schroefbewegingen met hand en arm, overeenkomstig de visie van verzekeringsarts de Winter (rapport 14 augustus 2019).”
Volgens de rechtbank blijkt hieruit dat er bij fibromyalgie geen sprake is van objectiveerbare afwijkingen ten gevolge van ziekte, maar dat toch beperkingen aangenomen worden voor zwaar lichamelijke arbeid en voor hoogfrequente repetitieve activiteiten. De rechtbank heeft geen reden gezien om de door de deskundige Greveling-Fockens vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Het feit dat er bij fibromyalgie geen objectiveerbare afwijkingen zijn en dat het ook niet meetbaar is, betekent dat de mogelijkheid bestaat dat niet alle ervaren klachten tot dienovereenkomstige beperkingen in de FML leiden. Inherent aan de diagnose fibromyalgie is dat de verzekeringsarts een inschatting van de mogelijkheden maakt, en dat niet iedere verzekeringsarts dezelfde inschatting zal maken. Er is echter geen reden om de inschatting van de deskundige Greveling-Fockens niet te volgen. Dat de door appellante eerder ingeschakelde deskundige De Winter in zijn rapport van 14 augustus 2019 tot een iets andere belastbaarheid komt, maakt niet dat de deskundige Greveling-Fockens niet kan worden gevolgd. Daarbij is van belang dat de deskundige Greveling-Fockens door de Raad is benoemd in de procedure over de beëindiging van de ZW-uitkering, en dat het in deze zaak feitelijk om dezelfde vaststelling van de belastbaarheid van appellante gaat.
Dat appellante door de artrose in haar handen meer beperkt is, heeft de rechtbank niet gevolgd. Weliswaar heeft fysiotherapeut M. Schotsman – bij wie appellante op 2 september 2020 een traject gestart is – geconcludeerd dat sprake is van artroseklachten aan beide handen, maar hij is geen arts en daarom niet gekwalificeerd om een diagnose te stellen. Daarnaast zegt dit niets over de medische situatie op de datum in geding van 17 april 2019. Verder waren op een röntgenfoto geen artroseverschijnselen zichtbaar. Ook de in de eerdere ZW-zaak door appellante geraadpleegde verzekeringsarts De Winter heeft in haar rapport van 14 augustus 2019 artrose niet als diagnose gesteld. Bovendien heeft GrevelingFockens in haar rapport van 9 november 2022 het volgende overwogen:
“Dat er op datum in geding reeds sprake was van de later vastgestelde artrose staat niet vast en de brace om de linker duim droeg betrokkene op datum in geding nog niet. Dit maakt dat hiermee bij het beoordelen van de belastbaarheid geen rekening hoeft te worden gehouden. Zo er op datum in geding toch reeds sprake was van artrose, dan vallen de beperkingen die hieruit zouden kunnen voortvloeien binnen de beperkingen die zijn aangenomen op basis van fibromyalgie".
De grond dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies van administratief ondersteunend medewerker (SBC 315100), receptionist (SBC 315120) en directiechauffeur (SBC 282160) niet passend zijn vanwege haar handklachten, hoge bloeddruk en omdat zij vanwege een te hoge bloeddruk geen auto kan besturen en niet aaneengesloten kan zitten, heeft de rechtbank verworpen. Volgens de rechtbank zijn de beperkingen door de verzekeringsarts juist vastgesteld. Appellante heeft bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep eerder geen klachten gemeld over een verhoogde bloeddruk. In medische zin geeft een licht tot matig verhoogde bloeddruk in het algemeen ook geen klachten. Bovendien heeft appellante op het spreekuur aangegeven al 30 jaar haar rijbewijs te hebben en daardoor op de automatische piloot te rijden. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat appellante in staat moet worden geacht om auto te rijden.
Verder valt de belasting van dagelijks ongeveer drie uren werken met toetsenbord en muis in de geselecteerde functies van administratief ondersteunend medewerker en receptionist binnen de in de FML van 27 maart 2023 gestelde beperking op dit punt van maximaal vier uren per dag.
Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over de functie chauffeur personenbusje (taxichauffeur groepsvervoer) (SBC 282160) het volgende heeft gemotiveerd: “Appellante is op dit punt alleen beperkt voor continu veel kracht zetten. Deze beperking is in de functie van medewerker taxichauffeur groepsvervoer geen knelpunt. Knijp/grijpkracht komt voor bij het bedienen van het stuur, het bedienen van de deurgreep, vasthouden van bagage en stofzuiger en schoonmaakdoek hanteren. Alleen bij het hanteren van het stuur is sprake van langdurig knijp/grijpkracht, maar omdat auto’s tegenwoordig allemaal stuurbekrachtiging hebben is weinig kracht nodig om het stuur te hanteren. De functie is op dit punt passend”. Uit het rapport van Greveling-Fockens blijkt dat appellante beperkt is voor grijp-knijpkracht, met name voor zover continu kracht moet worden gezet. De rechtbank heeft de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd dat bij het autorijden niet continu knijp- en grijpkracht nodig is en dat daarom deze functie geschikt is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat en dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden. In hoger beroep heeft appellante geen nadere (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat en dat de geselecteerde functies voor haar niet passend zijn.
De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellante per 17 april 2019 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) A.N. Bechinka
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.