Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 29 september 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1325Zaaknummer 24/1381 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/1381 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Proces-verbaal
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen. Werkzaamheden in loondienst. Enig bestuurder van stichting. Bijstandbehoevende omstandigheden niet aannemelijk. Recht kan niet (schattenderwijs) worden vastgesteld. Los van de onduidelijkheden met betrekking tot de duur van de werkzaamheden van appellant bij bedrijf X en daaruit genoten inkomsten, stelt de Raad vast dat appellant de gevraagde informatie en benodigde duidelijkheid over o.m. de overdracht en financiële afwikkeling van stichting Y en de auto niet heeft gegeven. Bovendien heeft appellant ook verklaard dat hij ook nog voor een andere stichting heeft gewerkt waarvan hij heeft verklaard niet te weten hoe deze stichting heet en wanneer hij deze werkzaamheden heeft verricht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

2. Appellant heeft op 28 juni 2022 en 30 september 2022 bijstand aangevraagd. Met twee besluiten van 28 december 2022 en 9 januari 2023 heeft het college deze aanvragen afgewezen. Met een besluit van 20 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen deze twee besluiten ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3. Tussen partijen is het volgende niet in geschil. De te beoordelen periode loopt van 28 juni 2022 tot en met 9 januari 2023. Appellant heeft voorafgaand aan de eerste aanvraag werkzaamheden in loondienst verricht voor het bedrijf X. Appellant was van 1 juli 2022 tot 20 augustus 2022 de enige bestuurder van stichting Y. Deze stichting is opgericht met als doel onder meer het verlenen van zorg en bieden van begeleiding aan personen met een toegekende zorgindicatie en persoonsgebonden budget. Appellant heeft de auto die op naam van stichting Y stond tot maart 2023 in gebruik gehad. Verder heeft appellant in een onbekende periode voor een andere stichting gewerkt waarvan de naam onbekend is.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het wel aannemelijk is dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het recht op bijstand, zo nodig schattenderwijs aan de hand van de dagwaarde van de auto, kan worden vastgesteld. Verder voert appellant, kennelijk subsidiair, aan dat weliswaar niet alle vragen over de stichtingen en de auto door appellant zijn beantwoord, maar dat als er onduidelijkheden waren het op de weg van het college had gelegen om nader onderzoek te verrichten. Deze gronden slagen niet, daarbij is het volgende van belang.

5. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak.[_f98007f6-391b-4429-a644-b8dc71923b87]

6. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant in de beoordelingsperiode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Los van de onduidelijkheden met betrekking tot de duur van de werkzaamheden van appellant bij bedrijf X en daaruit genoten inkomsten, is daarbij het volgende redengevend. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde informatie en benodigde duidelijkheid over de overdracht en financiële afwikkeling van stichting Y en de auto, de reden voor het gebruik van de auto tot en met maart 2023 en hoe hij de benzine al die tijd uit eigen middelen heeft kunnen betalen niet heeft gegeven. De betaling van de benzine is niet zichtbaar op de bankafschriften en ook is onduidelijk dat de door appellant betaalde bedrijfsverzekering de verzekering van de auto betreft. Appellant heeft in mei 2023 verklaard dat hij niet meer weet hoe hij de verzekering van de auto en de benzine heeft betaald. Bovendien heeft appellant toen ook verklaard dat hij ook nog voor een andere stichting heeft gewerkt waarvan hij heeft verklaard niet te weten hoe deze stichting heet en wanneer hij deze werkzaamheden heeft verricht. Het college heeft appellant, ook hangende het bezwaar, meermalen in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie te geven.

7. Onder deze omstandigheden en alleen al vanwege het ontbreken van de naam van de andere stichting, kan niet worden geoordeeld dat het college nader onderzoek had moeten doen. Het college kon gelet op de onderzoeksbevindingen vermoeden dat appellant over middelen beschikte en kon het recht op bijstand bij een gebrek aan enig aanknopingspunt daartoe niet (schattenderwijs) vaststellen. Het college heeft de aanvragen van appellant dan ook terecht afgewezen.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M.G.J. van Eck (getekend) E.C.E. Marechal

Volledige tekst

24/1381 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 mei 2024, 23/5558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 29 september 2026

Zitting heeft: E.C.E. Marechal

Griffier: M.G.J. van Eck

De zitting is gehouden op 29 september 2026. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

2. Appellant heeft op 28 juni 2022 en 30 september 2022 bijstand aangevraagd. Met twee besluiten van 28 december 2022 en 9 januari 2023 heeft het college deze aanvragen afgewezen. Met een besluit van 20 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen deze twee besluiten ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3. Tussen partijen is het volgende niet in geschil. De te beoordelen periode loopt van 28 juni 2022 tot en met 9 januari 2023. Appellant heeft voorafgaand aan de eerste aanvraag werkzaamheden in loondienst verricht voor het bedrijf X. Appellant was van 1 juli 2022 tot 20 augustus 2022 de enige bestuurder van stichting Y. Deze stichting is opgericht met als doel onder meer het verlenen van zorg en bieden van begeleiding aan personen met een toegekende zorgindicatie en persoonsgebonden budget. Appellant heeft de auto die op naam van stichting Y stond tot maart 2023 in gebruik gehad. Verder heeft appellant in een onbekende periode voor een andere stichting gewerkt waarvan de naam onbekend is.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het wel aannemelijk is dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het recht op bijstand, zo nodig schattenderwijs aan de hand van de dagwaarde van de auto, kan worden vastgesteld. Verder voert appellant, kennelijk subsidiair, aan dat weliswaar niet alle vragen over de stichtingen en de auto door appellant zijn beantwoord, maar dat als er onduidelijkheden waren het op de weg van het college had gelegen om nader onderzoek te verrichten. Deze gronden slagen niet, daarbij is het volgende van belang.

5. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak.[_f98007f6-391b-4429-a644-b8dc71923b87]

6. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant in de beoordelingsperiode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Los van de onduidelijkheden met betrekking tot de duur van de werkzaamheden van appellant bij bedrijf X en daaruit genoten inkomsten, is daarbij het volgende redengevend. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde informatie en benodigde duidelijkheid over de overdracht en financiële afwikkeling van stichting Y en de auto, de reden voor het gebruik van de auto tot en met maart 2023 en hoe hij de benzine al die tijd uit eigen middelen heeft kunnen betalen niet heeft gegeven. De betaling van de benzine is niet zichtbaar op de bankafschriften en ook is onduidelijk dat de door appellant betaalde bedrijfsverzekering de verzekering van de auto betreft. Appellant heeft in mei 2023 verklaard dat hij niet meer weet hoe hij de verzekering van de auto en de benzine heeft betaald. Bovendien heeft appellant toen ook verklaard dat hij ook nog voor een andere stichting heeft gewerkt waarvan hij heeft verklaard niet te weten hoe deze stichting heet en wanneer hij deze werkzaamheden heeft verricht. Het college heeft appellant, ook hangende het bezwaar, meermalen in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie te geven.

7. Onder deze omstandigheden en alleen al vanwege het ontbreken van de naam van de andere stichting, kan niet worden geoordeeld dat het college nader onderzoek had moeten doen. Het college kon gelet op de onderzoeksbevindingen vermoeden dat appellant over middelen beschikte en kon het recht op bijstand bij een gebrek aan enig aanknopingspunt daartoe niet (schattenderwijs) vaststellen. Het college heeft de aanvragen van appellant dan ook terecht afgewezen.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M.G.J. van Eck (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1199.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.