Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 22 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1288Zaaknummer 23/3276 PW
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/3276 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van bijstand. Gezamenlijk inkomen hoger dan gehuwdennorm. Geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel. Herhaling beroepsgronden. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten. De Raad voegt daaraan o.m. nog toe dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medewerker van de klantenservice onjuiste informatie op de telefoonnotitie heeft vermeld.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
(getekend) C. Karman
(getekend) A.T. Dannenberg
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
23/3276 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2023, 21/8206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 22 september 2026
SAMENVATTING
Deze zaak ziet op een intrekking en terugvordering van bijstand. Appellant is op [datum] 2021 getrouwd, vanaf welk moment het gezamenlijk inkomen hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Appellant heeft vanaf die datum daarom geen recht meer op bijstand. Appellant doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Appellant krijgt dus geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Salman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving vanaf 1 mei 2019 bijstand op grond van de Participatiewet naar de kostendelersnorm op basis van een driepersoonshuishouden.
Op 19 juli 2021 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met de klantenservice SZW van de gemeente Den Haag (klantenservice). Hij heeft in dat telefoongesprek aan een medewerker van de klantenservice medegedeeld dat hij op [datum] 2021 gaat trouwen en dat hij wil weten of dat gevolgen heeft voor zijn bijstandsuitkering. In een notitie van dat telefoongesprek staat dat de medewerker aan appellant heeft verteld dat hij de wijziging online of per e-mail door dient te geven. Hieraan heeft appellant gevolg gegeven.
Met een besluit van 2 september 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 december 2021 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover van belang, de bijstand van appellant met ingang van [datum] 2021 ingetrokken en de over de periode van [datum] 2021 tot en met 31 augustus 2021 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 879,94 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op [datum] 2021 is getrouwd met A en dat A over een inkomen beschikt dat hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Vanaf [datum] 2021 bestaat daarom geen recht op bijstand.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen. Appellant heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is allereerst vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Hiervan is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Het college heeft bij zijn verweerschrift in beroep een uitdraai van het telefoonregistratiesysteem gevoegd. Hieruit blijkt slechts dat de medewerker van de klantenservice appellant heeft geadviseerd om de wijziging online door te geven, dan wel hierover een e-mail te sturen naar het college. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van toezeggingen of andere uitlatingen, dan wel gedragingen van het college waaruit appellant in de gegeven omstandigheden kon en mocht afleiden dat de verandering van zijn huwelijkse status geen gevolgen zou hebben voor zijn recht op bijstand. Appellant zijn beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Aangezien het college het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet bij de heroverweging in bezwaar heeft betrokken, maar dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden gepasseerd, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant en te bepalen dat het college het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat de medewerker van de klantenservice onjuiste informatie in de telefoonnotitie heeft vermeld. Ook stelt appellant dat hij onder druk is gezet om de vordering terug te betalen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medewerker van de klantenservice onjuiste informatie op de telefoonnotitie heeft vermeld. Appellant heeft tot slot aangevoerd dat hij onder druk is gezet om de vordering te betalen. Ter zitting heeft het college verklaard dat er niet is ingevorderd, verrekend of terugbetaald. Dit heeft appellant niet betwist. Verder heeft het college in dit verband ter zitting toegelicht dat appellant is verzocht om mee te werken aan een verzoek om een betalingsregeling. Dit verzoek ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
(getekend) C. Karman
(getekend) A.T. Dannenberg
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.