Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 23 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1282Zaaknummer 26/15 WMO15
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/15 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet betaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26/15 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van19 november 2025, 25/4778
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Westervoort (college)
Datum uitspraak: 23 september 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 10 februari 2026 (per e-mail verzonden op 13 februari 2026) is appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Op 15 februari 2026 heeft appellante aangegeven niet in staat te zijn om het griffierecht te betalen. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad bij bericht van 19 februari 2026 appellante in de gelegenheid gesteld het bijgevoegde formulier in te vullen ter beoordeling van haar beroep op betalingsonmacht. Appellante is er daarbij op gewezen dat het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen indien zij niet binnen vier weken het ingevulde formulier retour zendt of als gegevens ontbreken. Ook is appellante erop gewezen dat het griffierecht alsnog voldaan moet worden indien het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
Op 2 maart 2026 heeft appellante het ingevulde formulier betalingsonmacht retour gezonden.
Bij bericht van 23 juni 2026 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Daarbij is appellante erop gewezen dat zij een nieuwe nota of herinnering van het griffierecht zal ontvangen, en dat het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht ertoe kan leiden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij aangetekende brief van 24 juni 2026 (ook per e-mail toegezonden op 6 juli 2026) is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.