Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 17 april 2025

ECLI:NL:CRVB:2025:635Zaaknummer 24/1120 WIA-V

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
24/1120 WIA-V
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Verzet
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet gegrond. De herinnering om griffierecht te betalen is met de gewone post verstuurd maar pas na afloop van de termijn om te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In de uitspraak van 29 augustus 2024 heeft de Raad het door gemachtigde van appellante ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald.

De gemachtigde van appellante heeft verzet gedaan.

In het verzetschrift geeft gemachtigde van appellante het niet eens te zijn met de uitspraak. Gemachtigde van appellante heeft de nota griffierecht ontvangen en doorgestuurd naar appellante, maar om onduidelijke redenen is de nota niet onder de aandacht gekomen bij appellante en dus niet betaald. De herinnering griffierecht is bij aangetekende brief van

18 juni 2024 naar de gemachtigde van appellante gestuurd. Deze zou in de periode van de vakantie van de gemachtigde van appellante zijn aangeboden op zijn kantooradres. Tijdens de vakantie van gemachtigde van appellante heeft de receptioniste van het kantoor zorg gedragen aan het bijhouden van de binnengekomen post. De gemachtigde van appellante verklaart dat bij de er geen aangetekende brief is aangetroffen in deze zaak en ook geen bericht van PostNL dat er een aangetekende brief opgehaald moest worden. De gemachtigde van appellante heeft de Raad inzage gegeven in alle post die door de receptioniste is ontvangen.

De Raad is van oordeel dat op basis van deze gegevens de feitelijke gang van zaken rond de bezorging niet langer is vast te stellen. Niet duidelijk is of en aan wie de aangetekende nota griffierecht is aangeboden. Daarnaast heeft de Raad vastgesteld dat de aangetekend verzonden nota bij de Raad is teruggekomen op een moment dat de termijn om te betalen nog niet was verlopen. De Raad heeft echter niet direct een herinnering met de gewone post aan de gemachtigde verstuurd, maar pas na afloop van de termijn om te betalen.

Onder deze omstandigheden wordt het verzet gegrond verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van de Raad van

29 augustus 2024 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S. Pouw (getekend) J.C. Boeree

Volledige tekst

Datum uitspraak: 17 april 2025

24/1120 WIA en 24/1121 WIA-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2024, 21/7836 en 22/6785 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting heeft: J.C. Boeree, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: S. Pouw

Ter zitting van 17 april 2025 is appellante niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.G. Evers. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In de uitspraak van 29 augustus 2024 heeft de Raad het door gemachtigde van appellante ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald.

De gemachtigde van appellante heeft verzet gedaan.

In het verzetschrift geeft gemachtigde van appellante het niet eens te zijn met de uitspraak. Gemachtigde van appellante heeft de nota griffierecht ontvangen en doorgestuurd naar appellante, maar om onduidelijke redenen is de nota niet onder de aandacht gekomen bij appellante en dus niet betaald. De herinnering griffierecht is bij aangetekende brief van

18 juni 2024 naar de gemachtigde van appellante gestuurd. Deze zou in de periode van de vakantie van de gemachtigde van appellante zijn aangeboden op zijn kantooradres. Tijdens de vakantie van gemachtigde van appellante heeft de receptioniste van het kantoor zorg gedragen aan het bijhouden van de binnengekomen post. De gemachtigde van appellante verklaart dat bij de er geen aangetekende brief is aangetroffen in deze zaak en ook geen bericht van PostNL dat er een aangetekende brief opgehaald moest worden. De gemachtigde van appellante heeft de Raad inzage gegeven in alle post die door de receptioniste is ontvangen.

De Raad is van oordeel dat op basis van deze gegevens de feitelijke gang van zaken rond de bezorging niet langer is vast te stellen. Niet duidelijk is of en aan wie de aangetekende nota griffierecht is aangeboden. Daarnaast heeft de Raad vastgesteld dat de aangetekend verzonden nota bij de Raad is teruggekomen op een moment dat de termijn om te betalen nog niet was verlopen. De Raad heeft echter niet direct een herinnering met de gewone post aan de gemachtigde verstuurd, maar pas na afloop van de termijn om te betalen.

Onder deze omstandigheden wordt het verzet gegrond verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van de Raad van

29 augustus 2024 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S. Pouw (getekend) J.C. Boeree

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.