Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 februari 2023

ECLI:NL:CRVB:2023:277Zaaknummer 22 / 651 PW

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
22 / 651 PW
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het volledige griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de griffier het betaalde griffierecht ter hoogte van € 137,- terugstort aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2023.

(getekend) C.E.M. Marsé

(getekend) A.F. Hulskes

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCESVERLOOP
  2. OVERWEGINGEN
  3. BESLISSING

Datum uitspraak: 14 februari 2023

22/651 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 september 2021, 21/1504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 2 maart 2022 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Op 29 maart 2022 heeft appellant een bedrag van € 1,- bijgeschreven op de juiste bankrekening.

Bij aangetekende brief van 2 april 2022 is appellant erop gewezen dat nog een griffierecht van € 135,- is verschuldigd en is meegedeeld dat dit bedrag binnen vier weken na de datum van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 1 juli 2022 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 136,- en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Op 28 juli 2022 heeft appellant een bedrag van € 1,- bijgeschreven op de juiste bankrekening.

Op 31 augustus 2022 heeft appellant een bedrag van € 135,- bijgeschreven op de juiste bankrekening.

Het volledige griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de griffier het betaalde griffierecht ter hoogte van € 137,- terugstort aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2023.

(getekend) C.E.M. Marsé

(getekend) A.F. Hulskes

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.