Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 19 juli 2023

ECLI:NL:CRVB:2023:1393Zaaknummer 19 / 1605 WLZ

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19 juli 2023
Publicatiedatum
20 juli 2023
Zaaknummer
19 / 1605 WLZ
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt Menzis in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A. Giesen

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCESVERLOOP
  2. OVERWEGINGEN
  3. BESLISSING

Datum uitspraak: 19 juli 2023

19/1605 WLZ, 19/4018 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

6 maart 2019, 18/2046 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Menzis)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B van Dijk hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 13 september 2022 heeft mr. Van Dijk namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht Menzis te veroordelen in de proceskosten.

Menzis heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Vastgesteld wordt dat mr. Van Dijk het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van een beslissing op bezwaar van Menzis van 31 augustus 2022, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar van 30 mei 2018, zoals gewijzigd bij beslissing op bezwaar van 4 april 2019 is vervangen. Met de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2022 is geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen.

De Raad ziet aanleiding om Menzis te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in hoger beroep.

Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen grond, omdat niet is gebleken dat appellante tijdig een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, zoals bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt Menzis in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A. Giesen

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.