Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 13 juni 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:1358Zaaknummer 20/4022 PW-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 13 juni 2022
- Publicatiedatum
- 28 juni 2022
- Zaaknummer
- 20/4022 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verrekenen bezwaarkostenvergoeding met terugvordering Het verrekenen van een bezwaarkostenvergoeding met een openstaande vordering is mogelijk op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende is als bedoeld in dat artikellid treft daarom geen doel. Dat in verband met bijzondere bijstand geen verrekening plaatsvindt, zoals appellant stelt, leidt niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 9 april 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college een aan appellant toegekende proceskostenvergoeding tot een bedrag van € 525,- verrekend met openstaande vorderingen die het college op appellant had. Het college heeft aan de verrekening artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ten grondslag gelegd en daarbij verwezen naar terugvorderingsbesluiten van 24 februari 2016 en 16 juni 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de proceskostenvergoeding is toegekend in een bezwaarprocedure, is gebaseerd op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en € 525,- bedraagt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgens vaste rechtspraak er niet aan in de weg staat dat het college met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de PW de aan een betrokkene toegekende proceskostenvergoeding verrekent met vorderingen op die betrokkene als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de PW.
3. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verrekening onrechtmatig is. Hij betoogt dat de toekenning van bijzondere bijstand een zelfde type vordering is als een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en dat het college toegekende bijzondere bijstand nooit verrekent met openstaande schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering die het college op die belanghebbende heeft op grond van een besluit tot terugvordering.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1396) ook het verrekenen van een bezwaarkostenvergoeding met een openstaande vordering mogelijk op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende is als bedoeld in dat artikellid treft daarom geen doel. Dat in verband met bijzondere bijstand geen verrekening plaatsvindt, zoals appellant stelt, leidt niet tot een ander oordeel.
4. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.F. Hulskes (getekend) F. Hoogendijk
Volledige tekst
20 4022 PW-PV
Datum uitspraak: 13 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2020, 20/2758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: A.F. Hulskes
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 13 juni 2022. Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 9 april 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college een aan appellant toegekende proceskostenvergoeding tot een bedrag van € 525,- verrekend met openstaande vorderingen die het college op appellant had. Het college heeft aan de verrekening artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ten grondslag gelegd en daarbij verwezen naar terugvorderingsbesluiten van 24 februari 2016 en 16 juni 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de proceskostenvergoeding is toegekend in een bezwaarprocedure, is gebaseerd op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en € 525,- bedraagt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgens vaste rechtspraak er niet aan in de weg staat dat het college met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de PW de aan een betrokkene toegekende proceskostenvergoeding verrekent met vorderingen op die betrokkene als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de PW.
3. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verrekening onrechtmatig is. Hij betoogt dat de toekenning van bijzondere bijstand een zelfde type vordering is als een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en dat het college toegekende bijzondere bijstand nooit verrekent met openstaande schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering die het college op die belanghebbende heeft op grond van een besluit tot terugvordering.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1396) ook het verrekenen van een bezwaarkostenvergoeding met een openstaande vordering mogelijk op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende is als bedoeld in dat artikellid treft daarom geen doel. Dat in verband met bijzondere bijstand geen verrekening plaatsvindt, zoals appellant stelt, leidt niet tot een ander oordeel.
4. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.F. Hulskes (getekend) F. Hoogendijk
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.