Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 24 mei 2022

ECLI:NL:CRVB:2022:1266Zaaknummer 20/415 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
20/415 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging, intrekking en terugvordering AIO. Vermogen boven de vermogensgrens. Onroerend goed. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het onroerende goed waar het in geding over gaat en waarvan de waarde voor de lokale belasting in Turkije € 101.141,46 was, vervreemd kan worden, dat dat mogelijk moeilijk zal zijn, dat dat langer gaat duren en dat de verkoopprijs wellicht lager is dan vergelijkbaar onroerend goed dat niet een zodanige beperking heeft. Gelet hierop kan de grond van appellant in hoger beroep en beroep niet meer slagen en behoeft de besluitvorming geen verdere beoordeling meer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het hoger beroep tegen het bijkomende besluit van 5 oktober 2020 ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om (1) een beëindiging van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) van appellant op grond van de Participatiewet met ingang van 1 juni 2018, om (2) de intrekking en terugvordering van de kosten van die AIO over de periode van 4 juni 2009 tot en met 31 mei 2018 tot een bedrag van € 15.665,85, (1) en (2) beide op de grond dat appellant beschikte over te veel vermogen, en om (3) een bijkomend besluit in de zin van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht over de invordering van de terugvordering. De rechtbank heeft de besluitvorming onder (1) en (2) in stand gelaten.

Appellant heeft in hoger beroep en beroep herhaald dat hij door beperkingen op grond van regels van ruimtelijke ordening het onroerend goed niet (goed) kan vervreemden, en dat hij dus niet redelijkerwijs over dit vermogen kan beschikken.

Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het onroerende goed waar het in geding over gaat en waarvan de waarde voor de lokale belasting in Turkije op 4 oktober 2016 € 101.141,46 was, vervreemd kan worden, dat dat mogelijk moeilijk zal zijn, dat dat langer gaat duren en dat de verkoopprijs wellicht lager is dan vergelijkbaar onroerend goed dat niet een zodanige beperking heeft. Gelet hierop kan de grond van appellant in hoger beroep en beroep niet meer slagen en behoeft de besluitvorming geen verdere beoordeling meer.

Gelet hierop volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond is.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B. van Dijk (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Volledige tekst

20/415 PW-PV, 20/416 PW-PV en 21/150 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 december 2019, 19/924 en 19/2837 (aangevallen uitspraak) en het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2020

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 mei 202

Zitting heeft: mr. O.L.H.W.I. Korte

Griffier: B. van Dijk

Ter zitting is namens appellant verschenen mr. M.I. Bal. Namens de Svb is verschenen mr. N. Zuidersma.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het hoger beroep tegen het bijkomende besluit van 5 oktober 2020 ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om (1) een beëindiging van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) van appellant op grond van de Participatiewet met ingang van 1 juni 2018, om (2) de intrekking en terugvordering van de kosten van die AIO over de periode van 4 juni 2009 tot en met 31 mei 2018 tot een bedrag van € 15.665,85, (1) en (2) beide op de grond dat appellant beschikte over te veel vermogen, en om (3) een bijkomend besluit in de zin van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht over de invordering van de terugvordering. De rechtbank heeft de besluitvorming onder (1) en (2) in stand gelaten.

Appellant heeft in hoger beroep en beroep herhaald dat hij door beperkingen op grond van regels van ruimtelijke ordening het onroerend goed niet (goed) kan vervreemden, en dat hij dus niet redelijkerwijs over dit vermogen kan beschikken.

Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het onroerende goed waar het in geding over gaat en waarvan de waarde voor de lokale belasting in Turkije op 4 oktober 2016 € 101.141,46 was, vervreemd kan worden, dat dat mogelijk moeilijk zal zijn, dat dat langer gaat duren en dat de verkoopprijs wellicht lager is dan vergelijkbaar onroerend goed dat niet een zodanige beperking heeft. Gelet hierop kan de grond van appellant in hoger beroep en beroep niet meer slagen en behoeft de besluitvorming geen verdere beoordeling meer.

Gelet hierop volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond is.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B. van Dijk (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.