Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 4 december 2019

ECLI:NL:CRVB:2019:4108Zaaknummer 18/4520 WMO15-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
4 december 2019
Publicatiedatum
19 december 2019
Zaaknummer
18/4520 WMO15-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 27 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant voor een maatwerkvoorziening afgewezen. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat het college geen urgentieverklaringen afgeeft. Appellant dient een dergelijke verklaring bij de woningbouwvereniging aan te vragen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 december 2019 heeft appellant verklaard dat hij niet langer woonachtig is op het adres waarop zijn aanvraag betrekking had, dat hij geen belang meer heeft bij de onderhavige procedure, maar dat hij wel verzoekt om het college te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) D.S. de Vries

Volledige tekst

18 4520 WMO15-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2018, 17/6095 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

Datum uitspraak: 4 december 2019

Zitting hebben: D.S. de Vries als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en C.J. Borman als leden

Griffier: C.I. Heijkoop

Ter zitting is verschenen: het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 27 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant voor een maatwerkvoorziening afgewezen. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat het college geen urgentieverklaringen afgeeft. Appellant dient een dergelijke verklaring bij de woningbouwvereniging aan te vragen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 december 2019 heeft appellant verklaard dat hij niet langer woonachtig is op het adres waarop zijn aanvraag betrekking had, dat hij geen belang meer heeft bij de onderhavige procedure, maar dat hij wel verzoekt om het college te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) D.S. de Vries

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.