Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 mei 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:1704Zaaknummer 18/318 PW-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 mei 2019
- Publicatiedatum
- 27 mei 2019
- Zaaknummer
- 18/318 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Verblijfsituatie na ontruiming niet vast te stellen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking en de terugvordering van bijstand. Aan de besluitvorming van het dagelijks bestuur ligt een schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag. Appellante heeft niet gemeld dat zij na de ontruiming van haar woning op 29 september 2016 niet langer op het uitkeringsadres woonachtig was. Als gevolg daarvan kan het dagelijks bestuur het recht op bijstand niet langer vaststellen.
Appellante stelt dat het dagelijks bestuur wel van de feitelijke situatie op de hoogte was omdat zij daarover had gebeld. Die stelling vindt geen steun in de stukken. Daaruit blijkt dat het dagelijks bestuur van de ontruiming op de hoogte geraakte nadat post gericht aan appellante retour kwam. Door de ontruiming niet te melden, heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat onbekend is waar appellante na de ontruiming verbleef. Nader onderzoek door het dagelijks bestuur naar de verblijfplaats was - anders dan appellante stelt - niet mogelijk. Het dagelijks bestuur was niet, zoals appellante in haar beroepschrift heeft aangegeven, gehouden om via social media met appellante in contact te treden. Onder deze omstandigheden was het dagelijks bestuur gehouden de bijstand in te trekken.
De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) P.W. van Straalen
Volledige tekst
18 318 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2017, 17/4883 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers te Waalwijk (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 14 mei 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: A.M. Pasmans
Namens appellante is verschenen mr. M.J.M. van Rijswijk, advocaat en kantoorgenoot van mr. I.A.C. Cools. Het dagelijks bestuur is, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking en de terugvordering van bijstand. Aan de besluitvorming van het dagelijks bestuur ligt een schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag. Appellante heeft niet gemeld dat zij na de ontruiming van haar woning op 29 september 2016 niet langer op het uitkeringsadres woonachtig was. Als gevolg daarvan kan het dagelijks bestuur het recht op bijstand niet langer vaststellen.
Appellante stelt dat het dagelijks bestuur wel van de feitelijke situatie op de hoogte was omdat zij daarover had gebeld. Die stelling vindt geen steun in de stukken. Daaruit blijkt dat het dagelijks bestuur van de ontruiming op de hoogte geraakte nadat post gericht aan appellante retour kwam. Door de ontruiming niet te melden, heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat onbekend is waar appellante na de ontruiming verbleef. Nader onderzoek door het dagelijks bestuur naar de verblijfplaats was - anders dan appellante stelt - niet mogelijk. Het dagelijks bestuur was niet, zoals appellante in haar beroepschrift heeft aangegeven, gehouden om via social media met appellante in contact te treden. Onder deze omstandigheden was het dagelijks bestuur gehouden de bijstand in te trekken.
De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) P.W. van Straalen
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2017:8020 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.