Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 3 januari 2019

ECLI:NL:CRVB:2019:154Zaaknummer 17/6019 WIA

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
3 januari 2019
Publicatiedatum
21 januari 2019
Zaaknummer
17/6019 WIA
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanvraag voor uitkering op grond van de Wet WIA. Met de door appellant ingediende gegevens (loonstroken en transactieoverzichten) heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in voornoemde periode als werknemer heeft gewerkt bij [werkgever]. Het dossier bevat verder meer contra-indicaties dan aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat hij toen verzekerd was voor de Wet WIA.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Appellant heeft op 18 december 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd in verband met op 1 oktober 2010 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2016 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat appellant op 1 oktober 2010 niet verzekerd was op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 12 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is door de rechtbank ongegrond verklaard bij de aangevallen uitspraak. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en zijn stelling gehandhaafd dat hij van 1 januari 2009 tot 1 november 2010 als werknemer in loondienst werkzaamheden heeft verricht voor [werkgever].

1.2.

Dat appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA brengt mee dat op hem de stelplicht en de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering. Dit brengt mee dat appellant aannemelijk dient te maken dat hij, hoewel daarover bij het Uwv niets bekend was, op 1 oktober 2010 wel in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond.

1.3.

Appellant heeft zijn stelling dat hij van 1 januari 2009 tot 1 november 2010 in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [werkgever] onderbouwd met veertien loonstroken over die periode waarop staat vermeld ‘betaald per kas’ en met transactieoverzichten van een op naam van zijn echtgenote gestelde bankrekening. Uit deze transactieoverzichten blijkt dat [werkgever] in de maanden oktober 2009, december 2009 en januari 2010 bedragen heeft gestort met als omschrijving ‘salaris’. Met deze gegevens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in voornoemde periode als werknemer heeft gewerkt bij [werkgever]. Het dossier bevat verder meer contra-indicaties dan aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat hij toen verzekerd was voor de Wet WIA.

2. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) W.M. Swinkels (getekend) M. Greebe

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer,

werkgever, dienstbetrekking en loon.

LO

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 17 6019 WIA-PV
  2. BESLISSING
  3. LO

17 6019 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 augustus 2017, 17/1822 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2019

Zitting hebben: M. Greebe, E.W. Akkerman, D. Hardonk-Prins

Griffier: W.M. Swinkels

Ter zitting zijn verschenen: appellant, mr. F. Bakker (gemachtigde van appellant) en mr. D. de Jong (gemachtigde van het Uwv).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Appellant heeft op 18 december 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd in verband met op 1 oktober 2010 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2016 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat appellant op 1 oktober 2010 niet verzekerd was op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 12 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is door de rechtbank ongegrond verklaard bij de aangevallen uitspraak. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en zijn stelling gehandhaafd dat hij van 1 januari 2009 tot 1 november 2010 als werknemer in loondienst werkzaamheden heeft verricht voor [werkgever].

1.2.

Dat appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA brengt mee dat op hem de stelplicht en de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering. Dit brengt mee dat appellant aannemelijk dient te maken dat hij, hoewel daarover bij het Uwv niets bekend was, op 1 oktober 2010 wel in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond.

1.3.

Appellant heeft zijn stelling dat hij van 1 januari 2009 tot 1 november 2010 in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [werkgever] onderbouwd met veertien loonstroken over die periode waarop staat vermeld ‘betaald per kas’ en met transactieoverzichten van een op naam van zijn echtgenote gestelde bankrekening. Uit deze transactieoverzichten blijkt dat [werkgever] in de maanden oktober 2009, december 2009 en januari 2010 bedragen heeft gestort met als omschrijving ‘salaris’. Met deze gegevens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in voornoemde periode als werknemer heeft gewerkt bij [werkgever]. Het dossier bevat verder meer contra-indicaties dan aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat hij toen verzekerd was voor de Wet WIA.

2. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) W.M. Swinkels (getekend) M. Greebe

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer,

werkgever, dienstbetrekking en loon.

LO

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.