Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 27 november 2018

ECLI:NL:CRVB:2018:3830Zaaknummer 17/3541 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27 november 2018
Publicatiedatum
3 december 2018
Zaaknummer
17/3541 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden verrichten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode van 10 juni 2015 tot en met 30 november 2015 teruggevorderd.

2. Appellant heeft in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer. Deze werkzaamheden zijn niet zeer beperkt of qua omvang verwaarloosbaar, gelet op de verklaring van appellant van 10 december 2015. De werkzaamheden zijn ook op geld waardeerbaar, waarbij geen rol speelt of appellant dat heeft erkend. Ook is niet van belang of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een (familie)dienst. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en derhalve aan het college dienden te worden gemeld.

3. Het hoger beroep slaagt niet.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) M. Hillen

md

Volledige tekst

17 3541 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2016, 16/3973 T (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 april 2017, 16/3973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

Datum uitspraak: 27 november 2018

Zitting heeft: M. Hillen

Griffier: C.A.E. Bon

Voor appellant is mr. F. Ergec, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A.A. Govers.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode van 10 juni 2015 tot en met 30 november 2015 teruggevorderd.

2. Appellant heeft in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer. Deze werkzaamheden zijn niet zeer beperkt of qua omvang verwaarloosbaar, gelet op de verklaring van appellant van 10 december 2015. De werkzaamheden zijn ook op geld waardeerbaar, waarbij geen rol speelt of appellant dat heeft erkend. Ook is niet van belang of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een (familie)dienst. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en derhalve aan het college dienden te worden gemeld.

3. Het hoger beroep slaagt niet.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) M. Hillen

md

Samenhangende uitspraken

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.