Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 6 november 2018

ECLI:NL:CRVB:2018:3614Zaaknummer 18/22 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
20 november 2018
Zaaknummer
18/22 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk bezwaar in verband met termijnoverschrijding in bezwaar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2017 ongegrond verklaard. Bij dat besluit had het college het bezwaar van appellante van 4 juni 2017 tegen een terugvorderingsbesluit van 10 augustus 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Hier ligt de vraag voor of dat terecht was.

2. De termijn voor het indienen van bezwaar vangt aan op de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

3. Appellante heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij toen het terugvorderingsbesluit werd verstuurd gedetineerd was en het college daarvan op de hoogte was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Wat appellante heeft aangevoerd komt hierop neer, dat zij stelt dat het college het besluit van 10 augustus 2009 niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, doordat het besluit ten onrechte niet naar haar detentieadres is gestuurd.

5. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat de verzending van het besluit van 10 augustus 2009 naar haar huisadres niet juist was. Het college heeft erkend dat de post met betrekking tot de huurbetaling op het detentieadres van appellante werd bezorgd. Het college heeft niet afdoende weersproken dat de bijstandsconsulent, die de adressering met appellante besprak, heeft toegezegd dat hij zou zorgen dat ook alle andere post daarnaartoe zou komen. De termijn om bezwaar te maken tegen het besluit van 10 augustus 2009 is daarom niet op de dag daarna aangevangen.

6. Vaststaat echter dat het college appellante op 17 maart 2017 alsnog op correcte wijze op de hoogte heeft gebracht van het terugvorderingsbesluit van 10 augustus 2009. De termijn voor het maken van bezwaar is daarom aangevangen op 18 maart 2017. Appellant heeft eerst na afloop van de bezwaartermijn van zes weken het bezwaarschrift ingediend, namelijk op 4 juni 2017. Dit betekent dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.

7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) F. Hoogendijk

md

Volledige tekst

18 22 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2017, 17/5740 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

Datum uitspraak: 6 november 2018

Zitting heeft: F. Hoogendijk

Griffier: F.H.R.M. Robbers

Appellante is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2017 ongegrond verklaard. Bij dat besluit had het college het bezwaar van appellante van 4 juni 2017 tegen een terugvorderingsbesluit van 10 augustus 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Hier ligt de vraag voor of dat terecht was.

2. De termijn voor het indienen van bezwaar vangt aan op de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

3. Appellante heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij toen het terugvorderingsbesluit werd verstuurd gedetineerd was en het college daarvan op de hoogte was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Wat appellante heeft aangevoerd komt hierop neer, dat zij stelt dat het college het besluit van 10 augustus 2009 niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, doordat het besluit ten onrechte niet naar haar detentieadres is gestuurd.

5. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat de verzending van het besluit van 10 augustus 2009 naar haar huisadres niet juist was. Het college heeft erkend dat de post met betrekking tot de huurbetaling op het detentieadres van appellante werd bezorgd. Het college heeft niet afdoende weersproken dat de bijstandsconsulent, die de adressering met appellante besprak, heeft toegezegd dat hij zou zorgen dat ook alle andere post daarnaartoe zou komen. De termijn om bezwaar te maken tegen het besluit van 10 augustus 2009 is daarom niet op de dag daarna aangevangen.

6. Vaststaat echter dat het college appellante op 17 maart 2017 alsnog op correcte wijze op de hoogte heeft gebracht van het terugvorderingsbesluit van 10 augustus 2009. De termijn voor het maken van bezwaar is daarom aangevangen op 18 maart 2017. Appellant heeft eerst na afloop van de bezwaartermijn van zes weken het bezwaarschrift ingediend, namelijk op 4 juni 2017. Dit betekent dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.

7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) F. Hoogendijk

md

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.