Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 30 mei 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:1777Zaaknummer 16/3290 WW-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 30 mei 2018
- Publicatiedatum
- 19 juni 2018
- Zaaknummer
- 16/3290 WW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd, kan geen feitelijke betekenis hebben. Daarmee is er geen procesbelang en daarom is het hoger beroep niet‑ontvankelijk.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Het vloeit voort uit de wet dat een appellant belanghebbende moet zijn bij een beslissing. Het belanghebbende‑begrip heeft twee kanten. In juridische zin moet een appellant belanghebbende zijn en er moet een feitelijke component aanwezig zijn; het resultaat dat een betrokkene wil bereiken met het hoger beroep moet feitelijke betekenis kunnen hebben.
Het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd, kan geen feitelijke betekenis hebben. Het gaat in dit geval om uitbetaling van de uitkering na de schorsing als het hoger beroep slaagt. Dit resultaat kan niet bereikt worden met deze procedure, omdat inmiddels bij een andere beslissing de uitkering per een eerdere datum is ingetrokken. Over de intrekking loopt een andere procedure bij de rechtbank. Desgevraagd is aangegeven dat appellant in hoger beroep antwoord wil krijgen op een vraag. Ook daarvoor geldt dat daarmee geen feitelijk resultaat kan worden bereikt. Het antwoord op die vraag is in de andere procedure aan de orde. Er is geen procesbelang en daarom is het hoger beroep niet‑ontvankelijk.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.P.W. Jongbloed (getekend) H.G. Rottier
GdJ
Volledige tekst
16 3290 WW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2016, 15/4982 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 mei 2018
Zitting heeft: mr. H.G. Rottier
Griffier: R.P.W. Jongbloed
Ter zitting zijn verschenen: B.C.J. Mali, appellant, en mr. F.A. Put, gemachtigde van het Uwv
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Het vloeit voort uit de wet dat een appellant belanghebbende moet zijn bij een beslissing. Het belanghebbende‑begrip heeft twee kanten. In juridische zin moet een appellant belanghebbende zijn en er moet een feitelijke component aanwezig zijn; het resultaat dat een betrokkene wil bereiken met het hoger beroep moet feitelijke betekenis kunnen hebben.
Het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd, kan geen feitelijke betekenis hebben. Het gaat in dit geval om uitbetaling van de uitkering na de schorsing als het hoger beroep slaagt. Dit resultaat kan niet bereikt worden met deze procedure, omdat inmiddels bij een andere beslissing de uitkering per een eerdere datum is ingetrokken. Over de intrekking loopt een andere procedure bij de rechtbank. Desgevraagd is aangegeven dat appellant in hoger beroep antwoord wil krijgen op een vraag. Ook daarvoor geldt dat daarmee geen feitelijk resultaat kan worden bereikt. Het antwoord op die vraag is in de andere procedure aan de orde. Er is geen procesbelang en daarom is het hoger beroep niet‑ontvankelijk.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.P.W. Jongbloed (getekend) H.G. Rottier
GdJ
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.