Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 19 oktober 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:3978Zaaknummer 15/2075 WWB
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2016
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2016
- Zaaknummer
- 15/2075 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vrijstelling griffierecht. Vakantiegeld. Huurtoeslag. Zorgtoeslag. Inhouding Zorginstituut. Verwijzing naar algemene overwegingen beroep op betalingsonmacht in ECLI:NL:RVS:2016:2730.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) J.A. Achterberg
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
NW
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
15/2075 WWB
Datum uitspraak: 19 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2015, 14/6996 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het college van 19 september 2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, het beroep van appellant op betalingsonmacht niet gehonoreerd op de grond dat hij maandelijks kon beschikken over een netto-inkomen dat meer bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm van € 856,48. De rechtbank heeft overwogen dat appellant – na aftrek van de reservering vakantietoeslag – een bijstandsuitkering van € 904,07 per maand ontving en daarnaast € 288,- per maand aan huurtoeslag en € 72,- per maand aan zorgtoeslag, in totaal dus € 1.264,07 per maand. Na aftrek van het door het college namens het Zorginstituut Nederland maandelijks op de bijstandsuitkering ingehouden bedrag van € 143,98 en van de bedragen die zijn gemoeid met enkele afbetalingsregelingen, resteert dan een bedrag van meer dan € 856,48 per maand.
2. Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd betoogd dat de rechtbank zijn beroep op betalingsonmacht ten onrechte heeft verworpen.
De Raad stelt voorop dat hij de in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730, neergelegde algemene overwegingen met betrekking tot de rechterlijke beoordeling van een beroep op betalingsonmacht onderschrijft en overneemt. Dat geldt dus ook voor de onderdelen 3.1 en 3.2 van die uitspraak.
In het voorliggende geval komt de Raad tot de volgende beoordeling. Anders dan de rechtbank heeft gedaan wordt het vakantiegeld waarop appellant aanspraak had, omgerekend naar een bedrag per maand. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat appellant een bijstandsuitkering ontving van € 951,64 per maand. Eveneens anders dan de rechtbank heeft gedaan worden de huurtoeslag en de zorgtoeslag niet gerekend tot het inkomen waarover appellant maandelijks kon beschikken. Deze toeslagen betreffen doeluitkeringen, die bestemd zijn voor de bestrijding van specifieke kosten. Voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden deze toeslagen ook niet tot het inkomen van een belastingplichtige gerekend. De rechtbank heeft wel terecht rekening gehouden met de bronheffing van € 143,98 per maand ten behoeve van het Zorginstituut Nederland. Indien (alleen al) dat bedrag in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering die appellant ontving, resteert een bedrag van minder dan € 856,48 per maand. Van in aanmerking te nemen vermogen is niet gebleken.
Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak wordt daarom vernietigd. De zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Omdat (de griffier van) de Raad geen griffierecht heeft geheven, is toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) J.A. Achterberg
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
NW
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBROT:2023:11892 Rechtbank Rotterdam, 19 december 2023 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:11893 Rechtbank Rotterdam, 19 december 2023 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2022:105 Centrale Raad van Beroep, 18 januari 2022 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:9391 Rechtbank Rotterdam, 5 oktober 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:9003 Rechtbank Rotterdam, 21 september 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:9004 Rechtbank Rotterdam, 21 september 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1649 Centrale Raad van Beroep, 6 juli 2021 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:3034 Rechtbank Rotterdam, 9 april 2021 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:620 Rechtbank Rotterdam, 4 februari 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:4060 Rechtbank Rotterdam, 17 mei 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6912 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6914 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6916 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6917 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6919 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6995 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.