Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 10 maart 2006

ECLI:NL:CRVB:2006:AV5219Zaaknummer 05-1818 WAZ

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1818 WAZ
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tegemoetkomen. Proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van

J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. I. INLEIDING
  2. II. MOTIVERING
  3. III. BESLISSING

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/1818 WAZ

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van het geding tussen:

[verzoeker] wonende te [woonplaats], appellant, thans verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. INLEIDING

Bij schrijven van 17 mei 2005, met bijlagen, heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van verzoeker het door haar ingestelde hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Aanvankelijk heeft de gemachtigde tevens verzocht om veroordeling van verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 30 december 2005 heeft de gemachtigde van verzoeker de Raad evenwel medegedeeld dat verzoeker inmiddels de wettelijke rente over de nabetaling heeft ontvangen, alsmede een bedrag ad

€ 1.500,- bij wijze van immateriële schadevergoeding, zodat nog slechts de gevorderde proceskostenveroordeling en de terugbetaling van het griffierecht ad

€ 102,- resteren.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen terzake van de gevorderde proceskostenveroordeling.

Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

Nu het hoger beroep is ingetrokken omdat verweerder aan verzoeker is tegemoet gekomen, is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van verzoeker, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Met betrekking tot het verzoek om terugbetaling van het in hoger beroep betaalde griffierecht merkt de Raad op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat verzoeker zich met een daartoe strekkend verzoek tot verweerder kan wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van

J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.