Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 februari 2025

ECLI:NL:CBB:2025:163Zaaknummer 23/583 en 23/584

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
23/583 en 23/584
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Verzet
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Onderneming niet aangevoerd waarom 8:54 uitspraak onjuist zou zijn. Daar is ingegaan op betoog onderneming omtrent factuurstelsel en verwezen naar jurisprudentie van het College hierover.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 15 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:702 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).

2 Met die uitspraak heeft het College de beroepen van de onderneming tegen de besluiten van de minister van 4 januari 2023 kennelijk ongegrond verklaard.

3 De onderneming heeft in verzet aangevoerd dat het niet terecht is dat voor het omzetbegrip uit wordt gegaan van de datum op de factuur. Omzetbedragen vallen in de periode waarin de diensten geleverd zijn. Dit is in overeenstemming met het jaarrekeningenrecht, de regels van de NOW en het omzetbegrip zoals gedefinieerd in de TVL. Er is onvoldoende oog geweest voor de uitvoerbaarheid en de administratieve last bij de ondernemers.

4 Het College stelt vast dat de onderneming in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 15 oktober 2024 niet juist is. In die uitspraak is in gegaan op het betoog van de onderneming over het factuurstelsel. Daarbij heeft het College onder meer gewezen op een vergelijkbare zaak waarin het College oordeelt dat de minister voor de berekening van de omzet uit mag gaan van de in een bepaalde periode gefactureerde bedragen. Dat de onderneming het niet met dit oordeel eens is, zoals ter zitting uiteengezet, maakt het niet anders. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaken met deze uitspraak zijn geëindigd.

w.g. B. Bastein w.g. A. Verhoeven

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Partijen
  2. [naam 1] , te [woonplaats] (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 23/583 en 23/584

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op verzet van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025

Rechter: mr. B. Bastein

Griffier: mr. A. Verhoeven

Partijen

[naam 1] , te [woonplaats] (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]

en

de minister van Economische Zaken, waarvoor aanwezig zijn mr. S. Piron en mr. drs. G.O. Hoeksma

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 15 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:702 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).

2 Met die uitspraak heeft het College de beroepen van de onderneming tegen de besluiten van de minister van 4 januari 2023 kennelijk ongegrond verklaard.

3 De onderneming heeft in verzet aangevoerd dat het niet terecht is dat voor het omzetbegrip uit wordt gegaan van de datum op de factuur. Omzetbedragen vallen in de periode waarin de diensten geleverd zijn. Dit is in overeenstemming met het jaarrekeningenrecht, de regels van de NOW en het omzetbegrip zoals gedefinieerd in de TVL. Er is onvoldoende oog geweest voor de uitvoerbaarheid en de administratieve last bij de ondernemers.

4 Het College stelt vast dat de onderneming in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 15 oktober 2024 niet juist is. In die uitspraak is in gegaan op het betoog van de onderneming over het factuurstelsel. Daarbij heeft het College onder meer gewezen op een vergelijkbare zaak waarin het College oordeelt dat de minister voor de berekening van de omzet uit mag gaan van de in een bepaalde periode gefactureerde bedragen. Dat de onderneming het niet met dit oordeel eens is, zoals ter zitting uiteengezet, maakt het niet anders. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaken met deze uitspraak zijn geëindigd.

w.g. B. Bastein w.g. A. Verhoeven

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.