Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 april 2024

ECLI:NL:CBB:2024:287Zaaknummer 21/639

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
23 april 2024
Zaaknummer
21/639
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Schadevergoedingsuitspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen belang meer bij beroep, beroep niet-ontvankelijk. Verzoek immateriële schade ivm overschrijding redelijke termijn toegewezen. Redelijke termijn met twee jaar en vier maanden overschreden is aan de rechter toe te rekenen.

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 2.500,- aan de onderneming voor immateriële schade;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.

w.g. J.H. de Wildt w.g. P.M. Beishuizen

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie)

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigde: mr. N. Polat)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat

Procesverloop

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 januari 2020.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1 De onderneming heeft te kennen gegeven dat geen belang meer bestaat bij beoordeling van het beroep. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.

2.1

Verder heeft de onderneming verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.2

In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

2.3

De termijn is begonnen op de datum waarop het de minister het bezwaarschrift heeft ontvangen, te weten op 11 december 2019. Dit betekent dat ten tijde van deze uitspraak de redelijke termijn van twee jaar met twee jaar en vier maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat de onderneming recht heeft op een schadevergoeding van € 2.500,-.

2.3

De minister heeft op 21 januari 2020 een beslissing op het bezwaar genomen. De bezwaarfase heeft dus minder dan zes maanden in beslag genomen. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter is toe te rekenen. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,-.

2.4

Het College ziet aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten van de onderneming in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 2.500,- aan de onderneming voor immateriële schade;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.

w.g. J.H. de Wildt w.g. P.M. Beishuizen

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.