Uitspraak · Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 maart 2024
ECLI:NL:CBB:2024:281Zaaknummer 22/2523 en 22/2524
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 25 maart 2024
- Publicatiedatum
- 18 april 2024
- Zaaknummer
- 22/2523 en 22/2524
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De onderneming voldoet niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister is bij de berekening van het omzetverlies, terecht uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst.
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.