Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28 februari 2023

ECLI:NL:CBB:2023:97Zaaknummer 22/1320

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
22/1320
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Algemene wet bestuursrecht: artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 TVL. Bezwaarschrift te laat, bezwaar niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding niet verschoonbaar, beroep ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.P.A. Schaafsma

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] ( [naam 1] )
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Conclusie
  5. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] ( [naam 1] )

(gemachtigde: M. Collij),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)

(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en drs. E.S.M. Slot).

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2021 (het verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag voor subsidie van [naam 1] op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2022 (de beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard.

[naam 1] heeft beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2023.

[naam 1] is met berichtgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in samenhang met artikel 6:7 van de Awb dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.

2. In geschil is of het bezwaarschrift tijdig is ingediend en zo niet, of de termijnoverschrijding dan verschoonbaar is. Het verleningsbesluit is bekendgemaakt op 27 augustus 2021. De bezwaartermijn eindigde daarmee op 8 oktober 2021.

3. [naam 1] voert aan dat hij zijn bezwaarschrift tijdig heeft ingediend. Het pro-forma bezwaarschrift had een poststempel van 4 oktober 2021, dat ligt binnen de termijn voor het indienen. Dat de minister dit niet heeft ontvangen, ligt volgens [naam 1] aan de interne organisatie en administratie van de minister. Het pro-forma bezwaarschrift kan bijvoorbeeld in het dossier van een andere zaak zijn beland. Dat de bewijslast bij [naam 1] zelf ligt, vindt hij niet passen in het feitencomplex. Hij beroept zich daarmee ook op de redelijkheid en billijkheid, en stelt dat de minister moet bewijzen dat hij het pro-forma bezwaarschrift niet heeft ontvangen. [naam 1] verzoekt de bestuursrechter daarom het bezwaar toch inhoudelijk te behandelen.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hij ontving het aanvullende bezwaarschrift op 20 december 2021, en dat is na het verstrijken van de termijn. De minister stelt dat op de envelop een poststempel staat met datum 13 december 2021, ook dat is na afloop van de termijn. Het argument van [naam 1] dat hij al een pro-forma bezwaarschrift had ingediend gaat niet op, omdat de minister dat niet heeft ontvangen en [naam 1] er zelf verantwoordelijkheid voor draagt om aan te tonen dat het wel verzonden is. Enkel een kopie van het bezwaarschrift is dan onvoldoende om aan te tonen dat het tijdig verzonden is (zie de uitspraken van 28 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:715 en van 1 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:733). Bovendien kon [naam 1] het bezwaarschrift ook digitaal indienen.

5. De minister heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn pro-forma bezwaarschrift op 4 oktober heeft verzonden, terwijl dit, gelet op de geldende rechtspraak, wel van hem verlangd wordt. Anders dan [naam 1] betoogt, is de bewijslastverdeling niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De bewijslast van de tijdigheid van het bezwaar ligt bij de ondernemer. Hij kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van aangetekende post, of door het digitaal indienen van een bezwaarschrift. Een omgedraaide bewijslast kan niet worden aangenomen, reeds omdat de minister onmogelijk kan bewijzen dat hij een stuk niet heeft ontvangen.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.P.A. Schaafsma

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.