Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28 november 2023

ECLI:NL:CBB:2023:655Zaaknummer 22/1773

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
22/1773
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

GLB. Er is sprake van een dubbelclaim op een perceel. Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) geoordeeld dat de onderhavige aanvrager geen recht heeft op betalingsrechten voor het perceel omdat hij geen eigenaar is van het perceel en geen pachtovereenkomst heeft. In wat de aanvrager aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van

mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.

w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen

Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)

met als derde partij

Firma [naam 2], te [woonplaats 2](gemachtigde: mr. P. Stehouwer)

Procesverloop

Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister aan [naam 1] betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.

Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft de minister beslist op het bezwaar van [naam 1].

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zitting was op 24 oktober 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister en namens [naam 2], [naam 3], deelgenomen.

Overwegingen

1 Het College gaat uit van het volgende.

1.1

[naam 1] en [naam 2] hebben allebei perceel 19 opgegeven in hun Gecombineerde Opgave (GO) voor het jaar 2015 en daarin verzocht om voor dit perceel betalingsrechten toe te wijzen. Met het besluit van 31 maart 2016 heeft de minister 39,59 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen. Daarbij heeft de minister voor perceel 19 geen betalingsrechten toegewezen aan [naam 1], omdat dit perceel op 15 mei 2015 niet bij [naam 1], maar bij [naam 2] in gebruik was. Met het besluit van 17 januari 2017 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.

1.2

Het College heeft bij uitspraak van 19 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:298) het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [naam 1].

1.3

Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1]. In aanvulling op de 39,59 betalingsrechten heeft de minister nog 5,83 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen, waarmee het totaal aantal betalingsrechten voor [naam 1] op 45,42 kwam. Die toegewezen 5,83 betalingsrechten bestaan uit 5,7 voor perceel 19, 0,06 voor perceel 5, 0,04 voor perceel 14 en 0,03 voor perceel 21.

1.4

Bij uitspraak van 2 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:975) heeft het College de uitspraak van 19 juni 2018 vervallen verklaard.

1.5

Bij uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) heeft het College het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft het College over die procedure en over de beroepsprocedure van [naam 2] geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Hiertoe heeft het College overwogen dat de minister terecht heeft geoordeeld dat [naam 2] op 15 mei 2015 over het perceel beschikte. [naam 2] was op die datum de eigenaar van het perceel en beschikte dus over een (rechtsgeldige) gebruikstitel om het perceel te gebruiken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet de eigenaar, maar hij de feitelijke beschikkingsmacht had over het perceel. [naam 1] heeft immers geen pachtovereenkomst gesloten met [naam 2] voor het jaar 2015.

1.6

Met het bestreden besluit heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] en het besluit van 9 augustus 2018 in die zin gewijzigd dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Daarmee kwam het totaal aan toegewezen betalingsrechten voor [naam 1] op 39,72.

2 [naam 1] voert aan dat de minister hem ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen voor perceel 19. Op 15 mei 2015 had hij het perceel in beheer, omdat een opzegging door [naam 2] van de gebruiksovereenkomst in 2014 hem niet bekend was en hij in het voorjaar van 2015 het perceel heeft bemest en het grasgewas heeft geoogst.

3 Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. In wat [naam 1] aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.

4 Het beroep van [naam 1] is dus ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van

mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.

w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.