Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 februari 2022

ECLI:NL:CBB:2022:60Zaaknummer 18/2147R

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
1 februari 2022
Zaaknummer
18/2147R
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Rectificatie van ECLI:NL:CBB:2021:697

Beslissing

Het College rectificeert zijn uitspraak van 6 juli 2021 als in de overwegingen is weergegeven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2022.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2147

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2022 tot rectificatie van de uitspraak van 6 juli 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. J. Pot),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Het College heeft vastgesteld dat in zijn uitspraak van 6 juli 2021 met zaaknummer 18/2147 (ECLI:NL:CBB:2021:697) onder “Beslissing” een kennelijke onjuistheid staat vermeld.

Overwegingen

In de rubriek “Beslissing” staat vermeld dat het College “veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 374,-.” Het College overweegt dat hier sprake is van een onjuistheid. Niet verweerder maar de Staat moet worden veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 374,-. De proceskosten zijn immers verschuldigd in verband met het verzoek om (immateriële) schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de Staat is toe te rekenen, moet de Staat in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Nu de uitspraak een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare onjuistheid bevat, bestaat aanleiding de uitspraak op dit punt te rectificeren.

Het College wijzigt de uitspraak van 6 juli 2021, met zaaknummer 18/2147, als volgt.

“- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 374,-.”

Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Beslissing

Het College rectificeert zijn uitspraak van 6 juli 2021 als in de overwegingen is weergegeven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2022.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd te ondertekenen.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.