Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 8 december 2020

ECLI:NL:CBB:2020:933Zaaknummer 19/1437

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
19/1437
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Landbouw. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, begrijpt het College als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellante is van mening dat doordat hij destijds de eerdere beroepsprocedure heeft gevoerd en het College daarop uitspraak heeft gedaan, hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de subsidiabele oppervlakten van de percelen 1 en 14 niet meer zou worden gewijzigd. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat deze percelen geen onderwerp waren van de in de eerdere beroepsprocedure gevoerde discussie.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellant op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) toegewezen betalingsrechten gedeeltelijk ingetrokken met ingang van 14 december 2018.

Bij besluit van 8 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het besluit van 30 december 2015 heeft verweerder aan appellant 22,63 betalingsrechten toegekend. Bij uitspraak van 5 december 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:471) heeft het College geoordeeld dat hiermee het aantal betalingsrechten te laag is vastgesteld en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant. Verweerder heeft verweerder bij besluit van 26 januari 2018 het aantal betalingsrechten verhoogd naar 22,67.

2.1

Verweerder heeft 0,2 betalingsrechten ingetrokken per 14 december 2018, omdat hij bij controle de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1 en 14 kleiner heeft vastgesteld. Op perceel 1 staat aan de west- en zuidoostzijde een permanente afrastering en de door appellant buiten die afrastering ingetekende oppervlakte is niet subsidiabel. Op perceel 14 ligt aan de westzijde zand en daarom is dat deel niet subsidiabel. De beroepsprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van 5 december 2017 (de eerdere procedure) zag alleen op de percelen 2 en 4 en die uitspraak staat daarmee niet in de weg aan een herbeoordeling van de percelen 1 en 14.

2.2

Appellant voert aan dat in de beroepsprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van 5 december 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:471) overeenstemming is bereikt over de oppervlakte van perceel 1: doordat het College in die uitspraak de subsidiabele oppervlakte voor 2015 heeft vastgesteld, staat het verweerder niet meer vrij hiervan van af te wijken.

3.1

Landbouwareaal dat bij het bedrijf (deels) in gebruik is, is subsidiabel.[_4e96b2cd-6160-41c5-abf2-d9aa2c4d0ae0] Tot het landbouwareaal behoort de grond die wordt gebruikt als blijvend grasland,[_56b202da-7cc0-4289-9bd6-e3087d9797ae] namelijk grond met, voor zover hier van belang, een vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.[_c01a7cdc-c184-4dd4-84fe-9b08b33739ef] Hierbij worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel.[_d379c76d-574c-44d1-bd9f-08c8e2be3af7]

3.2

Artikel 23, eerste lid, van Verordening (EU) 809/2014[_45d0b874-ac70-489b-b2b5-45e80c399b9a] bepaalt dat, indien na de toewijzing van betalingsrechten aan de begunstigden blijkt dat het aantal toegewezen betalingsrechten te hoog was, het aantal te veel toegewezen betalingsrechten aan de nationale reserve of regionale reserves vervalt.

4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, begrijpt het College als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellante is klaarblijkelijk van mening dat doordat hij destijds de eerdere beroepsprocedure heeft gevoerd en het College daarop uitspraak heeft gedaan, hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de subsidiabele oppervlakten van de percelen 1 en 14 niet meer zou worden gewijzigd. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat deze percelen geen onderwerp waren van de in de eerdere beroepsprocedure gevoerde discussie.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.