Uitspraak · Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 4 oktober 2017
ECLI:NL:CBB:2017:391Zaaknummer 17/739
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2017
- Publicatiedatum
- 30 november 2017
- Zaaknummer
- 17/739
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep tegen kostenbesluit. Er zijn geen aanknopingspunten om te concluderen dat de kosten redelijkerwijs niet voor rekening van appellant dienen te komen. Ook geen andere bijzondere omstandigheden om af te zien van kostenverhaal. De draagkracht geldt in beginsel niet als zo'n omstandigheid.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.N. Foppen
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/739
11350
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2017 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. J.P. Vandervoodt),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Henneveld).
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 10.985,54 bij appellant in rekening gebracht.
Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 8 december 2015 heeft verweerder spoedbestuursdwang toegepast wegens overtreding door appellant van de Wet dieren. Deze overtreding hield in, kort gezegd, het benadelen van de gezondheid en het welzijn van dieren en het onthouden van de nodige medische zorg aan de hond en 11 pups van appellant. Verweerder heeft deze dieren meegevoerd en opgeslagen.
Bij besluit van 11 december 2015 heeft verweerder de toegepaste spoedbestuursdwang op schrift gesteld.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de kosten van bestuursdwang vastgesteld op € 16.049,59 voor de periode van 8 december 2015 tot en met 5 februari 2016. De opbrengst van de verkoop, 50% van de vervoerskosten van en naar de opslaghouder en de kosten vanaf 26 januari 2015 zijn in mindering gebracht, zodat appellant volgens verweerder nog een bedrag verschuldigd is van € 10.985,54.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2. Het College stelt vast dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 11 december 2015 waarin verweerder de spoedbestuursdwang op schrift heeft gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Nu moet worden aangenomen dat het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang rechtmatig is, behoren de kosten die daarmee gemoeid zijn ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in beginsel voor rekening van appellant te komen.
3. Appellant heeft opgemerkt dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Omdat appellant daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht, in zijn visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, is deze opmerking echter onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraak van het College van 21 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:132).
4. Verder voert appellant aan dat de doorberekende kosten buitenproportioneel zijn en in redelijkheid niet allemaal bij appellant in rekening gebracht kunnen worden. Appellant kon niet voorzien dat de facturen zodanig hoog zouden zijn. Bovendien ontbreekt het appellant aan draagkracht om de in rekening gebrachte kosten te kunnen voldoen.
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat de daarin vermelde kosten voor het toepassen van spoedbestuursdwang voor rekening van appellant komen.
Het College is van oordeel dat verweerder, gezien het overzicht van de gemaakte kosten en de overgelegde facturen, voldoende heeft gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt welke kosten zijn gemaakt. De niet nader gemotiveerde stellingen van appellant dat de kosten buitenproportioneel zijn en niet allemaal bij appellant in rekening gebracht kunnen worden bieden, zonder nadere onderbouwing, geen aanknopingspunten om te concluderen dat de kosten redelijkerwijs niet op appellant kunnen worden verhaald. Overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die grond bieden om geheel of gedeeltelijk van het kostenverhaal af te zien. De financiële draagkracht kan in beginsel niet als een dergelijke omstandigheid gelden. Wel kan appellant zich tot verweerder richten voor het treffen van een betalingsregeling. Het betoog faalt.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.N. Foppen
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:CBB:2026:484 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 6 oktober 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2026:399 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 september 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2026:5961 Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2026:14 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 januari 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2026:17 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 januari 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:608 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18 november 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:2791 Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:2792 Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:2793 Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2022:73 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 februari 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:899 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21 september 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:703 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 6 juli 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:600 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 juni 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:526 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 mei 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:494 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18 mei 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:498 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18 mei 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:293 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16 maart 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:125 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 februari 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:139 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 februari 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:110 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2 februari 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:1003 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:1012 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:1014 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:999 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:990 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:917 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:862 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:869 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:873 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:876 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:835 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:841 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 november 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:688 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13 oktober 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:630 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 september 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:438 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 7 juli 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:407 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16 juni 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:83 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11 februari 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:85 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11 februari 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:53 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28 januari 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:728 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31 december 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:338 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 6 augustus 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:274 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 juli 2019 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.