Uitspraak · Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24 mei 2017
ECLI:NL:CBB:2017:190Zaaknummer 16/223
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 24 mei 2017
- Publicatiedatum
- 6 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/223
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. J.L. Verbeek en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. W.M.J.A. Duret
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/223
18050
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2017 in de zaak tussen
Stedin Netbeheer B.V. (Stedin), te Rotterdam, appellante
(gemachtigde: R.W. de Vlam),
en
Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster
(gemachtigde: mr. B.R.J. de Haan).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Dordrecht Energy Supply Company C.V. (Desco), te Dordrecht
(gemachtigde: mr. I. Brinkman).
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2015 (het primaire besluit) heeft ACM beslist op het verzoek van Stedin om het besluit van 5 december 2012 te herzien.
Bij besluit van 18 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van Stedin ongegrond verklaard.
Stedin heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
ACM heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor Stedin zijn voorts verschenen [naam 1] en [naam 2], voor ACM [naam 3] en voor Desco [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7].
Overwegingen
1. Over de periode van 1 januari 2002 tot 1 juli 2011 heeft Stedin bij Desco op grond van artikel 30, tweede lid, van de Elektriciteitswet, tarieven in rekening gebracht voor systeemdiensten die zijn verricht door TenneT TSO B.V. Bij besluit van 24 juli 2012 (het geschilbesluit) heeft ACM de klacht van Desco dat Stedin deze systeemtarieven ten onrechte bij haar in rekening heeft gebracht gegrond verklaard. Bij besluit van 5 december 2012 heeft ACM het door Stedin hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:149) heeft het College het beroep van Stedin tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Stedin heeft ACM op 3 maart 2015 verzocht om het besluit van 5 december 2012 te herzien. Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat DuPont de Nemours Nederland B.V. (thans Chemours geheten, hierna Chemours) de tussen Desco, Chemours en haar gesloten vaststellingsovereenkomst op 6 februari 2013 heeft ondertekend. Chemours heeft deze overeenkomst uiteindelijk op 3 april 2013 erkend. Verder heeft de rechtbank Rotterdam op 10 september 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:7536) met betrekking tot een geschil over onder meer deze overeenkomst geoordeeld dat Chemours sinds 1 januari 2000 als afnemer van de elektriciteit heeft te gelden. Volgens Stedin blijkt uit deze nieuwe feiten en veranderde omstandigheden dat zij terecht bij Desco systeemtarieven heeft geïnd, omdat Desco als vertegenwoordiger van Chemours deze voor haar heeft betaald.
Bij het primaire besluit heeft ACM het verzoek van Stedin afgewezen, omdat zij aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Verder zou ACM, ook indien deze informatie destijds beschikbaar zou zijn geweest, niet anders hebben geoordeeld, omdat in het geschilbesluit uitsluitend aan de orde was of bij Desco het systeemtarief in rekening kon worden gebracht. Bij het bestreden besluit heeft ACM deze afwijzing gehandhaafd.
In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) te vermelden (eerste lid), alsook dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking (tweede lid).
Bij uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecliSearch?id=ECLI:NL:RVS:2016:3131)) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (Centrale Raad) deze wijziging overgenomen. In het belang van de rechtseenheid ziet het College aanleiding om zich eveneens bij deze wijziging, zoals weergegeven onder 3.2 tot en met 3.6 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, aan te sluiten.
Dit betekent dat uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Voor het - nieuwe - toetsingskader is van belang welke keuze het bestuursorgaan maakt.
Het College stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak is gesloten voordat de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2016 en van de Centrale Raad van 20 december 2016 zijn gedaan. Het College ziet echter geen aanleiding om alsnog aan ACM te verzoeken in het licht van deze uitspraken haar keuze kenbaar te maken, nu zij in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen over de vraag of sprake is van nova en tevens het oorspronkelijke besluit inhoudelijk heeft heroverwogen. Het College zal beide standpunten beoordelen.
Naar het oordeel van het College heeft ACM zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de door Stedin genoemde feiten en omstandigheden geen nova zijn. De vaststellingsovereenkomst was ten tijde van de procedure bij het College omtrent het geschilbesluit al getekend en is door het College ook in zijn uitspraak van 18 april 2014 betrokken (zie onder 4.1 van de uitspraak). Een rechterlijke uitspraak kan in beginsel niet worden aangemerkt als een novum (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3006). ACM was daarom bevoegd artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toe te passen en het College ziet in hetgeen Stedin heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat toepassing daarvan in dit geval evident onredelijk is.
Het College is verder van oordeel dat de door Stedin genoemde overeenkomsten evenals het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014 niet tot een andere uitkomst kunnen leiden dan verwoord in het besluit van 5 december 2012, aangezien zij betrekking hebben op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen Stedin, Desco en Chemours en niet op de vraag die in de geschilprocedure aan de orde is, namelijk of Desco zelf op grond van de Elektriciteitswet systeemtarieven verschuldigd is. Of Desco al dan niet voor Chemours heeft betaald, zoals beoordeeld in het vonnis van de rechtbank Rotterdam, speelt daarbij geen rol. ACM heeft dan ook terecht bij inhoudelijke heroverweging geen aanleiding gezien om terug te komen op dit besluit.
3. Gelet op het vorenstaande ziet het College geen aanleiding om deze zaak aan te houden totdat het Hof van Den Haag arrest heeft gewezen in het hoger beroep van Chemours tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2014.
4. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. J.L. Verbeek en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. W.M.J.A. Duret
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:CBB:2026:117 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 maart 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2026:81 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 maart 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:85 Rechtbank Overijssel, 13 januari 2026 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:449 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 september 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:429 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:430 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:431 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:432 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:433 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2025:434 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 augustus 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2024:2303 Centrale Raad van Beroep, 5 december 2024 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CBB:2024:668 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 oktober 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:350 Parket bij de Hoge Raad, 29 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2024:44 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2023:1363 Centrale Raad van Beroep, 19 juli 2023 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1813 Rechtbank Noord-Nederland, 9 mei 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10935 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10937 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2022:39 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 januari 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5335 Rechtbank Noord-Nederland, 17 december 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:1010 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 november 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:782 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27 juli 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:4236 Rechtbank Rotterdam, 18 mei 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CBB:2021:406 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13 april 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:58 Rechtbank Rotterdam, 8 januari 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:1014 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:8348 Rechtbank Rotterdam, 22 september 2020 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:458 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14 juli 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2020:74 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 4 februari 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:705 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 december 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:519 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 oktober 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:520 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 oktober 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:568 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 9 september 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:272 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 juli 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:185 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 april 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:186 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 april 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:105 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12 maart 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:19 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 januari 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:20 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 januari 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:21 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 januari 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:15 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 8 januari 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2018:276 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 mei 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2018:146 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10 april 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2018:16 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17 januari 2018 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CBB:2017:244 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29 juni 2017 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.