Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 oktober 2014

ECLI:NL:CBB:2014:385Zaaknummer AWB 12/683

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
9 oktober 2014
Publicatiedatum
16 oktober 2014
Zaaknummer
AWB 12/683
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

afschrijving ok-units, invoering normatieve huisvestingscomponent, afschrijvingen immateriële vaste activa

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juni 2012 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond;
  • draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden;
  • veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan appellante.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. B. Verwayen en mr. P.M. van der Zanden in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Stichting Ziekenhuisgroep Twente, te Almelo, appellante
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/683

13950

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2014 in de zaak tussen

Stichting Ziekenhuisgroep Twente, te Almelo, appellante

(gemachtigde: mr. C.J. de Boer),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigden: mrs. J.J. Rijken en H.M. den Herder).

Procesverloop

Verweerster heeft bij tariefbeschikking van 26 september 2011 de nacalculatie 2010 verwerkt van appellante.

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen voormelde tariefbeschikking gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 13 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:183) heeft het College verweerster opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerster het besluit van 24 juli 2014 genomen.

Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het besluit 24 juli 2014.

Het College heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Op 10 september 2014 heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de voorgeschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak.

2. Het College staat voor de vraag of verweerster met het besluit van 24 juli 2014 heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht met betrekking tot de OK-units. Het College constateert dat gelet op de tekst van het besluit van 24 juli 2014 een nieuwe herbeoordeling van de bezwaren van appellante heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding van die nieuwe beoordeling verweerster een aanvullende versnelde afschrijving heeft gehonoreerd voor de OK-units. Appellante heeft van de haar geboden gelegenheid om over dit besluit haar zienswijze naar voren te brengen geen gebruik gemaakt. Het College moet op basis daarvan aannemen dat het besluit bij appellante niet op nadere bezwaren gestuit is. Derhalve zal het College het beroep, voor zover dit zich richt tegen het besluit van 24 juli 2014, ongegrond verklaren

3. Het besluit van 19 juni 2012 zoals dat voorlag in de tussenuitspraak is daarmee gedeeltelijk herzien. Dat appellante in het kader van haar beroep nog belang heeft bij een vernietiging van dit besluit, is gesteld noch gebleken. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Het College ziet aanleiding te bepalen dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het bestreden besluit.

5. Om dezelfde reden ziet het College aanleiding verweerster te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juni 2012 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond;
  • draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden;
  • veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan appellante.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. B. Verwayen en mr. P.M. van der Zanden in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.