Uitspraak · Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 mei 2001
ECLI:NL:CBB:2001:AB2491Zaaknummer AWB 01/258
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 23 mei 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- AWB 01/258
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 februari 2001 heeft verweerder ingevolge artikel 30b, juncto artikel 30c, van de Wet op de kansspelen, aan café-koffiehuis "Lucia" vergunning verleend voor het aanwezig hebben van 1 kansspelautomaat en 1 behendigheidsautomaat (...)
2. De beslissing
De president verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
w.g. R.R. Winter w.g. S.F.E. Raeven
Volledige tekst
De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Nrs. AWB 01/258
29010
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
A en B, te C, verzoekers,
tegen
de Burgemeester van Den Haag, zetelend aldaar, verweerder.
1. De procedure
Bij besluit van 21 februari 2001 heeft verweerder ingevolge artikel 30b, juncto artikel 30c, van de Wet op de kansspelen, aan café-koffiehuis "Lucia" vergunning verleend voor het aanwezig hebben van 1 kansspelautomaat en 1 behendigheidsautomaat en daaraan de volgende beperkingen verbonden:
"1. de verleende vergunning is geldig vanaf 1 januari 2000 tot 1 juni 2001.
2. er mogen alleen speelautomaten worden opgesteld, welke in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van de in artikel 30h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen bedoelde vergunning (de exploitatievergunning);
3. de vergunning dient in de inrichting aanwezig te zijn, en moet op eerste vordering van de politie en/of van controlerende ambtenaren worden getoond en desgewenst ter inzage worden gegeven;
4. de bevelen en aanwijzingen van ambtenaren van de politie en van personeel van het Nederlands Meetinstituut dienen terstond en stipt te worden opgevolgd."
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 2 april 2001 bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij een op 6 april 2001 ter griffie ingekomen verzoekschrift hebben verzoekers in afwachting van de beslissing op bezwaar de president gevraagd bij wege van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 21 februari 2001 te schorsen.
Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:82, tweede lid, juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening een griffierecht geheven en wordt het verzoek bij niet tijdige betaling niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 26 april 2001 is namens de president ingevolge artikel 8:82, tweede lid, Awb meegedeeld dat het griffierecht binnen twee weken voldaan dient te zijn. Daarbij zijn verzoekers gewezen op de gevolgen van niet tijdige voldoening.
Het griffierecht is op bedoeld tijdstip niet voldaan. Derhalve moet het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. De beslissing
De president verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
w.g. R.R. Winter w.g. S.F.E. Raeven
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.