Aanhef
Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,
besluiten in de vergadering van 12 oktober 2018 de beleidsregel Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2018 vast te stellen en de beleidsregel Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017 in te trekken.
INHOUD
HOOFDSTUK 1: INLEIDING 3
HOOFDSTUK 2: UITGANGSPUNTEN VOOR TERUGVORDERING, VERHAAL, BOETES EN INVORDERING 5
§ 2.1. – Algemeen uitgangspunt 5
§ 2.2. – Opschorting en hersteltermijn 5
§ 2.3. – Terugvordering en verhaal 6
§ 2.4. – Dringende redenen 7
§ 2.5. – Algemene uitgangspunten voor invordering 7
§ 2.6. – Wettelijke rente en kosten 8
§ 2.7. – Betaling 8
§ 2.8. – Uitstel van betaling 9
§ 2.9. – Aanmaning 10
§ 2.10. – Dwangbevel 10
§ 2.11. – Verrekening 11
§ 2.12. – Bescherming van de beslagvrije voet 12
HOOFDSTUK 3: DEBITEUREN(HER)ONDERZOEK 13
§ 3.1. – Inleiding 13
§ 3.2. – Te onderzoeken gegevens 13
§ 3.3. – Herzieningsverzoek 14
§ 3.4. – Termijnen debiteurenheronderzoek 14
HOOFDSTUK 4: AFLOSSING- en INVORDERINGSBELEID PW, IOAW en Bbz 16
§ 4.1. – Ten onrechte verleende bijstand of IOAW 16
§ 4.2. – Leningen en borgtochten 17
§ 4.3. – Vorderingen die het gevolg zijn van het achteraf ontvangen van middelen 17
§ 4.4. – Vorderingen i.v.m. verstrekte leenbijstand onder verband van hypotheek 18
§ 4.5. – Vorderingen uit hoofde van leenbijstand voor levensonderhoud of kapitaal aan Bbz-ers 19
§ 4.6. – Verhaalsbijdragen en verhaalsvorderingen uit hoofde van onderhoudsplicht 20
§ 4.7. – Verhaalsvorderingen uit hoofde van schenking of nalatenschap 21
HOOFDSTUK 5: KWIJTSCHELDING PW, IOAW en Bbz 22
§ 5.1. – Kwijtschelding 22
§ 5.2. – Debiteuren met ernstige financiële problemen 25
HOOFDSTUK 6: TERUGVORDERING, AFLOSSING en INVORDERING van OVERIGE REGELINGEN 27
§ 6.1. – Algemeen 27
§ 6.2. – Terugvordering 27
§ 6.3. – Aflossing en invordering 27
§ 6.4. – Kwijtschelding en ernstige financiële problemen 29
BEGRIPPEN 31
AFKORTINGEN 33
HOOFDSTUK 2: UITGANGSPUNTEN VOOR TERUGVORDERING, VERHAAL, BOETES EN INVORDERING
§ 2.2. – Opschorting en hersteltermijn
2.2.1 Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking
Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, schort het college het recht op bijstand op voor de duur van ten hoogste acht weken:
a.Vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b.Vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft;
De bepaling is identiek aan de bepaling van 54 lid 1 PW, maar is met een dwingend karakter geformuleerd.
Als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
2.2.2. Herziening of intrekking en boete
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand of trekt het in:
a.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot ten onrechte verleende bijstand;
b.indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningbesluit met terugwerkende kracht te herzien, gebruik van deze bevoegdheid.
Indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel het college als naar het UWV. Het college is verplicht bij schending van de inlichtingenplicht een boete op te leggen.
§ 2.3. – Terugvordering en verhaal
2.3.1. Ten onrechte verleende bijstand
De hieronder omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn ontleend aan de bepalingen van artikel 58 en 59 PW. Om zo concreet mogelijk te maken wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels dwingend geformuleerd.
Het college vordert de kosten van bijstand terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:
a.Ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b.In de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c.Voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d.Bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e.Anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f.Anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1De belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW beschikt of kan beschikken;
2Bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming;
Het college verrekent de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe noodzaken af te wijken van de algemene regel (verrekenen binnen zes maanden).
2.3.2. Brutering
Het college vordert de kosten van bijstand terug van de belanghebbende inclusief loonbelasting en de premies volksverzekering waarvoor het college inhoudingspichtige is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de innende instanties. De inkomensafhankelijke werkgeversheffing zorgverzekeringen wordt niet teruggevorderd. Deze brutering wordt alleen toegepast indien het ontstaan van de schuld het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht. Vorderingen die niet zijn ontstaan vanwege het schenden van de inlichtingenplicht en zijn vastgesteld bij besluit op of na 1 januari 2018 blijven netto. Dat geldt dus voor alle besluiten tot terugvordering genomen op of na 1 januari 2018 waarbij geen sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht.
2.3.3. Terugvordering van gezinsleden
Bijstand aan een gezin wordt van alle gezinsleden teruggevorderd. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden:
De genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
2.3.4. Afzien van terugvordering
In enkele gevallen is de terugvordering dermate klein dat afzien van terugvordering efficiënter is dan het starten van het terugvorderingsproces. Het college besluit af te zien van terugvorderingen bij bedragen kleiner dan tien euro.
2.3.5. Verrekening van o.a. proceskosten
De PW biedt het college de mogelijkheid om een vordering van de burger op de gemeente te verrekenen met een gemeentelijke vordering op grond van de PW (mits de vordering is gebaseerd op de artikelen 58 of 59 PW). Het college zal in alle voorkomende gevallen gebruik maken van deze verrekeningsbevoegdheid.
§ 2.5. – Algemene uitgangspunten voor invordering
2.5.1. Minst zwaarwegende invorderingswijze
Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de voor het college snelste, eenvoudigste en minst kostbare wijze de voorkeur. Als bijvoorbeeld vereenvoudigd derdenbeslag tot effectieve invordering kan leiden, wordt in beginsel geen gerechtsdeurwaarder ingeschakeld.
2.5.2. Moment inleveren bescheiden
Als datum van binnenkomst voor stukken met rechtsgevolgen geldt de datum van binnenkomst bij de gemeente. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan de inlichtingenplicht van de betalingsplichtige (artikel 60 lid 1 PW).
Als het college in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de schuld, dan blijven deze gehandhaafd als het college niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.
§ 2.6. – Wettelijke rente en kosten
2.6.1. Invulling bevoegdheid tot invorderen van wettelijke rente
Indien er sprake is van verzuim zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, zal het college de betalingsplichtige wettelijke rente in rekening brengen en innen vanaf het moment dat de invordering wordt overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder of een incassobureau.
2.6.2. Uitstel van betaling
Indien het college uitstel van betaling heeft verleend (artikel 4:94 Awb) is de betalingsplichtige over de termijn van uitstel geen wettelijke rente verschuldigd, tenzij het niet kunnen voldoen aan de verplichting binnen de risicosfeer van de betalingsplichtige ligt (artikel 4:101 Awb).
2.6.3. Kosten bij niet tijdige betaling
Bij niet tijdige betaling, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt de vordering verhoogd met de op de vordering betrekking hebbende kosten. De kosten voor het uitbrengen van een dwangbevel worden op 10% van de hoogte van de vordering gesteld met een minimum van € 10,00 en een maximum van €70,00. Bij overdracht aan de gerechtsdeurwaarder of incassobureau wordt de vordering verhoogd met de daarop betrekking hebbende gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.
§ 2.7. – Betaling
2.7.1. Wijze en tijdstip betaling
De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij een later tijdstip is vermeld (artikel 4:87 Awb). De betaling door de betalingsplichtige geschiedt door bijschrijving op de daartoe bestemde bankrekening, tenzij een andere wijze van betaling te prefereren is. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van de gemeente wordt gecrediteerd (artikel 4:89 leden 1 en 3 Awb). Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling.
2.7.2. De afboeking van de betaling
Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:
•Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler (artikel 4:92 lid 2 Awb);
•• Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven, de zogenoemde ongerichte betalingen, worden afgeboekt op de oudste openstaande vordering, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. Zo wordt er – gezien de aard en de strekking – in ieder geval voorrang gegeven aan het afboeken op een bestuursrechtelijke boete boven een vordering op grond van artikel 58 Pw dan wel leenbijstand;
•De betaling strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens de verschenenrente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente (artikel 4:92 lid 1 Awb).
2.7.3. Teveelbetaling
Als de aangegeven bestemming van de betaling een vordering betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere vorderingen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld.
2.7.4. Betaling van kleine bedragen
Betalingen van vorderingen in kleinere bedragen dan die van de vastgestelde betalingstermijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door het college aangemerkt wordt als nodeloze overlast. Voor het te weinig betaalde is de betalingsplichtige in verzuim.
§ 2.8. – Uitstel van betaling
2.8.1. Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb)
Het college verleent op verzoek van de betalingsplichtige of ambtshalve uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot de oplossing van een schuldenprobleem (zie § 5.2.). Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt, wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het opleggen van een betalingsregeling indien de betalingsplichtige niet langer aan de voorwaarden voldoet of een verplichting tot het stellen van zekerheid.
2.8.2. Bezwaarschrift en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel
Als de betalingsplichtige een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een vordering of een beroepschrift indient, merkt het college van burgemeester en wethouders het bezwaar- of beroepschrift niet aan als een verzoek om uitstel van betaling.
In die gevallen moet de betalingsplichtige dus een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling indienen. Dergelijke verzoeken worden in het algemeen afgewezen omdat het aanhangig zijn van een bezwaar, beroep of hoger beroep procedure geen opschortende werking heeft, tenzij naar het oordeel van het college aanleiding is om van deze hoofdregel af te wijken.
2.8.3. Weigeren van uitstel van betaling
Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:
a.De medewerking aan het betalingsuitstel van de betalingsplichtige naar het oordeel van het college onvoldoende is;
b.Onjuiste gegevens in het kader van het betalingsuitstel worden verstrekt;
c.De vordering het gevolg is van schending inlichtingenplicht en is vastgesteld na 1.1.2013;
d.De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;
e.De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;
f.De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt;
g.De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;
h.De betalingsplichtige al eerder een regeling heeft genoten, maar niet is nagekomen;
i.Het verschuldigde bedrag minder dan € 50,00 bedraagt.
2.8.4. Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling
In de volgende gevallen zal de beschikking tot uitstel van betaling worden gewijzigd of ingetrokken:
1indien de voorschriften niet worden nageleefd;
2indien de betalingsplichtige onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt die tot een andere beschikking zou hebben geleid;
3indien veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel.
§ 2.9. – Aanmaning
2.9.1. Gevolgen niet nakomen aanmaning
De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de betalingsplichtige uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 4:112 lid 3 Awb).
Het college brengt voor een aanmaning geen vergoeding in rekening.
2.9.2. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning
Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.
§ 2.10. – Dwangbevel
2.10.1. Tijdstip van uitvaardigen dwangbevel
Nadat niet of niet volledig binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigt het college een dwangbevel uit (artikel 60 lid 2 PW en artikel 4:117 lid 1 Awb). Voor de kosten van een dwangbevel zie 2.6.3.
2.10.2. Bekendmaking van het dwangbevel
Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel aangetekend per post te betekenen. De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling binnen twee dagen vindt plaats door het aangetekend ter post bezorgen van een afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door het college ter verzending aanbieden van het afschrift. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.
Indien betekening per post niet mogelijk of wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op een bankrekening de voorkeur verdient, wordt de betekening overgelaten aan de deurwaarder, zoals bedoeld in artikel 4:123 Awb.
2.10.3. Adressering van per post betekende dwangbevelen
Verzending van het voor de betalingsplichtige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de betalingsplichtige.
Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de betalingsplichtige zijn, dat in de Basisregistratie personen (BRP) staat geregistreerd. Als de betalingsplichtige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.
Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een bij gemeentelijke vergissing onjuist adres is verzonden (ten tijde van de terpostbezorging) en de betalingsplichtige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden.
2.10.4. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel
Een dwangbevel dat door terpostbezorging, hetzij door de deurwaarder is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.
Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.
Ten aanzien van personen waar het college niet is geïnformeerd over wijziging van het laatst ingeschreven adres in de BRP, kan het college de dwangbevelen uitbrengen op het laatst bekende adres dat correspondeert met het BRP-adres, bijv. mensen zonder vaste of bekende woon- en verblijfplaats en zij die naar een onbekend land zijn vertrokken. Deze personen staan dan in het Register van niet-ingezetenen (RNI) ingeschreven.
2.10.5. Tenuitvoerlegging dwangbevel
Het dwangbevel levert een executoriale titel op (artikel 4:116 Awb). Na betekening aan de betalingsplichtige, zal het college het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen, indien niet binnen de gestelde termijn aan het bevel tot betaling van de hoofdsom en de kosten volledig is voldaan.
§ 2.11. – Verrekening
2.11.1. Invulling bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb)
Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 PW worden teruggevorderd een uitkering op grond van de PW, Wet IOAW, de Wet IOAZ of het Bbz 2004 ontvangt, is het college als gevolg van artikel 60 lid 3 PW bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand of uitkering. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik.
Indien een vordering verrekend wordt met de bijstand of andere uitkering dient rekening gehouden te worden met het feit dat een eventueel eerder op de bijstand gelegd beslag opgeschort wordt voor de duur van de verrekening. De beslaglegger dient hiervan bericht te worden.
2.11.2. Regels ten aanzien van verrekenen
Voor verrekening hanteert het college de regel dat er niet tot verrekening wordt overgegaan, indien de middelen van de betalingsplichtige afdoende zijn om de vordering in één keer te betalen.
De betalingsplichtige wordt op de hoogte gesteld van een verrekening met zijn of haar uitkering evenals van de hoogte van het bedrag van de verrekening (artikel 4:93 lid 2 Awb). Een verleend uitstel tot betaling staat verrekening niet in de weg (artikel 4:93 lid 5 Awb).
§ 2.12. – Bescherming van de beslagvrije voet
2.12.1. Woonkosten koopwoning
Het college kan de beslagvrije voet verhogen met de voor de betalingsplichtige in aanmerking te nemen woonkosten. Hierbij kan rekening gehouden worden met:
•De betaalde hypotheekrente;
•Erfpacht;
•Premie opstalverzekering;
•Eigenaarsdeel OZB;
•Polder- en waterschapslasten en
•Klein onderhoud.
Betaling van hypotheek levert fiscaal voordeel op. Dit belastingvoordeel wordt niet in mindering gebracht op de woonkosten, maar moet als inkomen worden meegeteld en dus volledig in mindering worden gebracht op de beslagvrije voet. Dat gebeurt maandelijks ongeacht of de teruggave daadwerkelijk wordt geclaimd. Het verdient wel aanbeveling erop toe te zien dat de betalingsplichtige verzoekt om een voorlopige teruggave van die belasting.
Aflossingen op een hypothecaire lening vormen geen onderdeel van woonkosten. Het gaat dan immers om vermogensvorming.
HOOFDSTUK 5: KWIJTSCHELDING PW, IOAW en Bbz
§ 5.1. – Kwijtschelding
5.1.1. Algemeen
Het onderstaande beleid inzake kwijtschelding is – met uitzondering van onderdeel 4 van paragraaf 5.1.3 - in elk geval niet van toepassing op die betalingsplichtigen die op enig moment niet aan hun betalingsverplichting hebben voldaan waarna tot dwanginvordering is overgegaan. Hieronder wordt in dit verband niet begrepen het verrekenen met de periodieke uitkering van de gemeente Zwolle. Uitgezonderd van kwijtschelding zijn, op grond van de wet, de bestuurlijke boetes exclusief de gevallen beschreven in artikel 18a lid 13 PW.
Indien voor een vordering uitstel van betaling is verleend, dan telt deze termijn niet mee voor de kwijtscheldingstermijn. Daarnaast geldt dat de aflossingsverplichting van achtergestelde vorderingen ontstaat op het moment dat de andere vorderingen zijn voldaan. Dat houdt tevens in dat elke vordering afzonderlijk moet worden beoordeeld ten aanzien van kwijtschelding. Indien er sprake is van meerdere vorderingen bij een betalingsplichtige, wordt in principe eerst afgelost op de oudste vordering tenzij de aard van de vordering naar het inzicht van het college aanleiding is om een andere volgorde te hanteren.
Het college kan besluiten af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering. Dit is een vrije bevoegdheid. De redenen om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien kunnen in de persoon zelf zijn gelegen en/of hun grondslag vinden in andere omstandigheden. Uitgangspunt is dat een burger zoveel mogelijk van de schuld terugbetaalt. Op basis van de persoonlijke situatie van de betreffende burger kan het college besluiten dat hij/zij een gedeelte van het openstaande bedrag niet hoeft terug te betalen. Dit gebeurt in zeer uitzonderlijke situaties. Het is de bedoeling dat de redenen om van (verdere) terugvordering af te zien steeds een relatie hebben met de persoonlijke situatie van de betreffende burger.
5.1.2. Bbz
Voor de zelfstandigen geldt dat er twee soorten leningen kunnen worden kwijtgescholden, namelijk voor levensonderhoud dan wel bedrijfskapitaal.
Voor de zelfstandige die te veel levensonderhoud heeft genoten is het redelijk om wat betreft kwijtschelding aan te sluiten bij de categorie onder sub twee van de volgende paragraaf 5.1.3. D.w.z.: afzien van verdere terugvordering bij stipte betaling na vijf jaar. Voor het kwijtschelden van een lening voor bedrijfskapitaal kan onderscheid worden gemaakt in drie gevallen:
•De niet verwijtbare stopper;
•De verwijtbare stopper;
•De, ondanks een terugvorderingbesluit, doorgaande zelfstandige.
De niet-verwijtbaar gestopte zelfstandige kan na vijf jaar aflossing ter hoogte van 50% van de draagkracht boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, kwijtschelding krijgen. Bij volledig verbruik van de aflossingsruimte door betaling aan preferentere schuldeisers kan betalingsuitstel worden verleend. Als deze zelfstandige daarnaast nog schulden heeft binnen het sociale domein, dient hij de beschikbare ruimte daarvoor aan te wenden. Indien een maatschappelijk onaanvaardbare situatie dreigt te ontstaan, is een langere aflossingsperiode dan vijf jaar mogelijk.
De verwijtbare stopper zal eerst na 10 jaar aflossing kwijtschelding krijgen van zijn lening voor bedrijfskapitaal. De zelfstandige die na het nemen van een terugvorderingsbesluit doorgaat met zijn bedrijf krijgt geen kwijtschelding behoudens onderdeel 4 van paragraaf 5.1.3. Er zal dan immers dwanginvordering plaatsvinden. Bovendien zou kwijtschelding de concurrentie ten opzichte van andere bedrijven in die bewuste branche, kunnen vervalsen. In beide gevallen – verwijtbaar stoppen en doorgaan na terugvordering - bedraagt de aflossing 100 procent van de voor beslag vatbare ruimte.
5.1.3. Kwijtscheldingsbeleid
De mogelijkheid om tot kwijtschelding of afboeking over te kunnen gaan, wordt ambtshalve beoordeeld. Dit om rechtsongelijkheid te voorkomen.
Indien sprake is geweest van achteraf ontvangen middelen en de betalingsplichtige heeft de middelen niet aangewend ter aflossing van de schuld, dan is geen kwijtschelding mogelijk na vijf jaar aflossen. Voor deze groep betalingsplichtigen wordt voor wat betreft de kwijtschelding aangesloten bij het regime van de verwijtbare vorderingen. Men dient 10 jaar lang zonder onderbreking het volledige voor beslag vatbare deel van het inkomen aan te wenden ter aflossing van de vordering. Hiervoor is gekozen omdat in deze sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid.
De onderstaande bevoegdheid om op grond van de bepalingen af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering geldt niet ten aanzien van vorderingen die zijn gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat niet op de daartoe tot zekerheid strekkende goederen kan worden verhaald. De kosten van invordering kunnen ook worden kwijtgescholden.
1Besloten kan worden om af te zien van invordering of van verdere invordering van een (verhaals)vordering indien:
•De vordering bij aanvang of per saldo minder dan € 200,00 bedraagt;
•De betalingsplichtige na aanmaning niet tot betaling overgaat; en / of
•Verdere invordering inefficiënt is gelet op de kosten die daarmee gepaard gaan.
2Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, inclusief een Bbz-vordering voor levensonderhoud, indien:
•Er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht en de betalingsplichtige gedurende vijf jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig en zonder onderbreking aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald, dient de gehele vordering terugbetaald te worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.
3Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, indien:
•Het een vordering betreft in verband met schending van de inlichtingenplicht en de betalingsplichtige gedurende tien jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan – zonder onderbreking het volledige voor beslag vatbare deel van zijn inkomen heeft aangewend ter aflossing van de vordering. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele vordering terugbetaald te worden. Kwijtschelding is niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.
4Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, indien:
•Een regeling tegen finale kwijting wordt verzocht; en
•Te verwachten is dat een regeling tegen finale kwijting tot een beter resultaat leidt dan wanneer de gebruikelijke invorderingsprocedure wordt gevolgd; en
•Tenminste een bod van 50% van het saldo van de vordering tegen finale kwijting wordt gedaan.
Het bovenstaande geldt ook ten aanzien van vorderingen waarop in het geheel nog niet is afgelost. In afwijking van het vorenstaande kan – afhankelijk van de individuele situatie – een lager afkooppercentage worden vastgesteld voor niet-verwijtbare vorderingen. Daarbij moet worden gedacht aan de situatie dat de reële verwachting bestaat dat in het individuele geval het akkoord gaan met een lager percentage het maximaal haalbare is. Een en ander ter beoordeling van het college (art 58 lid 7 sub d).
5Besloten kan worden om af te zien van verdere invordering van een vordering waaronder begrepen de inning van een verhaalsvordering, indien:
•De betalingsplichtige gedurende tien jaren geen betalingen heeft verricht op een verwijtbare vordering of vijf jaren op een niet-verwijtbare vordering; en
•Het niet aannemelijk dat hij ze op enig moment zal gaan verrichten. Hierbij kan het ook gaan om een persoon wiens verblijfplaats onbekend is of die zich in het buitenland bevindt. De periode van vijf of tien jaar kan direct na verzending van het besluit aanvangen maar ook op enig moment daarna. Bij het maken van de afweging of de verwachting bestaat dat de betalingsplichtige op enig moment in staat zal zijn de schuld te kunnen te betalen, speelt ook een rol of er andere (preferentere) schulden zijn waarop wordt afgelost en in die context er voor de gemeente enig zicht bestaat op betaling van haar vordering.
6In geval van leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan van verdere terugvordering worden afgezien indien de betalingsplichtige gedurende 36 maanden ononderbroken heeft betaald op de vordering te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn betaald. De betalingsplichtige dient volledig aan eventuele aan de lening verbonden voorwaarden te hebben voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele lening terugbetaald worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.
7Besloten kan worden om af te zien van (verdere) invordering van elke vordering indien:
•De vordering bij aanvang of per saldo minder dan € 10,00 bedraagt; en
•Invordering inefficiënt is gelet op de kosten die daarmee gepaard gaan.
8Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een Bbz-vordering voor bedrijfskapitaal indien:
•De betalingsplichtige na het niet-verwijtbaar stoppen van zijn bedrijf gedurende vijf jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig en zonder onderbreking aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De aflossing bedraagt 50% van de draagkracht boven de bijstandsnorm, conform artikel 43 Bbz.
•De betalingsplichtige na het verwijtbaar stoppen van zijn bedrijf gedurende tien jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig en zonder onderbreking aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele lening terugbetaald worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.