Aanhef
Gemeente Zwolle, bekendmaking Bibob-beleid gemeente Zwolle 2021
De Burgemeester en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zwolle, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;
Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;
Gelet op het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Alsook de relevante bepalingen in de Alcoholwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle 2015 (m.b.t. gemeentelijke vergunningen), de Subsidieverordening, de Aanbestedingswet 2012 en het Burgerlijk Wetboek.
Besluiten vast te stellen de volgende:
2. DE WET BIBOB
2.2 Reikwijdte Wet Bibob
Weigerings- en intrekkingsgronden
Artikel 3 van de wet regelt de weigerings- en intrekkingsgronden voor beschikkingen.
In artikel 3 lid 1 van de wet worden twee weigeringsgronden genoemd, de zogenaamde a- en b-grond:
"Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
A. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
B. strafbare feiten te plegen."
Een derde weigeringsgrond staat in artikel 3 lid 6 van de wet:
"Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit."
Hierbij moet men denken aan bijvoorbeeld valsheid in geschrifte of omkoping.
Het 'gevaar' wordt vastgesteld op basis van antecedenten van de betrokkene of aan betrokkene gerelateerde personen waarmee hij in een zakelijk samenwerkingsverband staat die erop wijzen of doen vermoeden dat strafbare feiten zijn gepleegd.
De gevolgen voor privaatrechtelijke overeenkomsten staan niet geregeld in de wet. Echter kunnen privaatrechtelijke overeenkomsten kunnen op vergelijkbare gronden als bedoeld in artikel 3 (a- en b-grond) worden ontbonden, opgeschort of kunnen aanleiding geven om geen overeenkomst aan te gaan of onderhandelingen af te breken, mits dit in de specifieke overeenkomsten is geregeld.
Uitgangspunten Wet Bibob algemeen
De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn belangrijke uitgangspunten van de wet. Het Bibob instrumentarium moet worden gezien als een ultimum remedium.
De toepassing van de Wet Bibob is een aanvullend middel op bestaande mogelijkheden om bijvoorbeeld een vergunning te weigeren of een subsidie in te trekken. De gemeente dient nadrukkelijk eerst andere mogelijkheden te benutten die de reguliere wetgeving biedt. Van deze aanvullende mogelijkheid wordt in beginsel uitsluitend gebruik gemaakt als een vergunning niet op andere gronden en met gebruik van minder in de persoonlijke levenssfeer binnendringende instrumenten kan worden geweigerd of ingetrokken. Dus eerst moeten alle gangbare en minder vergaande opties worden benut.
Het proportionaliteitsbeginsel wordt tot uitdrukking gebracht door de informatie- en risicogestuurde wijze van toetsen. Door het benoemen van risicocategorieën en het informatiegestuurd uitvoeren van toetsen, worden niet alle partijen aan een Bibob-toets onderworpen. Daarnaast moeten de gevolgen die voortvloeien uit de besluitvorming door het bestuursorgaan, als gevolg van en gebaseerd op de resultaten van de Bibob-toets, evenredig zijn aan de mate van gevaar.
2.3 Toepassing van de wet
Werking van de Wet Bibob
Op grond van de Wet Bibob is het mogelijk een diepgaand onderzoek te doen naar de achtergrond (antecedenten/verdenkingen) van een persoon of onderneming. Het onderzoek is met name gericht op de organisatiestructuur en de financiële huishouding van de persoon of onderneming. Ook wordt gekeken met wie de persoon of onderneming een zakelijk samenwerkingsverband heeft of heeft gehad. Door middel van een eigen onderzoek door de gemeente en optioneel een ondersteuning bij het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (hierna: het RIEC) en/of adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna het LBB) krijgt de gemeente zicht op integriteit van de persoon/onderneming.
Er zijn gronden om een vergunning, een overheidsopdracht, een subsidie of vastgoedtransactie te weigeren of in te trekken indien er een ernstig gevaar bestaat dat deze wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen vermogen te benutten (de zogenaamde a-grond) of om strafbare feiten te plegen (de zogenaamde b-grond). Dit is geregeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Waarom een beleidsregel
Het is de eigen beslissing en verantwoordelijkheid van de gemeente om het Bibob-instrument toe te passen. Vanwege de grote mate van bestuurlijke keuzevrijheid bij de toepassing van de Wet Bibob verdient het de voorkeur dat de toepassing plaatsvindt op basis van een beleidsregel, waarin de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders duidelijk aangeeft op welke wijze de Wet Bibob door de gemeente toegepast zal worden. Dit schept duidelijkheid naar de burgers en ondernemingen die mogelijkerwijs aan een Bibob-onderzoek kunnen worden onderworpen. Met name de afweging om tot een Bibob-onderzoek over te gaan, dient – juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument – weloverwogen en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol.
3. De Bibob-toets
3.1 De Bibob -toets
Eigen onderzoek
De Bibob-toets start met een eigen onderzoek door het bestuursorgaan met het uitreiken van het Bibob-vragenformulier. Betrokkene dient dit Bibob-vragenformulier ingevuld en ondergetekend in te leveren samen met de documenten en bewijsstukken die in het Bibob-vragenformulier worden gevraagd. De aangeleverde stukken kunnen aanleiding geven tot het opvragen van aanvullende gegevens. Het eigen onderzoek bestaat verder uit controle en analyse van:
•Het door betrokkene aangeleverde Bibob-vragenformulier alsmede de gevraagde bewijstukken, documenten en aanvullende gegevens;
•De opgevraagde justitiële documentatie en politiegegevens;
•De geraadpleegde open en gesloten bronnen;
•De beschikbare informatie binnen de gemeentelijke organisatie.
Indien het eigen onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar, dan kan advies worden aangevraagd bij het Bureau.
Adviesaanvraag Bureau
Dit advies zal worden aangevraagd als:
•Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan omtrent de betrokkene of aan betrokkene of aan betrokkene gerelateerde personen zoals bedoeld in artikel 3 lid 4 van de wet;
•Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur en/ of zeggenschap ;
•Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering en/ of financiers;
•De officier van justitie gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 26 van de wet;
•Informatie is verkregen van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;
•Andere relevante informatie daartoe aanleiding geeft.
Informatieplicht bestuursorgaan
De betrokkene zal schriftelijk worden geïnformeerd over een adviesaanvraag bij het Bureau.
In geval dat een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen een gevraagde beschikking te weigeren, een eerder verleende beschikking in te trekken, aan een vergunning aanvullende voorwaarden te verbinden dan wel niet mee te werken aan een transactie of geen overheidsopdracht te verstrekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport verstrekt. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan/gemeente gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet.
Gegevensverstrekking
In het geval van een Bibob-toets van een aanvraag om een beschikking zal deze aanvraag buiten behandeling worden gesteld, indien ontbrekende dan wel aanvullende gegevens niet, niet tijdig of onvolledig worden verstrekt door de betrokkene. Het buiten behandeling stellen is mogelijk op grond van artikel 4:5 Algemene Wet Bestuursrecht.
In het geval van een Bibob-toets van een reeds verstrekte beschikking zal bij het niet, niet tijdig of onvolledig ontbrekende dan wel aanvullende gegevens, de beschikking worden ingetrokken omdat dit in de wet wordt aangemerkt als een ernstig gevaar.
In het geval van een (voorgenomen) overheidsopdracht of vastgoedtransactie zal geen overeenkomst tot stand komen, indien ontbrekende dan wel aanvullende gegevens niet, niet tijdig of onvolledig worden verstrekt door de wederpartij.
Adviestermijn
Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau wordt op grond van artikel 31 van de wet de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling is genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen. Deze opschorting duurt niet langer dan acht weken met een eenmalige verlenging van vier weken. Het bestuursorgaan informeert de betrokkene onverwijld over deze opschorting.
De verlenging van de adviestermijn van het Bureau met vier weken en eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen zoals bedoeld in artikel 15 lid 2 van de wet kan leiden tot verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.
Mogelijk conclusies advies Bureau en vergewisplicht
De conclusie van het advies van het Bureau levert drie mogelijke uitkomsten op, te weten geen gevaar, mindere mate van gevaar of ernstig gevaar. Het bestuursorgaan mag, gelet op de deskundigheid van het Bureau in beginsel van diens advies uitgaan. Het bestuursorgaan dient zich er wel van te vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Het bestuursorgaan dat een advies van het Bureau ontvangt, kan dit advies, gebruiken in relatie tot andere beslissingen gedurende de in de wet genoemde termijn.
3.2 Gevolgen Bibob -toets
Gevolgen ten aanzien van publiekrechtelijke onderdelen
Indien uit het eigen onderzoek en/of het advies van het Bureau blijkt dat er sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet kan dit leiden tot een negatief besluit op de aanvraag om een beschikking of de intrekking van een beschikking. Naar aanleiding van het voorgenomen besluit wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Tegen een voor de betrokkene negatief besluit kan vervolgens bezwaar en beroep worden ingesteld.
Bij de conclusie 'een mindere mate van gevaar' kunnen aan een beschikking voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften dienen te zijn gericht op het wegnemen of beperken van het gevaar.
Bij de conclusie 'geen gevaar' kan de beschikking worden verleend.
Hieronder staan de gevolgen van de conclusies van het bureau schematisch weergegeven.
Conclusie advies Bureau
Gevolg
Geen gevaar
Verlenen beschikking, dan wel handhaven beschikking
Mindere mate van gevaar
Verlenen beschikking onder voorschriften, dan wel handhaven beschikking onder voorschriften
Ernstig gevaar
Niet verlenen beschikking, dan wel intrekken beschikking
NB: de betrokkene kan op elk moment de aanvraag om een beschikking intrekken.
Gevolgen ten aanzien van privaatrechtelijke onderdelen
De gevolgen voor de privaatrechtelijke onderdelen, overheidsopdrachten en vastgoedtransacties, zijn niet geregeld in de wet Bibob. Hiervoor moet worden teruggevallen op het privaatrecht. Anders dan het weigeren of intrekken van een beschikking, is het niet aangaan of beëindigen van een overeenkomst ten aanzien van een overheidsopdracht dan wel een vastgoedtransactie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dit kader spreken we dan ook liever van een beslissing. De betrokkene kan daardoor geen bezwaar of beroep bij het bestuursorgaan instellen, maar kan zich tot de civiele rechter wenden. Het naar voren brengen van een zienswijze tegen de voorgenomen beslissing is wel mogelijk.
Het daadwerkelijke gevolg voor de overheidsopdracht en de vastgoedtransactie is afhankelijk van de contractsvrijheid, gerechtvaardigd vertrouwen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals beschreven in paragraaf 2.2.1.2.. De contractsvrijheid brengt bijvoorbeeld met zich mee dat onderhandelingen ook kunnen worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar zoals bedoeld in de wet, maar er naar het oordeel van de gemeente wel sprake is van een integriteitsrisico of andere omstandigheden op basis waarvan de gemeente geen overeenkomst wenst aan te gaan. Een civiele rechter moet oordelen over de gevolgen ten aanzien van de privaatrechtelijke onderdelen.
De gemeente verbindt de volgende gevolgen aan de mogelijke conclusies van het advies van het Bureau:
Conclusie advies Bureau
Gevolg
Geen gevaar
Wel of niet aangaan overheidsopdracht/vastgoedtransactie
Mindere mate van gevaar
Niet aangaan overheidsopdracht/vastgoedtransactie
Ernstig gevaar
Niet aangaan overheidsopdracht/vastgoedtransactie
4. Publiekrechtelijk: wanneer een Bibob-toets?
4.1.2 Aanvragen om omgevingsvergunning-bouwactiviteit
Bouwwerken ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten
Een Bibob-toets zal plaatsvinden in geval van een aanvraag omgevingsvergunning-bouwactiviteit voor een bouwwerk ten behoeve van een bedrijfsmatige activiteit indien de bouwsom meer dan € 50.000,- (excl. Btw) bedraagt en sprake is van één van de risicocategorieën zoals hieronder genoemd.
Risicocategorieën:
•Hotels
•Horecabedrijven
•Coffeeshops
•Shisha-lounges
•Prostitutiebedrijven
•Seksinrichtingen
•Speelautomatenhallen
•Afvalbewerkings- en -verwerkingsbedrijven
•Autohandel (verkoop en verhuur)
•Sloopbedrijven
•Autodemontagebedrijven
•Vuurwerkbranche
•Religieuze instellingen
•Oud IJzerhandel(aren)
•Energiemaatschappijen (in het kader van duurzaamheid)/ energieproducenten
•Zonneparken
Bovenstaande opsomming kan aangepast worden, indien ontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.
Overige gevallen
Het bestuursorgaan zal in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren wanneer daartoe aanleiding bestaat blijkens uit:
•(Eigen) ambtelijke informatie
•Informatie verkregen van het Bureau
•Informatie verkregen van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC
•Informatie verkregen van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob
•Andere relevante signalen
Geen Bibob -toets
Bij een aanvraag omgevingsvergunning-bouwactiviteit vindt er geen Bibob-toets plaats in het geval een aanvraag afkomstig is van overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties of woning(bouw)corporaties (die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting).
5. PRIVAATRECHTELIJK: wanneer een Bibob-toets?
5.2 Vastgoedtransacties
Cumulatie van activiteiten
Een Bibob-toets met betrekking tot vastgoedtransacties zal plaatsvinden ingeval er sprake is van een vastgoedtransactie in combinatie met een (toekomstige) aanvraag voor een vergunningsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 4.1 van dit beleid.
Aldus besloten in de vergadering van 22 juni 2021