Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland;
gelet op artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.40 lid 2 onder b Omgevingswet;
overwegende dat met het instellen van beleid vorm wordt gegeven aan de handhaving van de Omgevingswet;
overwegende dat er behoefte bestaat aan een uniform beleid met betrekking tot het intrekken van omgevingsvergunningen;
overwegende dat het beleid leidt tot helderheid bij alle burgers over de geldende procedure;
overwegende dat het gewenst is een beleidsregel vast te stellen met betrekking tot de wijze waarop en wanneer een omgevingsvergunning zal worden ingetrokken onder de Omgevingswet;
B E S L U I T:
1De “Beleidsregel intrekken Omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen” d.d. 18 maart 2013 in te trekken.
2De “Beleidsregel intrekken Omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen en/of Ruimtelijke activiteit 2024” vast te stellen.
Beleidsregel intrekken Omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen en/of Ruimtelijke activiteit 2024
Toelichting
Bevoegdheid
Op grond van artikel 18.10 Ow is het bestuursorgaan dat bevoegd is een
vergunning of ontheffing te verlenen, tevens bevoegd de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Artikel 5.40, lid 2 Ow geeft het college de bevoegdheid om de vergunning 52 weken na het onherroepelijk worden ervan in te trekken, indien nog niet is aangevangen met de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend.
Beleidsnotitie
Het is wenselijk om bovenstaande bevoegdheid concreet uit te werken in een beleidsregel en een actief intrekkingsbeleid te hanteren. In deze beleidsregels zijn richtlijnen opgenomen over de procedure die wordt doorlopen en moet leiden tot het intrekken van (oude) omgevingsvergunningen. Hiermee wordt voorkomen dat aan ‘verouderde’ activiteiten, die mogelijk niet meer voldoen aan de op dat moment geldende voorschriften, uitvoering wordt gegeven. Onder meer eisen ten aanzien van brandveiligheid en constructieve veiligheid worden in de loop van de jaren aangescherpt om onveilige situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Met de beleidsregels wordt ook een deel rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gecreëerd voor betrokken partijen en belanghebbenden, aangezien iedereen weet wanneer een niet uitgevoerde omgevingsvergunning door het college wordt ingetrokken. Tevens kunnen de beleidsregels bijdragen aan een goede ruimtelijke ordening, met name bij veranderde planologische inzichten.
Bouwverordening
In de Omgevingswet zijn in artikel 5.40, lid 2 de facultatieve intrekkingsgronden voor o.a. een omgevingsvergunning met een bouwcomponent opgenomen. In sub b van dit artikel is de 52 weken termijn opgenomen, die voorheen een 26 weken termijn was op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a Wabo. Artikel 2.33 lid 2 Wabo is per 1 januari 2024 vervallen.
Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen
Ten slotte is dit beleid wenselijk vanuit het oogpunt van de Basis Gebouwen Registratie (BGR). In de BGR worden gegevens en brondocumenten (in dit geval de omgevingsvergunning) vastgelegd van onder meer panden en verblijfsobjecten. Het verlenen van een omgevingsvergunning kan leiden tot het ontstaan, vervallen of uitbreiden van een pand of verblijfsobject. Vanaf het moment dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend, worden de (voorlopige) gegevens van een nieuw of gewijzigd pand en/of verblijfsobject vastgelegd in de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG). Het betreft gegevens als de nummeraanduiding (huisnummer), het bouwjaar, het gebruiksdoel, de gebruiksoppervlakte en de geometrie.
In de BGR wordt ook de levensloop van het pand en/of het verblijfsobject vastgelegd. Deze levensloop start bij het afgeven van de omgevingsvergunning. Om te waarborgen dat de meest actuele gegevens in de BAG worden vastgelegd heeft het de voorkeur eerder opgenomen voorlopige gegevens uit de BAG te verwijderen op het moment dat duidelijk wordt dat een verleende omgevingsvergunning niet wordt geëffectueerd. De actualiteit wordt gewaarborgd door het vaststellen van en actief uitvoering geven aan het intrekkingsbeleid.
Toelichting artikelsgewijs
Artikel 2.1
Dit artikel bepaalt dat, indien er geen ‘urgente en zwaarwegende planologische belangen’ zijn, een omgevingsvergunning waarvan geen gebruik is gemaakt na 104 weken na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning, wordt ingetrokken. De termijn van 104 weken is tot stand gekomen, rekeninghoudend met diverse aspecten die invloed kunnen hebben op de uitvoering van de activiteiten. Hierbij kan worden gedacht aan:
o De planning van de bouw (moment vergunningverlening, aanvraag offertes, de keuze van en de planning van de aannemer);
o Vertragende omstandigheden als het weer en persoonlijke gebeurtenissen;
Sub e en f van dit artikel bieden de mogelijkheid om in concrete gevallen een ruimere termijn te bieden met een maximum van 156 weken.
Artikel 2.2
Dit artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning, waarbij de activiteit gedurende 52 weken aaneengesloten heeft stilgelegen, wordt ingetrokken. De termijn start op het moment van de constatering dat de activiteit stilligt.
De termijn die hier wordt gehanteerd is aanzienlijk korter dan bij het uitblijven van de aanvang van de activiteit. Reden hiervoor is dat wanneer wordt geconstateerd dat de uitvoering stilligt er al een aanzienlijke periode is verstreken vanaf het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Daarnaast zijn niet voltooide bouwwerken e.d. bouwkundig en ruimtelijk ongewenst. Het komt de bouw en het bouwwerk niet ten goede wanneer de constructie en bouwelementen langdurig in ‘weer en wind’ liggen. Ten aanzien van het straatbeeld is een gebouw in aanbouw niet wenselijk. In een nieuwbouwwijk kan dit tevens ongewenste gevolgen hebben gezien de fasering en inrichting van het openbaar terrein zoals de straatinrichting.
Sub d en e van dit artikel bieden de mogelijkheid om in concrete gevallen een ruimere termijn te bieden met een maximum van 104 weken.
Artikel 2.3
In dit artikel worden situaties omschreven, waarbij sprake is van een concreet geval, op grond waarvan een ruimere termijn als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 gehanteerd kan worden.
Artikel 2.4
Hierin is opgenomen dat indien de eventueel toegekende ruimere termijn voor de start of herstart van de activiteit is verstreken en start of herstart van de activiteit is uitgebleven de omgevingsvergunning alsnog wordt ingetrokken.
Artikel 3
In dit artikel leest u de procedure die wordt doorlopen voor het intrekken van een omgevingsvergunning. De procedure maakt onderscheid naar omgevingsvergunningen die tot stand zijn gekomen met de reguliere en met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen. Deze worden vervolgens meegenomen in de overwegingen die leiden tot het besluit over intrekking van de omgevingsvergunning. Indien een omgevingsvergunning is ingetrokken wordt dit gepubliceerd in het Gemeenteblad.
Artikel 4
Dit artikel biedt de mogelijkheid om af te zien van het intrekken van de omgevingsvergunning. Deze mogelijkheid wordt toegepast indien het intrekkingsbesluit onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van het doel dat wordt nagestreefd.