Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels Re-integratie Participatiewet 2024 gemeente Zundert

Gemeente Zundert · geldt sinds 27 augustus 2024

Aanhef

Het college van de gemeente Zundert, in zijn vergadering van 24 juni 2024:

gelet op artikel 4:51 Algemene wet bestuursrecht en artikel 4 lid 3 van de Re-integratieverordening Participatiewet 2024 gemeente Zundert,

BESLUIT

Vast te stellen de:

NADERE REGELS RE-INTEGRATIE PARTICIPATIEWET 2024 GEMEENTE ZUNDERT

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

1Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente EttenLeur, de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet.

2In deze nadere regels wordt verstaan onder:

a.Wet: Participatiewet

b.Verordening: Re-integratieverordening Participatiewet 2024 gemeente Zundert

c.Doelgroep: de personen zoals opgenomen in artikel 7 lid 1 sub a P-wet;

d.Doelgroep loonkostensubsidie: de personen zoals opgenomen in artikel 6 lid 1 sub e P-wet;

e.Doelgroep beschut werken: de personen zoals opgenomen in artikel 10b lid 1 P-wet;

f.Grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

g.Korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;

h.Werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die wederpartij is in de arbeidsverhouding met de werknemer én die de verantwoordelijkheid draagt voor het bedrijf en/of de inrichting;

i.Inlener: iedere natuurlijke of rechtspersoon die wederpartij is bij het aangaan van een proefplaatsing, werkstage of sociale activering met een uitkeringsgerechtigde én de verantwoordelijkheid draagt voor het bedrijf en/of de inrichting;

j.Jongere: persoon vanaf 18 jaar tot 27 jaar;

k.WML: wettelijk minimumloon als bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

l.UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

m.Arbeidsovereenkomst: overeenkomst zoals genoemd in artikel 610, lid 7, Burgerlijk Wetboek, of een besluit tot ambtelijke aanstelling.

Artikel 1.2 Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen een of meerdere artikelen van deze nadere regels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de belanghebbende(n) leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 1.3 Aanvullende voorwaarden

Bij het treffen van een voorziening of het verstrekken van een subsidie op grond van deze nadere regels kan het college aanvullende voorwaarden opleggen.

Artikel 1.4 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin deze nadere regels niet voorzien, beslist het college.

Hoofdstuk 2 Proefplaats

Artikel 2.1 Proefplaats

1Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering.

2Voor de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de wet, kan de periode van de proefplaats worden gebruikt voor de vaststelling van de loonwaarde.

3Een proefplaats mag niet gecombineerd worden met een werkstage tenzij er sprake is van de volgende omstandigheden:

a.de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie; en

b.de persoon heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt; en

c.de periode van werkstage of proefplaats wordt te kort geacht om te komen tot een reële loonwaardebepaling.

4Bij het aangaan van een proefplaats dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de betreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat ten minste:

a.een beschrijving van de werkzaamheden die de persoon gaat verrichten; en

b.de duur van de proefplaats; en

c.de wijze van begeleiding van de persoon door de werkgever; en

d.de intentie van de werkgever tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor minimaal 6 maanden na afloop van de proefplaats; en

e.de wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering geregeld is.

5Indien het na afloop van de periode van proefplaats daadwerkelijk komt tot een arbeidsovereenkomst is het de werkgever niet toegestaan hierbij nog een proeftijd toe te passen.

Hoofdstuk 3 Werkstage en Ontwikkeltraject

Artikel 3.1 Werkstage

1Een werkstage, als bedoeld in artikel 8 van de verordening, heeft tot doel het ontwikkelen en behouden van werkervaring en werkritme dan wel het opdoen van werknemersvaardigheden, waaronder mede het leren functioneren in een arbeidsrelatie wordt verstaan.

2Een werkstage wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering.

3Een werkstage duurt 3 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 6 maanden.

4Een werkstage in een bepaalde functie kan slechts eenmaal bij dezelfde werkgever worden verricht.

5Bij het aangaan van een werkstage dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de betreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat ten minste:

a.het doel van de werkstage; en

b.de duur van de werkstage; en

c.de wijze waarop de begeleiding door de werkgever plaatsvindt; en

d.de wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering geregeld is.

Artikel 3.2 Ontwikkeltraject

1Een ontwikkeltraject heeft tot doel het ontwikkelen van relevante competenties die nodig zijn voor de kandidaat om (regulier) aan het werk te gaan dan wel te participeren en die aansluiten bij zo regulier mogelijk werk oftewel het werkfit maken van een kandidaat.

2Een ontwikkeltraject wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering.

3Een ontwikkeltraject duurt zo kort mogelijk en met een maximale duur van 12 maanden.

Hoofdstuk 4 Sociale activering

Artikel 4.1 Sociale activering

1Aan de activiteiten als bedoeld in artikel 9 van de verordening wordt als voorwaarde gesteld dat deze worden aangeboden aan werkzoekenden uit de doelgroep van de wet met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

2Bij het aanbieden van sociale activering dient de inlener een overeenkomst aan te gaan met de betreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat tenminste:

a.het doel van de sociale activering; en

b.de wijze waarop de begeleiding door de inlener plaatsvindt; en

c.de wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering geregeld is.

Hoofdstuk 5 Scholing

Artikel 5.1 Scholing

1Een scholingstraject als bedoeld in artikel 10 van de verordening kan worden aangeboden aan de persoon in een re-integratietraject, indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren.

2De noodzaak wordt alleen dan aanwezig geacht als de persoon voorafgaand aan de scholing aantoonbare inspanningen heeft verricht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren.

3De scholing moet aansluiten op de mogelijkheden van de persoon.

4De duur van het scholingstraject is maximaal 12 maanden.

5De kosten van de scholing of opleiding bedragen maximaal € 2.500.

6De werkelijk noodzakelijke kosten van vervoer, kinderopvang en dergelijke die een directe relatie hebben met de scholing zoals genoemd in het eerste lid, komen voor een aanvullende vergoeding in aanmerking overeenkomstig de bepalingen in artikel 13.2 en artikel 13.3 van deze nadere regels.

7Indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht kan in bijzondere individuele omstandigheden worden afgeweken van het bepaalde in het vierde en vijfde lid.

Hoofdstuk 6 Detachering

Artikel 6.1 Detachering

1Indien sprake is van een detachering als bedoeld in artikel 11 van de verordening worden de volgende punten in acht genomen:

a.in een schriftelijke overeenkomst worden de afspraken met betrekking tot de arbeidsverhoudingen en financiële vergoedingen tussen gemeente, werknemer en inlenende organisatie vastgelegd;

b.de duur van het dienstverband is maximaal 35 maanden;

c.het college kan in bijzondere situaties afwijken van het gestelde bij onderdeel b. indien individuele omstandigheden van de werknemer een dienstverband van langere duur wenselijk maken.

2Het college kan een organisatie aanwijzen die in opdracht van of namens de gemeente het werkgeverschap voor de banen als bedoeld in het eerste lid, uitvoert.

Hoofdstuk 7 Participatievoorziening Beschut werk

Artikel 7.1 Doelgroep

1Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon zoals opgenomen in artikel 13, lid 1, van de verordening, die een loonwaarde heeft van minimaal 30%.

Artikel 7.2 Aanbod van participatievoorziening beschut werk

1De kandidaat die voor de participatievoorziening beschut werk in aanmerking komt, krijgt een dienstverband aangeboden.

2Dit dienstverband wordt uitgevoerd:

a.binnen de sociale werkvoorziening; of

b.buiten de sociale werkvoorziening op locatie van een externe opdrachtgever (detacheringsbasis); of

c.bij een reguliere werkgever.

3Indien er geen geldende Cao-bepalingen van toepassing zijn bedraagt de beloning 100% WML bij een voltijdse werkweek.

4Bij een dienstbetrekking van minder dan een voltijdse werkweek wordt de beloning naar rato vastgesteld.

Hoofdstuk 8 Persoonlijke ondersteuning

Artikel 8.1 Doel

De voorziening persoonlijke ondersteuning heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 10da van de wet ten doel een zodanige begeleiding aan werknemer en werkgever te bieden, dat de werknemer na de maximale duur van de inzet zonder extra begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

Artikel 8.2 Doelgroep

Het college kan een voorziening jobcoach aanbieden aan een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie en/of een persoon met een structurele functionele beperking, die arbeid in een dienstbetrekking of arbeid op een proefplaats verricht. De criteria uit artikel 17a van de verordening zijn hierop van toepassing.

Artikel 8.3 Jobcoach

1Een Interne jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt, moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen:

-een hbo-opleiding of hbo-werk en -denkniveau

-een door Noloc geaccrediteerde afgeronde jobcoachopleiding

2Bij de inzet van de jobcoach wordt, aangesloten bij de begeleidingsniveaus licht en midden zoals deze door het UWV worden gehanteerd. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen externe jobcoaching, jobcoaching in natura en interne jobcoaching.

a.Voor externe jobcoaching en jobcoaching in natura geldt een maximum uurtarief, waarbij voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV, onderdeel Q1;

b.Voor interne jobcoaching geldt een vast maximum bedrag, waarbij voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV, onderdeel Q2

3De vergoedingen zoals genoemd in het tweede lid, onderdeel b, betreffen de tarieven bij een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer.

4Voor zover een arbeidsovereenkomst minder dan 24 uur bedraagt, wordt het bedrag als bedoeld in het tweede lid onderdeel b, naar rato bijgesteld.

5De inzet van een interne jobcoach, externe jobcoach of jobcoach in natura kan voor zover noodzakelijk verlengd worden met een periode van zes maanden tot twee jaar.

6Bij iedere verlengingsperiode kan afhankelijk van de omstandigheden de noodzakelijke intensiteit van het begeleidingsniveau getoetst worden

7In individuele omstandigheden kan afgeweken worden van het bepaalde in het vijfde lid

8Indien toepassing wordt gegeven aan lid 7 worden voor de jaren 3 en verder de bedragen zoals genoemd in het tweede lid bij 'jaar 2' gehanteerd.

Artikel 8.4 Verantwoording jobcoaching

1Na afloop van iedere jobcoachperiode wordt binnen vier weken door de jobcoach een rapportage en urenregistratie, waarin de voortgang wordt beschreven, ingediend bij gemeente.

2De volgende zaken dienen na afloop van de jobcoachperiode te worden ingeleverd:

a.een verantwoording van de geboden uren (naar datum met de uitgevoerde werkzaamheden) en eventuele afwijkingen hierin. Als bijlage dient de urenregistratie jobcoaching ingevuld te worden.

b.een verantwoording over het jobcoachingsplan, waaruit blijkt in welke mate de jobcoachingsdoelen zijn gehaald;

c.een handtekening van jobcoach, de werkgever en de werknemer.

3Als voor afloop van de toegekende periode een aanvraag voor een verlenging van de jobcoachperiode wordt ingediend, dient hierbij een tussentijdse verantwoording te worden ingediend.

Artikel 8.5 Interne werkbegeleiding

1Interne werkbegeleiding als genoemd in artikel 17j van de verordening betreft begeleiding op de werkplek door een collega die een opleidingsmodule gericht op het begeleiden van werknemers uit de doelgroep heeft afgerond.

2De interne werkbegeleiding heeft aantoonbaar:

-ervaring met het geven van werkinstructies;

-ervaring met de werkzaamheden die de persoon dient uit te voeren;

-een aantal uren vrijstelling om de begeleiding op zich te kunnen nemen.

3De werkbegeleiding kan worden ingezet vanaf de eerste dag van de proefplaats of de arbeidsovereenkomst.

4De vergoeding voor een interne werkbegeleider is bedoeld ter compensatie van het productieverlies van de interne werkbegeleider.

5De vergoeding voor interne werkbegeleiding is mogelijk als de interne begeleiding meer is dan normale dagelijkse begeleiding, zijnde meer dan 1 uur per dag op basis van een werkdag van 8 uur.

De vergoeding voor de interne werkbegeleiding bedraagt eenmalig € 800,- bij een arbeidsovereenkomst van 6 maanden of langer. Bij een arbeidsovereenkomst korter dan zes maanden bedraagt de vergoeding eenmalig € 400,-. Deze vergoeding is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst van 24 uur per week of meer. Bij een arbeidsovereenkomst van minder dan 24 uur per week wordt het bedrag naar rato vastgesteld.

6De vergoeding wordt aangevraagd door de werknemer of door de werkgever. Betaling van de vergoeding voor interne werkbegeleiding geschiedt aan de werkgever.

7Samenloop van jobcoaching en interne werkbegeleiding is mogelijk als dit voorziet in de ondersteuningsbehoefte van de persoon, waarbij de jobcoach en de interne werkbegeleider verschillende personen zijn.

8Bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt geen terugvordering plaats van eventueel te veel betaalde vergoeding.

9De aanvraag moet ingediend zijn binnen 4 weken na start van de arbeidsovereenkomst of proefplaats en 4 weken na verlenging van de interne werkbegeleidingsinzet.

10De aanvraag wordt ingediend met gebruik van een gemeentelijk aanvraagformulier.

11In de aanvraag wordt de omvang van de noodzakelijke begeleiding vermeld en gemotiveerd, wordt een kopie van de arbeidsovereenkomst bijgevoegd en een certificaat van de behaalde opleiding inzake begeleiding van personen met een arbeidsbeperking van een bij hem in dienst zijnde persoon die als interne werkbegeleider optreedt.

Artikel 8.6 Begeleidingskosten participatievoorziening beschut werk

1De vergoeding voor de kosten van begeleiding bij een arbeidsovereenkomst in het kader van de participatievoorziening beschut werk bedraagt per periode van twaalf maanden maximaal het bedrag waarmee hiervoor rekening gehouden wordt bij de vaststelling van de integratie-uitkering Participatie van het gemeentefonds.

2Bij een periode korter dan twaalf maanden wordt de vergoeding naar evenredigheid vastgesteld.

Hoofdstuk 9 Verzekeringen

Artikel 9.1 Praktijkervaringspolis

Het college kan een verzekering afsluiten bij een verzekeraar, waarmee personen die in het kader van de re-integratieverordening activiteiten met behoud van uitkering verrichten, verzekerd zijn tegen een aantal vormen van aansprakelijkheid zoals bepaald in de verzekeringspolis.

Hoofdstuk 10 Incidentele loonkostensubsidie

Artikel 10.1 Doelgroep incidentele loonkostensubsidie

1Het college kan een incidentele loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst aanbiedt aan een persoon die een half jaar of langer aaneengesloten een uitkering ingevolge de wet ontvangt.

2De beoogde subsidieverlening heeft een incidenteel karakter en betreft geen structurele bekostiging.

Artikel 10.2 Criteria voor de incidentele loonkostensubsidie

1De werkgever biedt de in artikel 10.1 van deze nadere regels genoemde doelgroep een arbeidsovereenkomst aan met een ingangsdatum die ligt na de inwerkingtreding van deze nadere regels.

2De arbeidsovereenkomst heeft een minimale omvang van 20 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden.

3De werkgever biedt de in artikel 10.1 van deze nadere regels genoemde doelgroep een uitbreiding aan op een bestaande arbeidsovereenkomst van minder dan 20 uur. Inclusief de uitbreiding dient de omvang van de arbeidsovereenkomst minimaal 20 uur per week te bedragen voor een periode van tenminste 6 maanden.

4De arbeidsovereenkomst mag geen uitzendbeding bevatten.

5Voor zover de arbeidsovereenkomst een detacheringsconstructie betreft, dient in de arbeidsovereenkomst een volledige loondoorbetalingsverplichting te zijn opgenomen voor de duur van de arbeidsovereenkomst in het geval het werk bij de inlener komt te vervallen.

Artikel 10.3 Indienen van de aanvraag

1Een aanvraag voor een incidentele loonkostensubsidie wordt door de werkgever ingediend bij het college aan de hand van een volledig en juist ingevuld aanvraagformulier.

2Een aanvraag voor een incidentele loonkostensubsidie dient niet eerder dan een maand voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst te worden ingediend en niet later dan een maand na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 10.4 Geen recht op incidentele loonkostensubsidie

1De incidentele loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt.

2De incidentele loonkostensubsidie wordt alleen dan verstrekt als er voor dezelfde werknemer geen structurele loonkostensubsidie wordt verstrekt.

3Een incidentele loonkostensubsidie wordt niet verstrekt wanneer de werkgever reeds de maximale incidentele loonkostensubsidie heeft ontvangen op een arbeidsovereenkomst met dezelfde werknemer als waarop de nieuwe aanvraag betrekking heeft.

Artikel 10.5 Maximale hoogte van de incidentele loonkostensubsidie

1Een incidentele loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 2.000, - als er sprake is van een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden en kan voor dezelfde persoon maximaal twee keer worden aangevraagd.

2Een incidentele loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 5.000, - als er sprake is van een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur per week voor een periode van ten minste tenminste 12 maanden en kan voor dezelfde persoon maximaal één keer worden aangevraagd.

3Als er sprake is van uitbreiding van het aantal uren van een bestaande arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden bij dezelfde werkgever tot minimaal 20 betaalde uren per week gedurende minimaal 6 maanden, wordt de hoogte van de incidentele loonkostensubsidie naar rato bepaald op basis van het aantal uitgebreide uren en de duur van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 10.6 Uitbetaling incidentele loonkostensubsidie

1Om voor de uitbetaling van een incidentele loonkostensubsidie in aanmerking te komen dient de werkgever de volgende stukken te overleggen:

a.een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst;

b.een door de werkgever ondertekende verklaring de-minimissteun;

c.loonstroken waaruit de daadwerkelijke loonbetaling volgens de arbeidsovereenkomst blijkt.

2De werkgever dient de bewijsstukken genoemd onder het eerste lid van dit artikel in te dienen:

a.uiterlijk drie maanden na voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

b.uiterlijk drie maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst indien dit een contract is voor minder dan twaalf maanden;

c.uiterlijk vijftien maanden na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst indien dit een contract is voor minimaal twaalf maanden dan wel een contract voor onbepaalde tijd.

Artikel 10.7 Vaststelling en uitbetaling en terugvordering van de incidentele loonkostensubsidie

1Het college besluit tot vaststelling van de subsidie en stelt deze betaalbaar na ontvangst van de in artikel 10.6 van dit uitvoeringsbesluit genoemde stukken.

2De hoogte van de subsidie wordt afgestemd op het werkelijke aantal maanden of gedeelten van maanden waarover de in de arbeidsovereenkomst opgenomen aantal uren ook daadwerkelijk loon is betaald door de werkgever.

3Het college kan de incidentele loonkostensubsidie lager vaststellen als uit de verantwoordingsstukken blijkt dat de werkelijke loonkosten lager zijn dan de verstrekte incidentele loonkostensubsidie.

4Het teveel betaalde bedrag kan door het college worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 11 Structurele loonkostensubsidie

Artikel 11.1 Structurele loonkostensubsidie

1Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag structurele loonkostensubsidie aan de werkgever die een arbeidsovereenkomst aanbiedt aan een persoon als bedoelt in artikel 10c van de wet.

2Het college neemt bij het verstrekken van de structurele loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

Artikel 11.2 Verplichtingen van de werkgever en terugvordering

1De werkgever is verplicht om (voortijdige) beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen één maand aan het college te melden.

2De werkgever is voorts verplicht de juiste informatie te verstrekken, ofwel wijzigingen ten opzichte van eerder verstrekte informatie aan het college door te geven.

3Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen worden door het college teruggevorderd op grond van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 12 Werkvoorzieningen

Artikel 12.1 Vormen van voorzieningen

Het college kan de volgende voorzieningen werkplekaanpassing aanbieden:

a.aanpassingen aan vervoersvoorzieningen;

b.meeneembare voorzieningen;

c.dienstverlening voor doven of motorisch gehandicapten (intermediaire diensten);

d.werkplekaanpassingen bij de werkgever.

Artikel 12.2 Vervoersvoorzieningen

1Een vergoeding voor een aanpassing aan fiets of auto bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 6 maanden gedurende tenminste 24 uur per week.

2Indien er sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt indien er sprake is van een dienstverband van minimaal 6 maanden gedurende tenminste 4 uur per week.

3Van de kosten voor een periodieke vervoersvoorziening komt een bedrag van ten hoogst € 2.980,00 per periode van 12 maanden voor vergoeding in aanmerking. Het college kan dit bedrag indexeren.

4Bij een periode korter dan 12 maanden wordt de vergoeding als genoemd in het derde lid naar evenredigheid vastgesteld.

Artikel 12.3 Voorziening werkplekaanpassing

1Het college kan een voorziening werkplekaanpassing aanbieden aan een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie en/of een persoon met een structurele functionele beperking, die aan de volgende criteria voldoet:

a.de persoon verricht arbeid in een dienstbetrekking of werkt als zelfstandige;

b.de handicap duurt naar verwachting tenminste een jaar.

2De werkplekaanpassing voorziet in de verstrekking van een vergoeding voor de (eenmalige) noodzakelijke kosten van aanpassingen van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht.

3De kosten worden alleen vergoed voor zover zij niet behoren tot de normale kosten van inrichting van een werkplek en er geen sprake is van een voorliggende voorziening.

4Conform het bepaalde in artikel 4, lid 4, van de verordening maakt het college een afweging tussen de kosten en de baten van de te verstrekken voorziening.

5Een vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 6 maanden gedurende tenminste 24 uur per week.

6Indien er sprake is van beschut werken kan de vergoeding als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 6 maanden.

Hoofdstuk 13 Re-integratievergoedingen

Artikel 13.1 Vergoeding kosten werkaanvaarding

1Aan personen uit de doelgroep die uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid voor een periode van minimaal 6 maanden, kan een vergoeding worden gegeven voor de kosten welke direct samenhangen met deze werkaanvaarding.

2De persoon moet aannemelijk maken dat niet op een andere wijze in de financiering van deze kosten kan worden voorzien.

3De éénmalige vergoeding bedraagt maximaal € 750,00.

Artikel 13.2 Vergoeding reiskosten

1Aan personen uit de doelgroep die in verband met het volgen van een re-integratietraject ten behoeve van instroom in algemeen geaccepteerde arbeid, een woon-werk afstand moeten overbruggen van meer dan 10 kilometer wordt een vergoeding verstrekt voor de werkelijke reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede klas, of een vergoeding ter hoogte van de maximale belastingvrije vergoeding per kilometer.

2Onder de reiskosten zoals genoemd in het eerste lid worden mede verstaan de noodzakelijke reiskosten van en naar de kinderopvanglocatie voor zover daarvan gebruik wordt gemaakt.

3Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding zoals opgenomen in het eerste en tweede lid geldt de kortste route overeenkomstig de ANWB-routeplanner.

4Aan personen die vanwege medische redenen gebruik moeten maken van de deeltaxi:

a.in verband met het volgen van een re-integratietraject ten behoeve van de instroom in algemeen geaccepteerde arbeid, of:

b.behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en werk aanvaarden, of;

c.een structurele functionele beperking hebben en werk aanvaarden;

wordt een vergoeding verstrekt ter hoogte van de werkelijke kosten.

5Alle overige kosten voor de deelnemer, voor in opdracht van de werkgever uit te voeren werkzaamheden (bijvoorbeeld reis- en parkeerkosten, werkkleding, gereedschappen ed.) zijn, voor zover zij de gebruikelijke kosten niet overschrijden, voor rekening van de werkgever.

6De vergoeding als genoemd in de leden 1 tot en met 4 bedraagt maximaal € 2.700,00 per periode van 12 maanden.

7Bij een periode korter dan 12 maanden wordt de vergoeding als genoemd in het zesde lid naar evenredigheid vastgesteld.

Artikel 13.2.1 Reiskosten uitkeringsgerechtigden met een inburgeringsplicht

1Uitkeringsgerechtigden met een inburgeringsplicht komen gedurende de hele periode waarin scholing wordt gevolgd, in aanmerking voor reiskosten voor inburgering en re-integratie in de vorm van een Meedoenpas OV voor busvervoer in heel Noord-Brabant indien de reisafstand naar het volgen van inburgeringslessen danwel re-integratie meer dan 10 km bedraagt. De Meedoenpas OV voor inburgeraars kan ingezet worden voor alle reiskosten, ook wanneer het gaat om reiskosten van en naar de kinderopvanglocatie;

2Bij een reisafstand van minder dan 10 km wordt de uitkeringsgerechtigde met een inburgeringsplicht geacht deze afstand per voet of fiets te kunnen afleggen en komt hij niet in aanmerking voor een reiskostenvergoeding;

3Wanneer de uitkeringsgerechtigde met een inburgeringsplicht aantoonbaar om medische redenen niet in staat kan worden geacht te fietsen, kan alsnog een vergoeding in de reiskosten worden gedaan, afhankelijk van de behoefte.

Artikel 13.3 Kinderopvang

Aan personen uit de doelgroep van artikel 7 lid 1 sub a van de P-wet, die in verband met het volgen van een re-integratietraject ten behoeve van instroom in algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden deze kosten vergoed voor zover:

a.De Wet Kinderopvang, een kinderopvangtoeslag of een kind gebonden budget geen voorliggende voorziening is, en;

b.De werkgever geen voorzieningen heeft getroffen ten behoeve van kinderopvang.

Hoofdstuk 14 Overige re-integratievoorzieningen

Artikel 14.1 Overige re-integratievoorzieningen

1Voor zover de voorzieningen zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de verordening niet voldoen aan de specifieke vereisten van de noodzakelijke ondersteuning van een individueel persoon, kan een vergoeding voor een andere noodzakelijk geachte re-integratievoorziening worden verstrekt.

2De voorziening moet noodzakelijk zijn om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te kunnen realiseren.

3De voorziening moet aansluiten op de mogelijkheden van de persoon.

4De hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 1.500,00 en is afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijk geachte kosten.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Artikel 15.1 Overgangsrecht

1Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de nadere regels Re-integratie Participatiewet 2020 gemeente Zundert met ingangsdatum 1 januari 2020 behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit diezelfde nadere regels voor de duur:

a.van twaalf maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van Nadere regels Re-integratie Participatiewet 2024 gemeente Zundert’, of

b.dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode bedoeld onder lid 1 sub a van dit artikel.

2Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a bedoelde periode besluiten of een voorziening wordt voortgezet.

Artikel 15.2 Inwerkingtreding

1Deze nadere regels treden in werking de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 augustus 2024.

2De nadere regels re-integratie Participatiewet gemeente Zundert 2020 worden gelijktijdig ingetrokken.

Artikel 15.3 citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Nadere regels Re-integratie Participatiewet 2024 gemeente Zundert’.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.