Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;
gelet op het bepaalde in art. 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving jo. art. 5.18 en art. 5.21 Omgevingswet,
overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen ten behoeve het verlenen van omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een beperkte planologische betekenis,
besluit:
vast te stellen:
–Beleidsregels kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
en in te trekken:
–Kruimengevallenbeleid Zundert
2. Beleidsregels
2.1 Beoordeling aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Artikel 2.1.1 Definities
Op deze beleidsregels zijn de volgende definities van toepassing:
•college: college van burgemeester en wethouders
•de begrippen in Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.1.2 Verlenen omgevingsvergunning
Het college verleent in beginsel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit in de zin van de Omgevingswet waarvan de aanvraag voldoet aan alle voorwaarden uit paragraaf 2.2 en waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is op grond van een bepaling uit paragraaf 2.3.
2.3 Specifieke beoordelingsregels
Artikel 2.3.1 Bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bijbehorende bouwwerk of de uitbreiding daarvan gelegen binnen de bebouwde kom.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:
a.bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
b.de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;
c.de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;
d.het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijke erf tot een maximum van 90 m2;
3Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij andere gebouwen dan woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:
a.bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
b.de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;
c.de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;
d.het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijke erf bedraagt;
e.op bedrijventerreinen de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt.
4Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de uitbreiding van een hoofdgebouw in het geval er sprake is van een woning , mits:
a.de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt aan de zijde(n) waar geen aaneen gebouwd ander hoofdgebouw is gelegen;
b.de breedte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:
1°voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;
2°voor half vrijstaande, geschakelde en aaneen gebouwde hoofdgebouwen: 10 m;
c.de diepte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:
1°voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;
2°voor half vrijstaande, geschakelde en aaneen gebouwde hoofdgebouwen: 12 m;
d.het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;
e.de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de voorgevelrooilijn/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter;
f.de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens dient minimaal 8 meter te bedragen, indien de bestaande afstand minder bedraagt geldt deze afstand.
5Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de uitbreiding van een hoofdgebouw betreffende een ander gebouw dan een woning, mits:
a.de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 5 m bedraagt aan de zijde(n) waar een ander hoofdgebouw is gelegen;
b.het bouwvlak, of het geldende maximaal te bebouwen percentage hiervan, wordt met maximaal 10% vergroot;
c.het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;
d.de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de voorgevelrooilijn/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter
6Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan voor de voorgevel van het hoofdgebouw (voorerfgebied), mits:
a.de diepte, gemeten vanuit de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, bedraagt maximaal 1,5 m;
b.de oppervlakte bedraagt maximaal 6 m²;
c.de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met maximaal 0,35 m;
d.de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt ten minste 1,5 m.
7Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan voor de voorgevel van het hoofdgebouw zonder achtererf mits:
a.het bouwwerk op eigen grond wordt gebouwd;
b.de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het voorerf maximaal 10 m² bedraagt en zich beperkt tot maximaal 50% van de oppervlakte van het voorerfgebied;
c.de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt, vermeerderd met 0,35 m;
d.de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3,0 m bedraagt.
Artikel 2.3.2 Bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bijbehorende bouwwerk of de uitbreiding daarvan:
a.met een hoogte niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, en
b.een oppervlakte niet groter 150 m2,
gelegen buiten de bebouwde kom.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij recreatiewoningen mits:
a.de recreatiewoning gelegen is op het park Patersven aan de Kleine Heistraat te Wernhout;
b.het bijbehorende bouwwerken zijn, die minimaal 1 m achter de voorgevel van de recreatiewoning worden gebouwd;
c.de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;
d.het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het zij- en achtererf tot een maximum van 25 m²;
e.de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2,5 meter bedraagt, niet zijnde de perceelsgrens aan een toegangsweg.
Artikel 2.3.3 Gebouwen voor infrastructurele of openbare voorziening
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer:
a.met een hoogte niet hoger dan 5 m, en
b.een oppervlakte niet groter dan 50 m2.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.
Artikel 2.3.4 Bouwwerken niet zijnde een gebouw
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bouwwerk, niet zijnde een gebouw:
a.met een hoogte niet hoger dan 10 m, en
b.een oppervlakte niet groter dan 50 m2.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits:
a.De bouwhoogte van erfafscheidingen in en op het zij-erf ter plaatse van een hoekwoning ten hoogste 2 m bedraagt, voor zover gelegen achter het verlengde van de voorgevelrooilijn of voorzijde bouwvlak;
b.De bouwhoogte van erfscheidingen bij andere gebouwen dan woningen ten hoogste 3 m bedraagt.
Artikel 2.3.5 Dakkapellen, dakopbouwen, en gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.
Artikel 2.3.6 Antenne-installaties
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een antenne-installatie met een hoogte niet hoger dan 40 m.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een niet-vrijstaande antenne-installatie is mogelijk mits:
a.De antennes worden geplaatst op gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan 15 meter;
b.De antenne en antennedrager niet hoger zijn dan 5 meter vanaf de bovenkant van het gebouw of het bouwwerk, geen gebouw zijnde en in totaliteit niet hoger zijn dan 40 meter, gemeten vanaf het maaiveld.
3Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een vrijstaande antenne-installatie is mogelijk.
Artikel 2.3.7 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekracht koppeling
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.
Artikel 2.3.8 Niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.
Artikel 2.3.9 Tijdelijk gebruik
1Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de artikelen 2.3.1 tot en met artikel 2.3.8, voor een termijn van ten hoogste 15 jaar.
2Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits:
a.de aanvraag betrekking heeft op het gebruik van een tijdelijke woning gedurende de periode dat op hetzelfde perceel, of in de directe nabijheid daarvan, bouw- of verbouwactiviteiten voor een permanente woning worden uitgevoerd en permanente bewoning redelijkerwijs nog niet mogelijk is;
b.uit de aanvraag voldoende blijkt dat aannemelijk is dat de activiteit kan en zal worden beëindigd aan het einde van de termijn zonder onomkeerbare gevolgen;
3Een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is verleend met toepassing van dit artikel kan worden verlengd of opnieuw worden verleend zolang de opgetelde duur van het toegestane, tijdelijke gebruik niet langer is dan 15 jaar.