3 Algemene kaders en instrumenten voor grondverzet
3.2 De regionale Bodemfunctiekaart en Bodemkwaliteitskaart
3.2.1 Inhoud regionale bodemkwaliteitskaart
De regio Midden-Holland heeft één Bodemkwaliteitskaart (BKK) inclusief Bodemfunctiekaart (BFK). Anders dan dat de titel doet vermoeden bestaat de BKK uit een verzameling van kaarten. Voor de regionale BKK gaat het om:
-De Bodemfunctiekaart (Bijlage 4), welk de bodemfunctie én ambitie voor een gebied weergeeft.
-De Zonekaarten bovengrond (Bijlage 5), welk de zonering van Midden-Holland op basis van gebiedskenmerken en de chemische kwaliteit van de bovengrond
20,0-0,50 meter onder maaiveld
per zone weergeeft. Het gaat om een individuele zonekaart voor klassieke stoffen en PFAS.
-De Zonekaart ondergrond (Bijlage 5), welk de zonering van Midden-Holland op basis van gebiedskenmerken en de chemische kwaliteit van de ondergrond
30,50-2,00 meter onder maaiveld
per zone weer geeft. Zowel klassieke stoffen en PFAS zijn in dezelfde kaart gezoneerd voor de ondergrond.
-De Ontgravingskaart bovengrond (Bijlage 6), welk de diffuse bodemkwaliteit van de bovengrond per zone weergeeft. Het gaat om een gezamenlijke ontgravingskaart voor klassieke stoffen en PFAS.
-De Ontgravingskaart ondergrond (Bijlage 6), welk de diffuse bodemkwaliteit van de ondergrond per zone weergeeft. Het gaat om een gezamenlijke ontgravingskaart voor klassieke stoffen en PFAS.
-De Toepassingskaart generiek kader bovengrond, welk de toepassingseis voor de bovengrond weergeeft o.b.v. landelijke/generieke kader. Het gaat om een gezamenlijke toepassingskaart voor klassieke stoffen en PFAS.
-De Toepassingskaart generiek kader ondergrond, welk de toepassingseis voor de ondergrond weergeeft o.b.v. het landelijke/generieke kader. Het gaat om een gezamenlijke toepassingskaart voor klassieke stoffen en PFAS.
In de Bodematlas van Midden-Holland
4https://atlas.odmh.nl/Bodem/
zijn alle kaarten digitaal te raadplegen onder het thema BKK.
De volledige regionale BKK met toelichting is te vinden in de losstaande rapportage [4]. Op de volgende pagina zijn de bodemfunctie en ontgravingskwaliteit van de bovengrond en ondergrond weer gegeven. De regionale BKK kan dienen als milieuhygiënisch verklaring voor zowel de klassieke stoffen als PFAS. Zie voor meer informatie paragraaf 3.4.
De BKK doet geen uitspraak over en is niet te gebruiken voor uitgesloten locaties. Dit zijn onder meer:
-Spoorwegen, provinciale wegen en rijkswegen. Inclusief onverharde berm tot 10 meter van het verharde wegdeel.
-(voormalig) Stortplaatsen
-Locaties vervuild door lokale puntbronnen
-De meeste gesaneerde locaties
-Waterbodems
-Grondwater
-De bodemlaag dieper dan 2 meter onder maaiveld.
3.2.2 Zonering bovengrond
In onderstaande Tabel 3 staat de zonering met bijbehorende bodemfunctieklassen en ontgravingsklassen van de bovengrond van Midden-Holland. Voor de bovengrond geldt een verschil in zonering tussen klassieke stoffen en PFAS. Hierdoor liggen in sommige zones voor klassieke stoffen regelmatig meerdere PFAS-zones. Dit is verwerkt in onderstaande tabel.
Tabel 3: Zonering met bodemfunctieklassen en ontgravingsklassen klassieke stoffen en PFAS bovengrond uit BKK Midden-Holland [4].
Klassieke stoffen zones
PFAS-zones
Bodemfunctieklasse
Ontgravingsklasse Klassieke stoffen
Ontgravingsklasse PFAS
Bovengrond, zijnde vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B1 Binnenstad Gouda
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
B2 Binnenstad Schoonhoven
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
B3 Kern Bodegraven
Zone 3
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
B4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Zone 3
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Zone 3
B7 Oude bebouwing
1900-1940 Gouda,
Bodegraven, Reeuwijk,
Boskoop
Zone 2
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
B8 Uitbreidingen 19401990 (noord+oost)
Zone 2
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
B9 Uitbreidingen
1940-1970
(zuid+west)
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Zone 1
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
Landbouw/ natuur
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Zone 3
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Zone 1
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Zone 3
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Zone 3
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Zone 2
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Zone 3
B17 Oude industrie
Zone 1
Industrie
Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
B18 Lichte industrie en bedrijven
Zone 1
Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Zone 1
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
B20 Buitengebied zeekleipolders incl. rand
Zone 2
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
Zone 2
Landbouw/ natuur
Zone 3
B21 Buitengebied toemaakdek
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Zone 3
B22 Buitengebied boomkwekerijen
(inclusief OCB’s)
Zone 3
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
B23 Buitengebied overig
Zone 1
Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 3
Landbouw/natuur
Zone 1
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 1
Landbouw/ natuur
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
3.2.3 Zonering ondergrond
In onderstaande Tabel 4 staat de zonering met bijbehorende bodemfunctieklassen en ontgravingsklassen van de ondergrond van Midden-Holland. Voor de ondergrond geldt dat PFAS één zone is. Hierdoor is sprake van een zonering die zowel klassieke stoffen als PFAS bevat. Iedere zone voor klassieke stoffen van de ondergrond deelt dezelfde PFAS-zone.
Tabel 4: Zonering met bodemfunctieklassen en ontgravingsklassen klassieke stoffen en PFAS ondergrond uit BKK Midden-Holland [4].
Klassieke stoffen zones
Bodemfunctieklasse
Ontgravingsklasse klassieke stoffen
Ontgravingsklasse PFAS
Ondergrond, zijnde van 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
O1 Binnenstad Gouda
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
O2 Binnenstad Schoonhoven
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
O3 Kern Bodegraven
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
O7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid+west)
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O11 Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
O13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
O14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
O16 Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
O17 Oude industrie
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
O18 Lichte industrie en bedrijven
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
O19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
O20 t/m 23 Buitengebied
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
4 Gebiedsspecifiek beleid voor grondverzet
4.2 Gebiedsspecifieke Toepassingseisen voor grond
4.2.1 Toepassen van grond naar een zone
In Midden-Holland geldt dat de gebiedsspecifieke toepassingseis de functie van de ontvangende locatie betreft. In de praktijk betekent dit dat grond toe te passen is als deze aan de kwaliteitseis van de lokale functie voldoet, ongeacht de bodemkwaliteit van de ontvangende locatie. Versimpeld gesteld: in Midden-Holland geldt het principe: Functie is leidend. Bijlage 10 geeft de LMWs per zone aan, deze zijn dus gelijk aan de functie van iedere zone of ontvangende locatie. Met deze nota geldt dit gebiedsspecifieke beleid nu ook voor PFAS.
Deze gebiedsspecifieke toepassingseis geldt vanwege verschillende redenen:
-Veel BKK-zones in Midden-Holland hebben een schonere ontgravingskwaliteit, met name de ondergrond, dan de bodemfunctie. De generieke toepassingseis is de strengste van de functie en de bodemkwaliteitsklasse. Dit betekent dat voor deze zones eis strenger is dan dat de functie toe laat. Terwijl juist de functie zich richt op de risico’s voor mens en natuur. Deze, vanuit risico-perspectief, onnodig strenge eisen werken beperkend voor het grondverzet. Daarnaast zorgt dit voor een vreemde verdeling van grondtoepassingen wanneer sprake is van een grote regionale schaarste aan grond. Het is milieutechnisch bijvoorbeeld juist wenselijker om woongrond te (her)gebruiken in woonwijken en niet in industriegebieden met ontgravingskwaliteit wonen. Door de functie leidend te maken stimuleert de regio dus ook hoogwaardig hergebruik van grond. Het hergebruik van een bepaalde kwaliteitsklasse grond op locaties waar deze risico-technisch de minimale eis zorgt hiervoor. Zie ook Voorbeeld 2 in het kader onderaan deze pagina.
-De toets op alleen functie een eenduidig en goed werkbaar toetsingskader dat ook goed uitlegbaar is.
-Door de functie aan te houden ontstaan namelijk geen risico’s. Ook hanteren we stand-still op gebiedsniveau in plaats van locatieniveau.
-Dit beleid geldt al sinds 2011 voor de regio Midden-Holland en leidde tot positieve ervaringen.
Voorbeeld 2: Hoogwaardige gebruik stimuleren door landbouw/natuurgrond beschikbaar te houden voor landbouw/natuurgebieden
De afgelopen jaren zijn er veel nieuwe woonwijken en industriegebieden ontwikkelt in het (voormalig) buitengebied van de regio. Denk dan bijvoorbeeld aan Westergouwe in Gouda, Weideveld in Bodegraven en het toekomstige Vijfde Dorp in Zuidplas. Veelal hebben deze gebieden een originele ontgravingskwaliteit van landbouw/natuur. Zonder dit gebiedsspecifieke beleid zou dit ook de eis zijn voor deze nieuwe ontwikkelingen. Maar door het gebiedspecifieke beleid is het ook mogelijk woon- of industriegrond toe te passen. Dit betekende dat in het algemeen meer grond toepasbaar is. Hierdoor blijft op deze wijze meer grond met kwaliteitsklasse Landbouw/natuur beschikbaar om te hergebruiken in het buitengebied omdat deze niet gebruikt moet worden voor deze nieuwe woonwijken en industriegebieden.
4.2.2 Toepassen van grond binnen een zone
In Midden-Holland geldt dat de grond vrij toepasbaar als deze vrijkomt- en toegepast wordt binnen dezelfde BKK-zone. Uitzondering hierop zijn zones: B1, B2, B4, B5, B6, B11, B12, B13, B15, B16, B17, O1, O2, O6, hier gelden beperkingen voor toepassingen voor locaties met de bodemfunctie moestuinen en mogelijk ook wonen met tuin of speelplaatsen. Deze beperkingen zijn verwerkt in de grondstromenmatrix (paragraaf 4.3.3 en 4.3.4) en zijn het resultaat van de risicobeoordeling (Bijlage 11).
Bovengenoemde toepassingseis geldt om lokaal hergebruik van grond te faciliteren zonder aanvullende risico’s te laten ontstaan. Meerdere BKK-zones in Midden-Holland hebben namelijk een slechtere ontgravingskwaliteit dan de functie
7B1, B2, B4, B5, B6, B11, B12, B13, B15, B16, B17, B21, B22, B23, O1, O2, O6, O15, O17
. Het hanteren van de gebiedsspecifieke toepassingseis (Functie is leidend) uit paragraaf 4.3.1 heeft vergaande consequenties voor grondverzet. In deze zones zou grond die vrijkomt op dezelfde (ontgravings)locatie niet toepasbaar zijn. Met name in grote delen van het landelijk gebied zal dit leiden tot knelpunten. Deze zones zijn door de eeuwen heen diffuus verontreinigd geraakt en juist in het landelijk gebied staan veel (natuur-)ontwikkelingen met grondverzet gepland. Het is zeer wenselijk om binnen een zone grond te kunnen hergebruiken, mits er geen sprake is van risico’s.
Let op! Deze regel geldt voor grond met maximaal kwaliteitsklasse Industrie. Meer verontreinigde grond is niet vrij toepasbaar binnen een BKK-zone. Dit zou leiden tot onaanvaardbare risico’s. Voor saneringsplannen en -locaties geldt ander beleid dat niet in deze nota beschreven is.
4.2.3 Grondstromenmatrix klassieke stoffen
Tabel 5: Grondstromenmatrix klassieke stoffen.*M.u.v. moes-/volkstuinen. **M.u.v. moes-/volkstuinen en wonen met tuin. ***M.u.v. moes-/volkstuinen, wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen. **** Voor toemaakdek geldt dat de BKK als bewijsmiddel niet bruikbaar is, grondverzet vanuit deze zone vereist dus veelal een partijkeuring.
Klassieke stoffen- Zone
Ontgravingsklasse
Toepasbaar op locatie met functie
Bruikbaar in eigen zone
AW
Wo
In
B1
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B2
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja***
B3
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
B4
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B5
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B6
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B7
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
B8
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
B9
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
B10
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
B11
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B12
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B13
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B14
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja*
B15
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B16
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B17
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
B18
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
B19
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
B20
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
B21****
Industrie
Nee
Nee
Ja****
Ja****
B22
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja
B23
Wonen
Nee
Nee
Ja
Ja
O1
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja**
O2
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja**
O3
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O4
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O5
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O6
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja*
O7
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O8
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
O9
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O10
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
O11
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O12
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O13
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O14
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
O15
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja
O16
Wonen
Nee
Ja
Ja
Ja
O17
Industrie
Nee
Nee
Ja
Ja
O18
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
O19
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
O20 t/m 23
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
4.2.4 Grondstromenmatrix PFAS
Tabel 6: Grondstromenmatrix PFAS bovengrond.
PFAS-Zone
Ontgravingsklasse
Toepasbaar op locatie met functie
Bruikbaar in eigen zone
AW
Wo
In
Bovengrond 1
Wonen/industrie
Nee
Ja
Ja
Ja
Bovengrond 2
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
Bovengrond 3
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
Ondergrond 1
Landbouw/natuur
Ja
Ja
Ja
Ja
4.3 Aanvullende gebiedsspecifieke toepassingseisen voor grond
4.3.1 Lokale maximale waarde molybdeen buitengebieden
In het landelijk gebied (zones: B20, B21, B22, B23, O20-23) hanteert de regio een LMW van 3,0 mg/kg voor molybdeen.
De waarde voor molybdeen voor kwaliteitsklasse Landbouw/natuur bedraagt normaal 1,5 mg/kg. Regelmatig bevatten partijen grond lichte overschrijdingen voor molybdeen waardoor grondverzet in het buitengebied niet kan plaatsvinden. Terwijl in het buitengebied op onverdachte percelen ook verhoogde gehalten molybdeen voorkomen. De 95-percentielwaarden van molybdeen in de zones van het landelijk gebied liggen namelijk rond 3,0 mg/kg. Deze al voorkomende waarde geldt daarom voor het landelijk gebied als LMW. In Bijlage 11 staat de risicobeoordeling van deze LMW beschreven.
4.3.2 Toegestaan percentage vreemde bodembijmengingen
Indien blijkt dat een partij grond qua kwaliteitsklasse voldoet aan de toepassingseis, wil dit nog niet zeggen dat deze altijd toepasbaar is. Er blijft een kans bestaan dat een partij grond afwijkt van de te verwachten kwaliteit. Dit is te controleren aan de hand van zintuiglijke waarnemingen. Hierbij is aandacht nodig voor:
-Hoeveelheid bodemvreemd materiaal, zoals puin, stenen, glas, slakken, asfalt en asbest (zie voor asbest ook paragraaf 5.3.3)
-geur, zoals olie, benzine en oplosmiddelen
-oliefilm.
Het Besluit bodemkwaliteit hanteert een maximum gewichtspercentage van 20% aan bodemvreemde
bijmengingen. Gemeenten mogen als bevoegd gezag eisen stellen aan dit maximum percentage bodemvreemd materiaal als onderdeel van het gebiedsspecifieke beleid. De regio Midden-Holland hanteert voor bepaalde zones een strenger maximum percentage bodemvreemd materiaal (Tabel 7). Dit lokale beleid is niet geldig voor grond van klasse landbouw/natuur
8Artikel 39 Bbk.
.
Tabel 7: Eisen aan maximum (gewichts)percentage bodemvreemde bijmengingen in Midden-Holland.
Zones/gebieden
Maximum (gewichts)percentage bodemvreemde bijmengingen
Historische woongebieden van voor 1940 én industriegebieden: zones 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19
20%
Woonwijken na 1940: zones 8, 9, 10
10%
Landelijk gebied: zones 20, 21, 22, 23
2%
4.3.3 Gebruik externe Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel
Binnen de regio geldt de BKK (met vooronderzoek) van Midden-Holland als geldig milieuhygiënische bewijsmiddel voor grond. Daarnaast accepteert de regio een vastgestelde BKK van andere gemeenten als geldig bewijsmiddel, mits deze gemeente binnen het bodembeheergebied ligt. Daarnaast dient men dit voorafgaand met de ODMH te overleggen zodat zij deze BKK kunnen controleren. Hierbij kijkt zij met name naar de gevolgde normering van stoffen en de wijze van totstandkoming van de BKK.
4.3.4 Wegen, spoorwegen en wegbermen
Wegen, sporen en bijbehorende bermen
9Tot 10 meter horizontaal van het verharde wegdek. Zie Bijlage 12 voor de begrenzing.
zijn een afwijkend ten opzichte van de zone waarin zij liggen. Achterliggende reden hiervoor is dat er lokaal sprake kan zijn van verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen zoals PAK’s, zware metalen en minerale olie.
De BKK doet dan ook geen uitspraak over de bodemkwaliteit van snel-, provinciale wegen en spoorwegen incuslief de bijbehorende berm [4]. Vrijkomende grond uit wegtracé ‘s en wegbermen van deze uitgesloten locaties dient men altijd te keuren. Vrijkomende grond uit (bermen en wegtracé’s van) binnenwegen binnen de bebouwde kom valt wel onder de BKK.
Voor het toepassen van grond in wegtracé’s of wegbermen gelden lokale toepassingseisen (LMW’s):
-Voor gemeentelijke wegen in de bebouwde kom geldt als toepassingseis de lokale functie van de omgeving. Dit komt omdat de weg(berm) dichtbij bebouwing of functie gesitueerd is.
-Voor gemeentelijke wegen in het landelijk gebied geldt als toepassingseis de ontgravingskwaliteit van de desbetreffende BKK-zone. Dit kan beteken dat grond met kwaliteitsklasse wonen en/of industrie toepasbaar is. Binnen de regio is dit geaccepteerd omdat het wegtracé en de wegberm niet de locaties zijn van de zone waar de functie landbouw/natuur direct zijn. Dit levert geen aanvullende risico’s op en zorgt ervoor dat schone grond beschikbaar blijft voor locaties waar wel direct deze bodemfunctie geldt. Deze regel geldt ook voor alle wegen buiten de bebouwde kom in beheer van een waterschap.
-Voor provinciale wegen, rijkswegen en spoorbanen geldt als toepassingseis de kwaliteitsklasse Industrie. Achterliggende reden is dat deze locaties zeer waarschijnlijk al verontreinigd zullen raken door het weggebruik. Dit is ook in lijn met de wetgeving voor Grootschalige Bodem toepassingen
10Besluit bodemkwaliteit, artikel 63, lid 6
(GBT’s).
4.3.5 Gescheiden ontgraven bij werk in leiding- en/of kabeltracés en herinrichting van terreinen
Vanuit het Bbk geldt dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond toegestaan is. Indien deze vervolgens op of nabij deze dezelfde plaats onder dezelfde condities terug gebracht wordt. Formeel moet men dan de vrijgekomen grond in dezelfde laag terugbrengen.
Echter is het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond in de praktijk moeilijk uitvoerbaar, met name bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. De vrijkomende grond bij dit soort werkzaamheden komt namelijk vaak in één depot terecht, zonder dat daarbij onderscheidt is gemaakt tussen boven- en ondergrond. Consequentie hiervan is dat de grond geroerd in de sleuf terugkomt. Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten heeft de regio hier eigen beleid voor.
De regio Midden-Holland staat toe dat men binnen het traject van 0,0-2,0 m-mv de boven- en ondergrond gemengd mag ontgraven, opslaan en terugplaatsen bij werkzaamheden voor kabels, riolering en leidingen.
Let op! Dit geldt alleen voor grondverzet binnen “het werk”. Daarnaast geldt bij het terugplaatsen van de grond de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming wel nog steeds.
Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het (op)mengen van verschillende kwaliteitsklassen.
Dit is geaccepteerd omdat:
-De kwaliteit van de bovengrond zal veelal verbeteren. Meestal heeft de ondergrond namelijk een betere kwaliteit dan de bovengrond.
-Er is geen toename in bodemrisico’s omdat de bovengrond de contactzone is en deze veelal verbetert van kwaliteit door te roeren.
-Na de werkzaamheden vindt meestal afdekking plaats van de bovengrond met bestrating.
-De grond is ter plaatse van de (leiding)tracé’s vaak in het verleden ook al vermengd geraakt.
Figuur 6: Werk aan kabels en leidingen.
Het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond kan ook bij herinrichting van terreinen een onevenredige zware inspanning eisen. Bijvoorbeeld bij het graven van sloten en de vrijkomende grond gebruiken voor het dempen van bestaande watergangen in de directe nabijheid. Omdat de ondergrond veelal schoner is dan de bovengrond zal dergelijk grondverzet dikwijls leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de contactzone (bovengrond) en hiermee gunstig zijn voor het gebruik van de bodem. De regio Midden-Holland staat deze vorm van grondverzet daarom toe, na overleg met de ODMH per geval.
4.3.6 Provinciale grondwaterbeschermingsgebieden
In de gemeente Krimpenerwaard, liggen meerdere gebieden die vanwege (toekomstige) drinkwaterwinning aanvullend beschermd zijn. Het gaat dan om volgende type gebieden die aangewezen zijn door de Provincie Zuid-Holland:
-Waterwingebieden (Ww).
-Grondwaterbeschermingszone (Gbw).
-Boringsvrije zone (Bvz).
-Algemene strategische voorraad (Asv).
Een kaart van deze gebieden is te vinden in Bijlage 9 en in de bodematlas van de ODMH.
Deze gebieden zijn aangewezen door de provincie. Om hen uit voorzorg beter te beschermen gelden in deze gebieden ook lokale regels voor het toepassen van grond. Hierbij is er onderscheidt tussen waterwingebieden en de overige drie gebiedstypen. Dit gaat om aanvullende bepalingen bovenop de andere eisen en regels uit deze nota bodembeheer.
In waterwingebieden geldt dat alleen grond met kwaliteitsklasse Landbouw/natuur of Wonen toegepast mag worden, afhankelijk van de functie van ontvangende locatie. Dit betekent dat de toepassingseis in industriegebieden die liggen in een Ww minimaal kwaliteitsklasse Wonen is.
In grondwaterbeschermingszones, boringsvrije zones en algemene strategische voorwaarden geldt dat grond met kwaliteitsklasse industrie enkel is toegestaan mits:
-De grond uit hetzelfde gebied of een aanliggende Gbw, Bvz, en Asv komt.
-De ontgravingskwaliteit van de ontvangende bodem is kwaliteitsklasse Industrie.
-De functie van de ontvangende locatie is Industrie.
4.3.7 Toepassingseis voor Glastuinbouw
Voor glastuinbouwgebieden en -percelen geldt dat de toepassingseis (LMW) klasse wonen is.
Glastuinbouw is ingedeeld met recente bedrijfsterreinen en kantoren. De regio acht het echter niet duurzaam om bij glastuinbouw kwaliteitsklasse industrie toe te passen. Deze LMW geldt ook als de tuinder kweekt op substraat of het geen voedingsgewas betreft. Het is namelijk moeilijk te controleren of glastuinbouwbedrijven tussentijds omschakelen naar andere teelt of substraat.
4.4 Gebiedsspecifieke eisen voor het toepassen en verspreiden van baggerspecie
4.4.1 Beleid voor het verspreiden van bagger
Vanuit het generieke kader is bagger(specie) verspreidbaar op de landbodem (of in baggerdepots) van aangrenzende percelen als deze:
-Als verspreidbaar uit de msPAF-toets komt of vastgestelde waterbodemkwaliteitskaart
-dusdanig onverdacht is dat geen onderzoek noodzakelijk is.
In de toelichting op het Bbk is het begrip “aangrenzende perceel” slechts summier toegelicht en er is geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied [13].
De regio Midden-Holland vult het begrip aangrenzend perceel in als: maximaal 10 kilometer hemelsbreed tot de watergang waaruit de bagger(specie) vrijkomt. Voor bagger die niet vrijkomt binnen de regio maar wel binnen het bodembeheergebied geldt dezelfde 10 kilometergrens bij verspreiding in de regio. Het gebruik van bagger in weilanddepots en geotubes valt ook binnen het begrip verspreiden, hierdoor geldt de afstandsgrens van 10 kilometer ook voor deze objecten.
Voor deze afstandsgrens gelden meerdere achterliggende redenen:
-De 10 kilometergrens komt overeen met het nieuwe generieke kader voor het verspreiden van bagger na ingang van de Omgevingswet. Hierdoor lopen we vooruit op een aankomende wetswijziging. Dit creëert voor de komende periode een duidelijk eenduidig kader waarbinnen baggerwerkzaamheden kunnen plaatsvinden.
-Veelal zal bagger in hetzelfde gebiedstype blijven. Hierdoor zal sprake zijn van gebiedseigen grond met vergelijkbare chemische kwaliteit als de ontvangende bodem, mits geen lokale puntbronnen aanwezig zijn. Daarnaast zijn water en bodem één integraal systeem, er is daardoor sprake van stand-still op gebiedsniveau.
-Voor de milieuhygiënische kwaliteit maakt de afstand tot de oorsprongslocatie niet uit. De daadwerkelijke kwaliteit bepaalt of bagger op de landbodem verspreidbaar is of niet. Desondanks heeft het zoveel mogelijk lokaal verspreiden van bagger wel voordelen zoals verminderde CO2 uitstoot.
-In het verleden gold in Midden-Holland al een verruimende afstandsgrens voor het verspreiden van bagger [18,19]. Specifiek mocht men bagger verspreiden binnen de gehele BKK-zone. In de buitengebieden was dit vaker een afstandsbereik van meer dan 10 kilometer. Uit gesprekken met twee waterschappen (Rijnland en Schieland en Krimpenerwaard) blijkt dat 10 kilometer een goed werkbare afstand is.
4.4.2 Beleid voor het toepassen van bagger
De gebiedsspecifieke toepassingsnormen (LMW’s) voor grondverzet tussen BKK-zones gelden ook voor bagger(specie). In wezen geldt bij toepassen geen verschil tussen grond en bagger. Dit betekent dat initiatiefnemers voor het toepassen van bagger moeten voldoen aan de bodemfunctie van de toepassingslocatie.
Let op! Het toepassen en verspreiden van bagger zijn wettelijk twee van elkaar verschillende manieren. De toetsingscriteria voor baggerspecie verspreiden (msPAF-toets) en toepassen (LMW’s) verschillen.
Bijlage 1: Begrippenlijst
In onderstaande Tabel 9 is de definitie opgenomen van inhoudelijke begrippen die veelvoudig in deze nota voorkomen.
Tabel 9: Begrippenlijst.
AW2000, AW of achtergrondwaarde
Landelijk vastgestelde aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Baggerspecie
Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm.
Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
Algemene Maatregel van Bestuur die op 1 juli 2008 in werking is getreden, met regels over de kwaliteit van bodem
Bodembeheergebied
Gebied waarbinnen het gebiedsspecifieke beleid geldt
Bodemfunctieklassenkaart (BFK)
Kaart met daarop een indeling van de gemeente of beheergebied in de volgende bodemfuncties: Landbouw/natuur, Wonen en Industrie
Bodemkwaliteitskaart (BKK)
Onder het begrip bodemkwaliteitskaart wordt zowel een set van kaarten als de karakteristiek van de gebiedseigen bodemkwaliteit door middel van kengetallen verstaan. De kaart bestaat als het ware uit verschillende ‘lagen’, waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke rangschikking van een verschillend type informatie waarvoor verondersteld wordt dat deze bepalend is voor de gebiedseigen bodemkwaliteit.
Bodemkwaliteitsklasse
Generieke klasse die de kwaliteit van grond aangeeft op basis van voorkomende verontreinigingen. Er is sprake van drie kwaliteitsklassen die toepasbaar zijn op de landbodem: i) achtergrondwaarden of landbouw/natuur, ii) wonen en iii) industrie.
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale regels inzake het toepassen van grond en bouwstoffen waarbij lokale maximale waarden aan stoffen gelden in bodemkwaliteitszones. Gebiedsspecifiek beleid is door de gemeenteraad vastgesteld en geldt wanneer de grond of baggerspecie binnen het bodembeheergebied vrijkomt.
Generiek beleid
Landelijk geldende regels voor het toepassen van grond en bouwstoffen.
Gezoneerd gebied
Gebied waarvoor een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, niet zijnde baggerspecie
Kwaliteitsbewijsmiddel
Bewijsmiddel conform het Besluit bodemkwaliteit van grond, baggerspecie of een bouwstof.
Lokaal Maximale Waarde (LMW)
Lokaal vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen.
Ms-PAF methode
Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging van waterbodems
NEN 5725
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van een historisch vooronderzoek.
Overgangsrecht
Een artikel uit het Besluit bodemkwaliteit dat het mogelijk maakt voor een gemeente om maximaal 5 jaar na inwerking treding van het Besluit bodemkwaliteit nog gebruik te maken. Van de ‘bestaande’ bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeheersplan.
P50, P80 en P95 (50-, 80- en 95-percentielwaarde)
Concentratieniveau van een bepaalde stof; resp. 50%, 80 % en 95% van de beschikbare waarnemingen (analyseresultaten beschikbaar voor die stof binnen een bodemkwaliteitszone) ligt beneden dit concentratieniveau.
PFAS
PFAS is een verzamelnaam en staat voor per- en polyfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet voor in het milieu.
Regulier toepassen van grond en baggerspecie
Het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35 Besluit bodemkwaliteit.
Risicotoolbox (RTB)
Een website van het RIVM waarop van concentraties van stoffen in bodem kan worden getoetst of deze bij bepaalde typen bodemgebruik risico’s met zich meebrengen.
Toemaakdek(-grond)
Het toemaakdek is een laag tot 50 cm dik, bestaande uit stadsafval, stalmest en baggerslib, die in de afgelopen eeuwen is opgebracht op de gronden van het veenweidegebied in het westen van Nederland om de bodem te verbeteren. In het Groene Hart ligt ongeveer 6000 hectare toemaakdek. Het dek is veelal licht verontreinigd met zware metalen, maar plaatselijk ernstig verontreinigd.
Weilanddepots
De tijdelijke opslag van baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen.
Bijlage 2: Overzicht veranderingen ten opzichte van Nota bodembeheer 2016
In deze bijlage staat kort een overzicht van de meest belangrijke veranderingen van deze nota ten opzichte van de Nota bodembeheer 2016. Dit bevat niet de inhoudelijke overwegingen, deze staan beschreven in de hoofdtekst.
De meest belangrijke beleidsveranderingen ten opzichte van 2016 zijn:
-Nieuwe BKK en BFK kaarten:
o Meerdere grootschalige (toekomstige) gebiedsveranderingen zijn meegenomen in de nieuwe kaarten
o Nieuwe onderliggende statistische dataset
o Met name voor PFAS veranderingen in voorkomende diffuse kwaliteit in de regio
-Zoetermeer is geen onderdeel meer van deze nota
-PFAS is geïntegreerd met het beleid voor klassieke stoffen, dit betekent hoofdzakelijk:
o Dat functie leidend is voor grond van binnen het bodembeheergebied
o We blijven wel PFAS los toetsen van de klassieke stoffen
o De geadviseerde normen zijn overgenomen als de regionale normen in Midden-Holland voor PFAS
-Het bodembeheergebied is veranderd van drie provincies (Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht) naar een hemelsbrede afstand van 35 kilometer naar de regio.
-Voor het verspreiden van bagger is de toegestane afstand van gehele BKK-zone naar 10 kilometer tot de watergang veranderd.
-De lokale LMW’s voor bagger in enkele landbouwzones zijn niet meer opgenomen. Voor het toepassen van bagger gelden nu dezelfde LMW’s als voor grond, ofwel de functie van ontvangende locatie.
-Er zijn kleine veranderingen voor de toepassingseisen in provinciale grondwaterbeschermingsgebieden
Bijlage 3: Gebruik BKK als bewijsmiddel met vooronderzoek (NEN 5725)
Een BKK is geldig als milieuhygiënische verklaring indien deze is aangeleverd met een vooronderzoek dat is uitgevoerd volgens de NEN5725. Omdat een BKK een bewijsmiddel is voor onverdachte locaties hoeft dit vooronderzoek geen veldbezoek te bevatten. Mocht volgens het de richtlijn voor NEN5725 toch blijken dat een veldbezoek noodzakelijk is dan is de BKK niet als bewijsmiddel voor de desbetreffende locatie te gebruiken. Het betreft dan namelijk een verdachte locatie . Ten tijde van het schrijven van deze nota ligt er een nieuw 2022 ontwerp van de NEN5725. Op basis van dit ontwerp dient men op de volgende onderzoeksvragen antwoord te hebben om een volledig vooronderzoek uit te voeren:
-Is de bodemkwaliteitskaart nog geldig? Motiveer het antwoord.
-Valt het ontgravingsprofiel en/of het toepassingsgebied volledig binnen de afbakening van de bodemkwaliteitskaart (horizontaal en verticaal vlak)? Motiveer het antwoord.
-Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden?
-Is de bodem asbestverdacht?
-Is het op basis van (bedrijfsmatige) activiteiten, ontgraving of ongewoon voorval aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse is veranderd sinds het vaststellen of actualiseren van de bodemkwaliteitskaart? Motiveer het antwoord.
-Zijn er puntbronnen aanwezig of is ernstige bodemverontreiniging te verwachten binnen het ontgravingsprofiel? Motiveer het antwoord.
-Kan de bodemkwaliteitskaart als basis dienen voor een milieuverklaring bodemkwaliteit voor de vrijkomende grond binnen het beheergebied of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. De bodemkwaliteitskaart mag niet als basis dienen voor een milieuverklaring bodemkwaliteit voor de vrijkomende grond of ontvangende bodem als:
o het ontgravingsprofiel en/of het toepassingsgebied niet geheel binnen het beheergebied van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart valt;
o er sprake is van een puntbron en/of geval van ernstige bodemverontreiniging, of mogelijk verdachte (deel)locaties;
o er een reden is te verwachten dat de bodemkwaliteit veranderd kan zijn sinds het vaststellen van de bodemkwaliteitskaart.
Voor verdere informatie over NEN5725 verwijzen wij u door naar de NEN.
Bijlage 4: Bodemfunctiekaart Midden-Holland
Figuur 7: Bodemfunctiekaart Midden-Holland [4].
Bijlage 5: Zone kaarten Midden-Holland
Figuur 8: Bodemkwaliteitszones bovengrond klassieke stoffen Midden-Holland [4].
Figuur 9: Bodemkwaliteitszones ondergrond klassieke stoffen Midden-Holland [4].
Figuur 10: Bodemkwaliteitszones bovengrond PFAS Midden-Holland [4].
Figuur 11: Bodemkwaliteitszones ondergrond PFAS Midden-Holland [4].
Bijlage 6: Ontgravingskaarten Midden-Holland
Figuur 12: Ontgravingskaart bovengrond Midden-Holland [4]
Figuur 13: Ontgravingskaart ondergrond Midden-Holland [4].
Bijlage 7: Gebiedsspecifieke toepassingskaarten Midden-Holland
De gebiedsspecifieke toepassingskaarten van Midden-Holland zijn hetzelfde als de bodemfunctiekaart (Figuur 5).
Bijlage 8: Kaart bodembeheergebied en uitleg werking daarvan
Figuur 14 op de volgende pagina geeft het bodembeheergebied weer. Dit is de regio en een hemelsbrede afstand tot 35 kilometer van de regio.
Binnen dit gebied geldt het gebiedsspecifieke beleid. Als men dus grond (of baggerspecie) vanuit Leiden (binnen het bodembeheergebied) wilt toepassen dan kunnen zij gebruik maken van de LMW’s. Komt de grond uit Groningen (buiten het bodembeheergebied) dan dienen zij zich te houden aan het generieke toepassingskader. Hierbij geldt dat de aangegeven oorsprongslocatie, zijnde de locatie waar de grond ontgraven zal worden of waar deze opgeslagen ligt, bepalend is of zich binnen het bodembeheergebied bevindt. Als deze locatie buiten maar nabij de 35 kilometergrens van de regio ligt dan blijft gelden dat deze buiten het bodembeheergebied ligt. Het is inherent aan het stellen van grenzen dat er altijd locaties zijn die net niet hier binnen vallen. Als de aangegeven oorsprongslocatie slechts gedeeltelijk binnen het bodembeheergebied valt dan kan in overleg met de ODMH deze gelden als volledig binnen het bodembeheergebied voor deze melding.
Met de hulp van de bodematlas van Midden-Holland kan u zeer exact bepalen of de oorsprongslocatie binnen het bodembeheergebied ligt.
Figuur 14: Bodembeheergebied Midden-Holland.
Bijlage 9: Grondwaterbeschermingsgebieden
Figuur 15: Provinciale grondwaterbeschermingsgebieden.
Bijlage 10: LMW’s per zone
Tabel 10: LMW’s per zone.
Klassieke stoffen zones
PFAS-zones
Bodemfunctieklasse
LMW bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
LMW ondergrond
(0,5-2,0 m-mv)
B1 Binnenstad Gouda
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
B2 Binnenstad Schoonhoven
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
B3 Kern Bodegraven
Zone 3
Wonen
Wonen
Wonen
B4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Zone 3
Wonen
Wonen
Wonen
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B7 Oude bebouwing
1900-1940 Gouda,
Bodegraven, Reeuwijk,
Boskoop
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B8 Uitbreidingen 19401990 (noord+oost)
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B9 Uitbreidingen
1940-1970
(zuid+west)
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Zone 3
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Zone 3
Industrie
Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Zone 2
Industrie
Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B17 Oude industrie
Zone 1
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 2
Industrie
Industrie
Zone 3
Industrie
Industrie
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
B18 Lichte industrie en bedrijven
Zone 1
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 2
Industrie
Industrie
Zone 3
Industrie
Industrie
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Zone 1
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 2
Industrie
Industrie
Zone 3
Industrie
Industrie
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
B20 Buitengebied zeekleipolders incl. rand
Zone 2
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 3
Industrie
Industrie
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
Zone 2
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Zone 3
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
B21 Buitengebied toemaakdek
Zone 2
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Zone 3
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
B22 Buitengebied boomkwekerijen
(inclusief OCB’s)
Zone 3
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
B23 Buitengebied overig
Zone 1
Industrie
Industrie
Industrie
Zone 3
Industrie
Industrie
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen
Zone 2
Wonen
Wonen
Zone 3
Wonen
Wonen
Zone 1
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Zone 2
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Zone 3
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Bijlage 11: Risicobeoordeling
Introductie
Voor het vaststellen van Lokale Maximale Waarden is een onderbouwing nodig waarin beschreven staat waarom geen risico’s ontstaan of waarom deze geaccepteerd zijn. Deze bijlage voorziet hierin.
Belangrijk hulpmiddel bij deze onderbouwing is de RisicoToolBox en beschikbare rapporten of onderzoeken. De RTB is een door het RIVM ontwikkeld model (www.risicotoolboxbodem.nl). Deze tool hanteert beleidsmatige grenswaarden voor humane en ecologische risico’s. Wanneer uitkomst van de RTB leidt tot een risico-index kleiner dan 1, dan is de bodem duurzaam geschikt voor gebruik door de mens en voor de beoogde functie. Een risico-index groter dan 1 kan acceptabel zijn, mits voldoende gemotiveerd op basis van kennis van lokale blootstellingsroutes. De RTB is een landelijk model met generieke normen; lokaal kan de situatie afwijken en aanleiding geven de resultaten anders te interpreteren. Op deze wijze kan gedifferentieerd worden tussen de bodemfuncties die in bodemfunctieklasse vallen. Ter illustratie, zowel ‘moestuinen’ als ‘wonen met tuin’ zijn bodemfuncties die beide vallen onder de bodemfunctie wonen. Doordat risico technisch ‘moestuinen’, vanwege risicovollere blootstellingsroutes, strenger zijn in toe te passen verontreinigingen is deze bodemfunctie bepalend gemaakt voor de bodemfunctieklasse wonen. Door te differentiëren tussen deze specifieke bodemfuncties kunnen voor locaties met bodemfunctie ‘wonen met tuin’ minder strenge LMW’s worden gehanteerd die nog steeds niet leiden tot risico’s [15].
Risicobeoordeling toepassingseis naar een zone
De LMW’s voor het toepassen van grond en baggerspecie naar zones gaat uit van de functie als toepassingseis. Dit betekent dat de toepassingseis nog steeds overeen komt met de generieke eisen voor de bodemfunctie(klasse) van de ontvangende locatie. Hierdoor kan er geen sprake zijn van toepassingen naar en tussen zones waar mogelijke risico’s ontstaan. Dit behoeft dan ook geen verdere onderbouwing en is niet doorberekend in de RTB.
Risicobeoordeling toepassingseis binnen een zone
Bij het hergebruik van grond binnen een zone toetsen wij niet op functie. Dit betekent dat in zones In met ontgravingskwaliteit wonen of industrie in theorie grond is toepasbaar is die een mindere kwaliteit heeft dan dat de functie eist. Bijvoorbeeld zone B1: Binnenstad Gouda heeft als functie wonen maar de ontgravingskwaliteit is klasse industrie. Om humane risico’s te voorkomen leidt dit tot beperkingen in vrij grondverzet binnen deze zone, deze industriegrond mag men niet toe passen in moestuinen. Voor bebouwde zones (B1, B2, B4, B5, B6, B11, B12, B13, B15, B16, B17, O1, O2, O6, O15, O17) is met de RTB gekeken naar de potentiële humane risico’s voor de bodemfuncties: ‘Wonen met tuin’, ‘Moestuinen’, ‘plaatsen waar kinderen spelen’, ‘Groen met natuurwaarden’ en ‘ander groen, bebouwing en infrastructuur’. Hierbij zijn de gemiddelde gehalten van de zone voor gebruikt. Voor ecologische risico’s is de RTB niet gebruikt, deze risico’s worden als niet relevant geacht voor de desbetreffende zones. Daarnaast is sprake van zone eigen grond, daarmee blijft het huidige ecologische beschermingsniveau gehandhaafd. De uitkomsten hiervan zijn te zien in Tabel 11 (bovengrondzones) en Tabel 13 (ondergrondzones) op de volgende pagina’s. Waar sprake is van een humaan risico geldt voor die zone een beperking in de toepassingseis, dit is verwerkt in Hoofdstuk 4.
Voor het toemaakdek is al veel onderzoek gedaan naar de risico’s van aanwezige verontreinigingen [8, 9, 20]. Hieruit blijkt dat er geen risico’s zijn te verwachten.
Ook in de Krimpenerwaard is veel onderzoek gedaan naar risico’s in verband met de aanwezigheid van slootdempingen. Hieruit bleek dat de bodemkwaliteit van onverdachte percelen voldoende is voor de flora en fauna [16]. Deze onderzoeken achten we al als voldoende onderbouwing om grondverzet binnen agrarische zones (B21, B22, B23) toe te staan. Daarnaast blijft het huidige beschermingsniveau blijft gehandhaafd.
Molybdeen
Aan de hand van de Risico Toolbox is bepaald of dit geoorloofd is. Voor de landbouw zijn geen normen (LAC-waarde; LAC=Landbouw Advies Commissie) beschikbaar. Voor de functie natuur zijn wel normen afgeleid, maar op basis van weinig beschikbare gegevens is de bepalingsgrens aangehouden [17]. Voor het verspreiden va baggerspecie op het aangrenzend perceel geldt voor molybdeen een norm van 5 mg/kg ds. De LMW van 3,0 mg/kg is dus geoorloofd.
Tabel 11: Humane risico’s per zone voor de bovengrond bij hergebruik zone-eigen grond op basis van RTB.
Zone
Bodemfunctie
Humane risico's
Stoffen die risico’s veroorzaken (>1)
B1
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (2,13), Kobalt (5,05)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B2
wonen met tuin
ja
lood (1,54)
plaatsen waar kinderen spelen
ja
lood (1,13)
moestuinen
ja
lood (3,51)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B4
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,41)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B5
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,4)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B6
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,63)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B11
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,26)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B12
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,37)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B13
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (2,15)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B15
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,49)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B16
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,2)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
B17
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,38)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
Tabel 12: Humane risico’s per zone voor de ondergrond bij hergebruik zone-eigen grond op basis van RTB.
Zone
Bodemfunctie
Humane risico's
Stoffen die risico’s veroorzaken (>1)
O1
wonen met tuin
ja
lood (1,28)
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (2,91)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
O2
wonen met tuin
ja
lood (1,21)
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
geen
lood (2,75)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
O6
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
ja
lood (1,47)
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
O15
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
geen
groen met natuurwaarden
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
O17
wonen met tuin
geen
plaatsen waar kinderen spelen
geen
moestuinen
geen
ander groen, bebouwing en infrastructuur
geen
Bijlage 12: Begrenzing wegbermen
Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij Figuur 16. Deze is afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat [6]. Voor alle toepassingen is een maximum gesteld van 10 meter vanaf de rand van de verharding.
Figuur 16: Begrenzing wegbermen [6].
Bijlage: BODEMKWALITEITSKAART ALPHEN AAN DEN RIJN, BODEGRAVEN-REEUWIJK, GOUDA, KRIMPENERWAARD, WADDINXVEEN EN ZUIDPLAS
1INLEIDING
1.1 AANLEIDING
Sinds 2002 beschikken de gemeenten in de regio Midden-Holland over een Nota Bodembeheer en bijbehorende bodemkwaliteitskaart. Met beide instrumenten is het eenvoudiger om grond en bagger in de regio te hergebruiken. Vrijkomende grond en bagger hoeft dan niet te worden afgevoerd (wat hoge kosten met zich meebrengt), maar kan een nuttige bestemming krijgen voor het ophogen van gronden. Op deze wijze hebben de gemeenten de voorbije jaren al veel geld bespaard.
Wettelijke basis voor het hergebruik van grond en bagger is het Besluit bodemkwaliteit [1]. Hierin is vastgelegd dat de geldigheid van een bodemkwaliteitskaart maximaal vijf jaar is. Iedere 5 jaar moet er dus een nieuwe bodemkwaliteitskaart worden opgesteld. De in 2016 opgestelde bodemkwaliteitskaart dient daarom geactualiseerd te worden met de sindsdien beschikbaar gekomen bodeminformatie. De gemeente Zoetermeer, onderdeel van de bodemkwaliteitskaart uit 2016, heeft haar bodemkwaliteitskaart reeds apart geactualiseerd en maakt daarmee niet langer deel uit van het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland. De gegevens van Zoetermeer moeten daardoor verwijderd worden.
Tenslotte is in 2021 een aparte bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen opgesteld. Deze aparte bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen wordt ook geactualiseerd en in de nieuw op te stellen bodemkwaliteitskaart opgenomen.
De Omgevingsdienst Midden-Holland (hierna: de ODMH) heeft aan WSP opdracht gegeven voor het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart, inclusief PFAS-verbindingen, voor alle gemeenten in de regio Midden-Holland: Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas (hierna ‘de gemeenten’; zie Figuur 1.1). Deze bodemkwaliteitskaart vormt samen met de bodemfunctieklassenkaart de basis voor het regionale grond- en baggerstromenbeleid. Het regionale gebiedsspecifieke beleid wordt geformuleerd in de Nota Bodembeheer.
1.2 DOELSTELLING
Het doel van het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart is om de gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ beter weer te geven. Om aan te sluiten bij de toekomstige Omgevingswet, is ook de functie ‘Landbouw/natuur’ onderscheiden
1Zie document: Transitie nota bodembeheer en bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassenkaart naar het stelsel van de Omgevingswet, Bouwsteen Aanvullingsspoor bodem, Bodembeheer van de Toekomst, Uitvoeringsprogramma Bodem & Ondergrond, 23 december 2020.
.
Doel van het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart [11] is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit in de regio Midden-Holland. Achterliggend doel is enerzijds het implementeren van de apart opgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen [13] en het corrigeren van het bodembeheergebied voor de gemeente Zoetermeer. Anderzijds om gebruik te kunnen blijven maken van de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit [1] en de Omgevingswet (die naar verwachting op 1 juli 2023 inwerking treedt) biedt:
-als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet);
-als bewijsmiddel bij klein grondverzet;
-om eenduidig gebiedsspecifiek en milieuvriendelijk bodem(grondstromen)beleid te kunnen blijven uitvoeren; — om voor aangewezen gebieden vrijstelling van bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en/of activiteit ruimtelijke ontwikkeling) mogelijk te maken;
-om mogelijk lokale verhoogde terugsaneerwaarden vast te stellen bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming[2] en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[3] [4] (in overleg met het bevoegd gezag Wet bodembescherming);
-eventueel om onder de Omgevingswet te gebruiken bij de interpretatie van een eindsituatie onderzoek na het beëindigen van een bodembedreigende activiteit.
Figuur 1.1 Ligging 6 gemeenten waarvoor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld
In deze rapportage staat beschreven hoe de bodemfunctieklassenkaart is aangepast, volgens welke werkwijze de bodemkwaliteitskaart is opgesteld en wat de resultaten zijn. Een toelichting op de in dit rapport gebruikte begrippen is opgenomen in bijlage 1.
2BODEMFUNCTIEKLASSENKAART
Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' aangegeven. Om aan te sluiten bij de toekomstige Omgevingswet, is ook de functie ‘Landbouw/natuur’ onderscheiden.
De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor het:
-mede bepalen van de eisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (zie ook § 3.9.4);
-vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen.
De eerder vastgestelde regionale bodemfunctieklassenkaart zijn op een aantal punten aangepast. Met de aanpassingen zijn de gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ beter en regionaal eenduidiger weergegeven.
De ODMH heeft aanpassingen aangeleverd voor het wijzigen van de bodemfunctiekaart. Hierbij hebben zij rekening gehouden met recente en toekomstige ontwikkelingen in het gebied, in samenspraak met de Ruimtelijke Ordening ambassadeurs van iedere gemeente. Daarnaast hebben zij ook een vergelijking uitgevoerd met de geldende bestemmingsplannen.
In Tabel 2.1 is de indeling van gebruiksvormen gegeven die in de bodemfunctieklassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ vallen.
Tabel 2.1 Indeling gebruiksvormen in bodemfunctieklassen
BODEMFUNCTIEKLASSE
GEBRUIKSVORM
Industrie
-Rijkswegen en provinciale wegen inclusief de onverharde wegbermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de verharding).
-Spoorwegen inclusief de onverharde spoorbermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de spoorrails).
-(Toekomstige) industrie- en bedrijfsterreinen.
-Rioolwater- en afvalwaterzuiveringsinstallaties.
-Percelen in het buitengebied met de bestemming bedrijf of industrie.
Wonen
-Stedelijke binnenstad.
-Huidige en toekomstige woonwijken.
-Lintbebouwing.
-Percelen in het buitengebied met de bestemming wonen.
-Woningen gelegen op industrieterreinen (voor zover aangewezen in het bestemmingsplan).
-Recreatie- en sportterreinen gelegen in of aangrenzend aan de bebouwde kommen.
-Alle recreatiewoningen, vakantie-/bungalowparken, campings en woonwagenlocaties.
Landbouw/natuur
-Landbouw- en natuurgebieden.
-Volkstuinen en moestuinen.
-Recreatie- en sportterreinen in het buitengebied.
-Provinciale beschermingsgebieden zoals Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland.
-Kassen.
Onder de onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook Figuur 2.1):
-de erfgrens of;
-de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of;
-de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of;
-als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.
Figuur 2.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009)
3BODEMKWALITEITSKAART
De gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten [5]. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader worden toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart.
Stap 1: Opstellen programma van eisen.
Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken.
Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking.
Stap 4: Indelen bodembeheergebied in deelgebieden.
Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied.
Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie.
Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones.
Stap 8: Bodemkwaliteitskaart (kaart uitgesloten locaties/gebieden, ontgravingskaart en toepassingskaart).
3.1 STAP 1: PROGRAMMA VAN EISEN
Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld:
-Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas.
-Van de volgende gebieden zijn geen gegevens meegenomen bij het opstellen van deze bodemkwaliteitskaart en daarom niet gezoneerd:
•De Rijkswegen (inclusief wegbermen): A12 en A20.
•De provinciale wegen (inclusief wegbermen): N11, N206, N207, N209, N210, N216, N219, N228, N456, N458, N469 en N470.
•Spoorgebonden gronden, inclusief de (spoor)wegbermen (andere beheerorganisatie: NS/Prorail en HTM).
•Waterbodems Rijkswateren, inclusief de uiterwaarden (buitendijks gebied) (ander bevoegd gezag: Rijkswaterstaat), met uitzondering van de drogere oevergebieden die zijn gedefinieerd en aangewezen in de Waterregeling [6]
•Waterbodems overige wateren (ander bevoegd gezag: Hoogheemraadschap van Rijnland, Waterschap Stichtse Rijnlanden en Waterschap Schieland en de Krimpenerwaard).
•Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS -verbindingen
2Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.
in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende
3Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
en verwerkende bedrijven
4Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica.
, inzet blusschuim
5Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
en secundaire bronnen
6Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.
).
•(Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).
•Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).
•De bodemlaag dieper dan 2,0 meter onder het maaiveld.
•Het grondwater.
-De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem van het beheergebied voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte.
-De gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor
•Het standaard NEN5740 stoffenpakket: barium (zie bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Hierbij zijn de bodemlagen vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden.
•Bestrijdingsmiddelen (OCB); alleen voor de bodemkwaliteitszone met de boomkwekerijpercelen in de gemeente Alphen aan den Rijn. Hierbij is de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte onderscheiden.
•PFAS-verbindingen
7Het betreft minimaal de 30 PFAS-verbindingen op de lijst die is gepubliceerd op de website van Bodemplus: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/welke-pfas-verbindingen-geanalyseerd/ Dit betreft de advieslijst van Bodemplus d.d. 12 juli 2019:https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf
vanwege het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie [7]. Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden.
-De gegevens voor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van de ODMH (d.d. 30 augustus 2022) waarin de bodemgegevens van de gemeenten worden geregistreerd en beheerd.
3.2 STAPPEN 2 EN 4: ONDERSCHEIDENDE GEBIEDSKENMERKEN EN INDELEN BODEMBEHEERGEBIED IN DEELGEBIEDEN (1/2)
3.2.1 DEELGEBIEDEN STANDAARD NEN5740-PAKKET EN OCB’S
De basis van deze bodemkwaliteitskaart is het identificeren van deelgebieden met onderscheidende gebiedskenmerken. De verwachting is dat de kwaliteit tussen deelgebieden kan verschillen als gevolg van de verschillende gebiedskenmerken. Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie, het huidig gebruik en de verwachte bodemkwaliteit zijn de deelgebieden gedefinieerd. Binnen een deelgebied wordt de bodemkwaliteit homogeen verondersteld (vergelijkbare kwaliteit).
De deelgebieden voor deze bodemkwaliteitskaart zijn gebaseerd op de indeling in bodemkwaliteitszones in de bodemkwaliteitskaart van 2016. De gebieden die in de bodemfunctieklassenkaart zijn gewijzigd, zijn hierbij opnieuw beoordeeld en ingedeeld bij het voorlopige deelgebied waar ze het beste bij aansluiten. De oude bodemkwaliteitszone 1D, die alleen voorkwam in Zoetermeer, is komen te vervallen.
De volgende voorlopige deelgebieden zijn onderscheiden: (zie de kaartbijlagen 2A en 2B):
Tabel 3.1 Voorlopige indeling deelgebieden
Voorlopig deelgebied
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
Voorlopig deelgebied
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1A: Binnenstad Gouda
1A: Binnenstad Gouda
1B: Binnenstad Schoonhoven
1B: Binnenstad Schoonhoven
1C: Kern Bodegraven
1C: Kern Bodegraven
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
3: Historische bebouwing zeekleipolders
3: Historische bebouwing zeekleipolders
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
8B: Lintbebouwing Oude Rijn
9B: Lintbebouwing Oude Rijn
9: Lintbebouwing op toemaakdek
9: Lintbebouwing op toemaakdek
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
12: Lintbebouwing zeekleipolders
12: Lintbebouwing zeekleipolders
13: Oude industrie
13: Oude industrie
14: Lichte industrie en bedrijven
14: Lichte industrie en bedrijven
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
16: Buitengebied zeekleipolders incl rand
16t/m 19: Buitengebied
17: Buitengebied toemaakdek
18: Buitengebied boomkwekerijen
19: Buitengebied overig
3.2.2 DEELGEBIEDEN PFAS-VERBINDINGEN
In 2020/2021 is voor PFAS-verbindingen een aanvullende bodemkwaliteitskaart [13] opgesteld waarbij het beheergebied (excl. de gemeente Zoetermeer) is verdeeld in drie PFAS-zones. De grenzen van deze zones verschillen van de grenzen van de reguliere bodemkwaliteitszones. In tegenstelling tot de stoffen van het standaard NEN5740 pakket, die voornamelijk afhankelijk zijn van de gebruikshistorie van het gebied, is verspreiding door de lucht een belangrijke bron voor PFAS-verbindingen. Er is daarvoor gekozen voor een aparte gebiedsindeling voor PFAS-verbindingen. Omdat in tussentijd meer gegevens beschikbaar gekomen zijn wil de ODMH de destijds gemaakte indeling evalueren en indien nodig wijzigen.
De indeling in deelgebieden voor PFAS-verbindingen wordt vooral bepaald door de ligging van bronlocaties in combinatie met de overheersende windrichting en de resulterende atmosferische depositie. De PFAS -verwerkende industrie in Dordrecht is hierbij de grootste bron. Het beheergebied is daarom bij de eerder opgestelde aanvullende bodemkwaliteitskaart op basis van globale ligging ten opzichte van deze bron verdeeld in drie gebieden van zuid naar noord.
Tabel 3.2 Indeling deelgebieden PFAS-verbindingen zoals opgenomen in eerder opgestelde aanvullende BKK PFAS
Voormalige deelgebied Bovengrond (0-0,5 m-mv)
Voormalig deelgebied Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
A Zuidelijke deel beheergebied met als noordgrens de Hollandsche IJssel
A Zuidelijke deel beheergebied met als noordgrens de Hollandsche IJssel
B Middelste deel beheergebied tussen Hollandsche IJssel en snelweg A12
B Middelste deel beheergebied tussen Hollandsche IJssel en snelweg A12
C Noordelijke deel beheergebied met als zuidgrens de snelweg A12
C Noordelijke deel beheergebied met als zuidgrens de snelweg A12
Voor de vervolgstappen en de nieuwe indeling voor PFAS-verbindingen is deze indeling grotendeels losgelaten en op basis van de beschikbare gegevens een nieuwe indeling gemaakt. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 3.4.
3.3 STAP 3: GEGEVENSVERZAMELING EN GEGEVENSBEWERKING
3.3.1 SELECTEREN BESCHIKBARE GEGEVENS
GEGEVENS STANDAARD NEN5740-PAKKET EN OCB’S
De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van de ODMH (d.d. 30 augustus 2022) waarin de bodemgegevens van de gemeenten worden geregistreerd en beheerd. De ODMH beoordeelt bij ontvangst van ieder bodemonderzoek of deze bruikbaar is voor de BKK. Dit doet zij aan de hand van verschillende factoren: locatie(historie), (voormalig) bedrijfsactiviteiten, gemeten gehalten, aangetroffen bijmengingen, etc. De gegevens uit het bodeminformatiesysteem zijn door de ODMH zelf geselecteerd voordat deze aan WSP zijn aangeleverd. Deze gegevens hebben betrekking op rapporten die beschikbaar zijn gekomen na het opstellen van de vorige bodemkwaliteitskaart en betreffen rapporten vanaf 1 januari 2017.
Daarnaast zijn de gegevens van de bodemkwaliteitskaart van 2016 gebruikt, voor zover deze te relateren waren aan rapporten vanaf 1 januari 2007. Omdat de gemeente Zoetermeer deel uitmaakte van de vorige bodemkwaliteitskaart, maar niet meer van de nieuwe bodemkwaliteitskaart, zijn de gegevens met ligging in de gemeente Zoetermeer uit de dataset verwijderd.
GEGEVENS PFAS-VERBINDINGEN
In 2020/2021 is er een dataset samengesteld op basis van voor dit doel verzamelde gegevens door middel van veldwerk. Deze zelfde data is ook nu weer gebruikt, maar aangevuld met gegevens van diverse andere onderzoeken uit het bodeminformatiesysteem van de ODMH. Deze dataset is aangeleverd op 30 augustus 2022.
Door al deze gegevens aan de dataset toe te voegen wordt deze veel groter en kan er een betere interpretatie worden gedaan met betrekking tot de spreiding en kwaliteit.
3.3.2 HET SAMENVOEGEN VAN PUNT- EN MENGMONSTERS
De dataset voor deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens [8]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen.
3.3.3 HET VERVANGEN VAN WAARDEN BENEDEN DE DETECTIELIMIET
Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.
De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger analyseapparatuur beschikbaar is gekomen.
3.3.4 HET OPSPOREN VAN UITBIJTERS
Ondanks dat er representatieve meetgegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge of lage gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door lokale bronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd. In bijlage 1 is verder toegelicht wat een uitbijter is.
Voor de extreme gehalten is nagegaan of deze tot een lokale bron, type- of meetfout zijn te herleiden. In die situaties zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3 staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters.
3.4 STAP 4: INDELING BODEMBEHEERGEBIED IN DEELGEBIEDEN PFAS-VERBINDINGEN
3.4.1 WERKWIJZE: INTERPOLATIEKAART
Op basis van alle gegevens in de dataset blijkt PFOA verreweg de meest bepalende PFAS-verbinding te zijn in het beheergebied. Met name in de bovengrond komen licht tot matig verhoogde gehaltes aan PFOA voor.
Daarnaast komen er in mindere mate ook voor PFOS licht verhoogde gehaltes voor, deze liggen verspreid in het beheergebied. De overige PFAS-verbindingen komen slechts incidenteel licht verhoogd voor.
Alle waarnemingen voor PFOA zijn op kaart weergegeven. Om de gehaltes goed met elkaar te kunnen vergelijken is een correctie toegepast voor het organisch stofgehalte van de monsters. De op kaart weergegeven gehaltes zijn deze naar standaardbodem gecorrigeerde gehaltes. De gehaltes zijn getoetst aan de klassegrenzen uit het Handelingskader. Op de kaart is te zien dat er voor PFOA er een duidelijke clustering aanwezig is van de verhoogde gehaltes, met name in het oostelijk deel van de gemeente Krimpenerwaard. Daarom is er voor PFOA een interpolatiekaart gemaakt, om dit nog beter zichtbaar te krijgen.
Op basis van de gecorrigeerde gehaltes is met interpolatiemethode ‘IDW’ het tussenliggende gebied ingekleurd. De methode ‘IDW’ is een vorm van interpolatie waarbij een bepaalde weging wordt toegepast op basis van afstand tot de meetpunten.
De kaart met de getoetste waarnemingen in de bovengrond en het resultaat van de interpolatie is opgenomen in kaartbijlage 3A.
3.4.2 RESULTAAT: NIEUWE DEELGEBIEDEN PFAS-VERBINDINGEN
Aan de hand van de interpolatiekaart is in overleg met de ODMH is een nieuwe gebiedsindeling voor PFAS-verbindingen bepaald. In de bovengrond is alleen voor PFOA een duidelijk patroon in verhoogde gehalten te zien. Voor de overige PFAS-verbindingen voldoen de gehalten ruimschoots aan de norm voor de klasse landbouw/natuur.
In ondergrond is eerst apart gekeken naar bodemlaag 0,5-1 m-mv omdat hier mogelijk nog de meeste verhoogde gehalten kunnen worden gemeten. In deze bodemlaag komen voor enkele PFAS-verbindingen incidenteel overschrijdingen voor ten opzichte van de achtergrondwaarde, maar deze bodemlaag is in zijn geheel te classificeren als landbouw/natuur. Vanuit de ODMH is de wens uitgesproken om het grondverzetbeleid voor PFAS zo veel mogelijk te integreren in dat voor de overige stoffen. Daarom is besloten het ondergronddeelgebied voor PFAS uit te breiden met het traject 1-2 m-mv, dat dezelfde kwaliteit heeft.
Op basis van dit resultaat is in overleg met de ODMH besloten om alleen het verspreidingspatroon van PFOA te gebruiken om de nieuwe PFAS-deelgebieden te begrenzen, en alleen in de bovengrond onderscheid te maken in meerdere deelgebieden. In de bovengrond resulteert dit in 3 deelgebieden. In de ondergrond is 1 deelgebied onderscheiden voor het hele beheergebied.
Het oostelijk deel van de gemeente Krimpenerwaard is hierbij aangewezen als deelgebied 1, waarin regelmatig verhoogde gehaltes aan PFOA voorkomen. Dit deelgebied wordt voor PFOA ingedeeld in de klasse wonen/industrie. Dit gebied betreft het oostelijke deel van de gemeente Krimpenerwaard met de woonkernen Schoonhoven, Ammerstol, Bergambacht, Stolwijk, Vlist en Haastrecht inclusief de lint- en dijkbebouwingen en het buitengebied in dit deel van de gemeente.
Het resterende deel van het beheergebied wordt ingedeeld in klasse landbouw/natuur. Dit zijn de deelgebieden 2 en 3. Deelgebied 2 is hierbij de zone in het midden van het beheergebied, grenzend aan deelgebied 1, en betreft het resterende, westelijke deel van de gemeente Krimpenerwaard, het zuidelijke deel van de gemeente Zuidplas, een kleine stukje van de gemeente Waddinxveen, de gehele gemeente Gouda en het zuidelijke deel van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk.
In dit gebied komen incidenteel nog hogere gehalten PFOA voor, al voldoen deze gemiddeld genomen nog altijd aan de norm voor de klasse landbouw/natuur.
Deelgebied 3 is het resterende noordelijke deel van het beheergebied. Dit gebied is het minst beïnvloed door de atmosferische depositie vanuit Dordrecht.
3.5 STAP 5: CONTROLE INDELING VAN HETBODEMBEHEERGEBIED NEN-STOFFEN EN OCB’S (1/2)
3.5.1 AANTAL EN SPREIDING MEETGEGEVENS (1/2)
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied:
-Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar.
-De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:
•Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar.
•Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar.
Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart en het voorbewerken van de gegevens bleek dat een aantal deelgebieden niet aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten voldeden. Daarom is stap 6 uitgevoerd.
3.6 STAP 6: VERZAMELEN AANVULLENDE INFORMATIE NEN-STOFFEN EN OCB’S
Voor het deelgebied met boomkwekerijen waren er onvoldoende gegevens voor bestrijdingsmiddelen in de dataset aanwezig. Voor de overige deelgebieden waren er ook enkele delen van niet-aaneengesloten deelgebieden waar onvoldoende gegevens beschikbaar waren.
In overleg met de ODMH is daarom besloten om uit de vorige bodemkwaliteitskaart meer gegevens mee te nemen. De gegevens die te relateren waren aan rapporten tussen 1 januari 2002 en 1 januari 2007 zijn toegevoegd aan de dataset. Dit zorgt niet alleen voor een groter aantal waarnemingen, maar ook voor een betere spreiding van de gegevens voor alle deelgebieden.
3.7 STAP 5: CONTROLE INDELING VAN HET BODEMBEHEERGEBIED (2/2)
3.7.1 AANTAL EN SPREIDING MEETGEGEVENS NEN-STOFFEN EN OCB’S (2/2)
Een overzicht van het aantal analysewaarden per stof per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 5 (kolom ‘N’). Voor het grootste deel voldoen de deelgebieden aan de eisen die de Richtlijn stelt aan het aantal waarnemingen en de spreiding van de waarnemingen.
Conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten dienen voor ieder niet-aaneengesloten deel van een deelgebied tenminste drie waarnemingen beschikbaar te zijn. Voor het merendeel van de deelgebieden wordt deze eis gehaald. Er zijn echter enkele relatief kleine gebieden waarvoor deze eis niet wordt gehaald. Het zou een onevenredig zware inspanning eisen en daardoor financieel onverantwoord zijn om met gemeenschapsgeld in elk klein afzonderlijk gebied 3 waarnemingen te verkrijgen. Hoewel de dataset door het beschikbaar komen van in de afgelopen jaren uitgevoerde bodemonderzoeken nog verder is aangevuld zijn er nog steeds niet-aaneengesloten delen van deelgebieden waarvoor formeel niet aan deze eis voldaan wordt. Omdat de eis van minimaal 20 waarnemingen per zone wel ruimschoots wordt behaald (in de meeste zones zelfs meer dan 100 waarnemingen voor de kritische stoffen) word de betrouwbaarheid voor de kleine afzonderlijke deelgebieden als voldoende beschouwd. Bovendien zijn de gebieden dermate klein dat er niet veel grondverzet zal zijn, zodat risico’s van ongewenst grondverzet te verwaarlozen zijn.
3.7.2 AANTAL EN SPREIDING MEETGEGEVENS PFAS-VERBINDINGEN
Een overzicht van het aantal analysewaarden per stof per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 5 (kolom ‘N’). De PFAS-deelgebieden voldoen ruimschoots aan de eisen die de Richtlijn stelt aan het aantal waarnemingen en de spreiding van de waarnemingen.
In de bovengrond zijn er voor PFOAsom en PFOSsom 242 waarnemingen beschikbaar, in de ondergrond zijn dit er ruim 150 (circa 110 in de laag van 0,5 tot 1,0 m-mv en circa 40 in de laag van 1,0 tot 2,0 m-mv). Voor de overige PFAS-verbindingen variëren de aantallen, maar zijn dit er circa 125 in de bovengrond en circa 100 in de ondergrond.
3.7.3 SPLITSEN VAN DEELGEBIEDEN
Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van WSP bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen en minerale olie een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering met hogere of lagere gehalten.
De overzichten van de variatiecoëfficiënten staan in de bijlagen 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat bij veel deelgebieden voor één of meer zware metalen, minerale olie, OCB, PFAS, en/of PAK sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.
3.8 STAP 6: VASTSTELLEN DEFINITIEVE DEELGEBIEDEN / BODEMKWALITEITSZONES
3.8.1 BODEMKWALITEITSZONES NEN-STOFFEN EN OCB’S
De indeling in voorlopige deelgebieden is gebaseerd op de indeling in bodemkwaliteitszones in de vorige bodemkwaliteitskaart. Hoewel er enkele voorlopige deelgebieden zijn die op basis van bodemkwaliteit verglijkbaar zijn, heeft de Omgevingsdienst aangegeven geen noodzaak te zien in het samenvoegen van deze deelgebieden. Deze deelgebieden verschillen namelijk in gebiedskenmerken zoals historisch gebruik. De voorlopige deelgebieden worden daarom ook de definitieve deelgebieden.
In Tabel 3.3 is een overzicht gegeven van de definitieve deelgebieden die op basis van kwaliteit en bodemfunctie zijn gedefinieerd en waarmee de uiteindelijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld.
Tabel 3.3 Definitieve deelgebieden NEN-stoffen en OCB’s
Tabel 3.1 Voorlopige indeling deelgebieden
Voorlopig deelgebied
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
Voorlopig deelgebied
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1A: Binnenstad Gouda
1A: Binnenstad Gouda
1B: Binnenstad Schoonhoven
1B: Binnenstad Schoonhoven
1C: Kern Bodegraven
1C: Kern Bodegraven
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
3: Historische bebouwing zeekleipolders
3: Historische bebouwing zeekleipolders
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
8B: Lintbebouwing Oude Rijn
9B: Lintbebouwing Oude Rijn
9: Lintbebouwing op toemaakdek
9: Lintbebouwing op toemaakdek
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
12: Lintbebouwing zeekleipolders
12: Lintbebouwing zeekleipolders
13: Oude industrie
13: Oude industrie
14: Lichte industrie en bedrijven
14: Lichte industrie en bedrijven
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
16: Buitengebied zeekleipolders incl rand
16t/m 19: Buitengebied
17: Buitengebied toemaakdek
18: Buitengebied boomkwekerijen
19: Buitengebied overig
De definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeenten. Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte (aangeduid met codering ‘B’) en de bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte (aangeduid met codering ‘O’) (zie ook de kaartbijlagen 2).
Ook worden de bodemkwaliteitszones opnieuw opeenvolgend genummerd. De nieuwe codering is hieronder in Tabel 3.4 opgenomen.
Tabel 3.4 Bodemkwaliteitszones NEN-stoffen en OCB’s
Definitief deelgebied
Zone Definitief deelgebied
Zone
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1A: Binnenstad Gouda
B1
1A: Binnenstad Gouda
O1
1B: Binnenstad Schoonhoven
B2
1B: Binnenstad Schoonhoven
O2
1C: Kern Bodegraven
B3
1C: Kern Bodegraven
O3
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
B4
1E: Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
O4
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
B5
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
O5
3: Historische bebouwing zeekleipolders
B6
3: Historische bebouwing zeekleipolders
O6
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
B7
4A: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
O7
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord + oost)
B8
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord + oost)
O8
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
B9
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
O9
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
B10
7: Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
O10
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
B11
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
O11
8B: Lintbebouwing Oude Rijn
B12
8B: Lintbebouwing Oude Rijn
O12
9: Lintbebouwing op toemaakdek
B13
9: Lintbebouwing op toemaakdek
O13
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
B14
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
O14
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
B15
15: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
O15
12: Lintbebouwing zeekleipolders
B16
16: Lintbebouwing zeekleipolders
O16
13: Oude industrie
B17
17: Oude industrie
O17
14: Lichte industrie en bedrijven
B18
18: Lichte industrie en bedrijven
O18
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
B19
19: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
O19
16: Buitengebied zeekleipolders incl rand
B20
16t/m 19: Buitengebied
O20 t/m 23
17: Buitengebied toemaakdek
B21
18: Buitengebied boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
B22
19: Buitengebied overig
B23
3.8.2 BODEMKWALITEITSZONES PFAS-VERBINDINGEN
De indeling in deelgebieden voor PFAS-verbindingen is ook de indeling in definitieve bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen.
Tabel 3.5 Bodemkwaliteitszones PFAS-verbindingen
PFAS-zone
Beschrijving ligging gebied
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
PFAS-zone 1
Oostelijk deel Krimpenerwaard
PFAS-zone 2
Westelijke deel Krimpenerwaard, zuidelijke deel Zuidplas, zuidelijk deel Waddinxveen, gehele gemeente Gouda, zuidelijk deel Bodegraven-Reeuwijk
PFAS-zone 3
Noordelijk deel Zuidplas, noordelijke deel Waddinxveen, noordelijk deel Bodegraven-Reeuwijk, gehele gemeente Alphen aan den Rijn
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
PFAS-zone ondergrond
Gehele beheergebied
De ligging en begrenzing van de PFAS-zones in de bovengrond zijn opgenomen in kaartbijlage 3B. De PFAS-zone van de ondergrond is opgenomen in kaartbijlage 3C.
De reguliere BKK-zones krijgen een extra toevoeging in hun codering om aan te geven in welke PFAS-zone het betreffende deel van de zone ligt. In Tabel 3.6 is hiervan een overzicht opgenomen:
Tabel 3.6 Ligging reguliere BKK-zones NEN-stoffen in combinatie met PFAS-zones
Bodemkwaliteitszone NEN-stoffen
Deel in PFAS-zone
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
1
2
3
B1 Binnenstad Gouda
-
B1-2
-
B2 Binnenstad Schoonhoven
B2-1
-
-
B3 Kern Bodegraven
-
-
B3-3
B4 Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
-
-
B4-3
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
B5-1
B5-2
-
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
-
B6-2
B6-3
B7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
-
B7-2
B7-3
B8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord + oost)
-
B8-2
B8-3
B9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
B9-1
B9-2
B9-3
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
B10-1
B10-2
B10-3
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
B11-1
B11-2
B11-3
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
-
-
B12-3
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
-
B13-2
B13-3
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
B14-1
B14-2
-
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
B15-1
B15-2
-
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
-
B16-2
B16-3
B17 Oude industrie
B17-1
B17-2
B17-3
B18 Lichte industrie en bedrijven
B18-1
B18-2
B18-3
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
B19-1
B19-2
B19-3
B20 Buitengebied zeekleipolders incl rand
-
B20-2
B20-3
B21 Buitengebied toemaakdek
-
B21-2
B21-3
B22 Buitengebied boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
-
-
B22-3
B23 Buitengebied overig
B23-1
B23-2
B23-3
3.9 STAP 7: KARAKTERISEREN BODEMKWALITEITSZONES
3.9.1 KARAKTERISERING ZONES NEN-STOFFEN EN OCB’S
De gemiddelde gehalten van de bodemkwaliteitszones (zie bijlage 4, kolom 'Gem') zijn getoetst aan de normen uit de Regeling bodemkwaliteit [10] (hierna ‘de Regeling’). De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden, AW2000), Wonen of Industrie. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse is opgenomen in bijlage 1 onder het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is voor de bodemkwaliteitsklasse minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie ook § 3.10.3 en bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’).
In Tabel 3.7 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. In de bijlagen 4 zijn de gespecificeerde beoordelingen weergegeven. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.10.4).
Tabel 3.7 Bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone en bodemlaag
Bodemkwaliteitszone
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
Bodemkwaliteitsklasse
B1 Binnenstad Gouda
Wonen
B2 Binnenstad Schoonhoven
Industrie
B3 Kern Bodegraven
Wonen
B4 Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Industrie
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
B7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
B8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Wonen
B9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
Wonen
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Landbouw/natuur
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Wonen
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Wonen
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Wonen
B17 Oude industrie
Industrie
B18 Lichte industrie en bedrijven
Wonen
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Landbouw/natuur
B20 Buitengebied zeekleipolders incl rand
Landbouw/natuur
B21 Buitengebied toemaakdek
Wonen
B22 Buitengebied boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
Wonen
B23 Buitengebied overig
Wonen
Tabel 3.7 Bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone en bodemlaag (vervolg)
Bodemkwaliteitszone Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
Bodemkwaliteitsklasse
O1 Binnenstad Gouda
Industrie
O2 Binnenstad Schoonhoven
Industrie
O3 Kern Bodegraven
Wonen
O4 Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
O5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Wonen
O7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
O8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Landbouw/natuur
O9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
Wonen
O10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Landbouw/natuur
O11 Lintbebouwing veenweidegebied
Wonen
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Wonen
O13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
O14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Landbouw/natuur
O15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Industrie
O16 Lintbebouwing zeekleipolders
Wonen
O17 Oude industrie
Wonen
O18 Lichte industrie en bedrijven
Landbouw/natuur
O19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Landbouw/natuur
O20 t/m 23 Buitengebied
Landbouw/natuur
Controle saneringscriterium
In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een controle op het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. Deze situatie komt voor in vier bodemkwaliteitszones in de bovengrond en vijf in de ondergrond (zie Tabel 3.8).
Tabel 3.8 Bodemkwaliteitszones met P95 > interventiewaarde voor één of meer stoffen
Bodemkwaliteitszone
Stof
95-percentielwaarde (in mg/kg ds)
Interventiewaarde Wbb (in mg/kg ds)
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
B1 Binnenstad Gouda
Lood 748 530
Zink 1212 720
B2 Binnenstad Schoonhoven
Lood
757
530
B4 Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
Lood
584
530
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Lood
665
530
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
O1 Binnenstad Gouda
Lood
1315
530
O2 Binnenstad Schoonhoven
Koper
217
190
Lood
994
530
O4 Historische en oude bebouwing <1940 Alphen a/d Rijn
Lood
553
530
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Lood
547
530
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Lood
581
530
Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten dient voor deze zones een risicobeoordeling uitgevoerd te worden om na te gaan of er voor die stoffen mogelijk sprake is van risicio’s bij het betreffende bodemgebruik.
In de regionale Nota bodembeheer wordt hier verder op ingegaan en wordt voor de betreffende zones beschreven welke consequenties dit heeft voor het grondverzet.
3.9.2 KARAKTERISERING ZONES PFAS-VERBINDINGEN
De gemiddelde gehalten van de PFAS-bodemkwaliteitszones (zie bijlage 4, kolom 'Gem') zijn getoetst aan de normen uit het Handelingskader. In bijlage 4C is een compleet overzicht opgenomen van de statistische parameters voor PFAS-verbindingen.
De PFAS-zones zijn op basis van PFOA(som) geclassificeerd en ingedeeld in de volgende kwaliteitsklassen:
Tabel 3.9 Indeling in kwaliteitsklasse PFAS-verbindingen
PFAS-zone
Kwaliteitsklasse PFOA
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
PFAS-zone 1
Wonen/Industrie
PFAS-zone 2
Landbouw/natuur
PFAS-zone 3
Landbouw/natuur
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
PFAS-zone ondergrond
Landbouw/natuur
3.10 STAP 8: BODEMKWALITEIT
3.10.1 INLEIDING
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart.
3De toepassingskaart.
In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.
3.10.2 KAART MET UITGESLOTEN LOCATIES EN GEBIEDEN
In het beheergebied van de regio Midden-Holland is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Een specificatie van de uitgezonderde gebieden is aangegeven in § 3.1. De ligging van de uitgesloten locaties en gebieden is vanwege het dynamische karakter niet op de kaarten weergegeven.
3.10.3 ONTGRAVINGSKAART
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.
De ontgravingskwaliteit is net als de bodemkwaliteitsklasse gebaseerd op het gemiddelde gehalte van een bodemkwaliteitszone (zie de bijlagen 4, kolom 'Gem') en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling. Om het standstill-principe voor de bodemkwaliteit op gebiedsniveau te kunnen waarborgen, is de toetsing voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ voor het bepalen van de ontgravingskwaliteit strenger dan voor het bepalen van de bodemkwaliteit. De toetsingsmethodiek is verder toegelicht in bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’. In bijlage 1B wordt dit verschil in toetsing schematisch toegelicht.
NEN-STOFFEN EN OCB’S
In Tabel 3.10 is de te verwachten ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 4. De kleuren in Tabel 3.10 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.
Tabel 3.10 Verwachte ontgravingsklasse NEN-stoffen en OCB’s per bodemkwaliteitszone
Bodemkwaliteitszone
Verwachte
ontgravingsklasse NEN-stoffen en OCB’s
Klasse-bepalende stof
P95 > I
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
B1 Binnenstad Gouda
Industrie
Lood, Zink
Ja
B2 Binnenstad Schoonhoven
Industrie
Koper, Lood, Zink, PCB
Ja
B3 Kern Bodegraven
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Nee
B4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Industrie
Zink
Ja
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Koper, Zink, PAK
Nee
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
Zink, PAK
Nee
B7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Nee
B8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Nee
B9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid+west)
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Nee
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Landbouw/natuur
-
Nee
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Zink, PAK
Nee
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Zink
Nee
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Industrie
Lood, Zink
Ja
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Kwik, Lood, Molybdeen, Zink, PAK
Nee
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Zink
Nee
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Zink, PAK
Nee
B17 Oude industrie
Industrie
PCB
Nee
B18 Lichte industrie en bedrijven
Wonen
Kwik, Lood, PCB, PAK
Nee
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Landbouw/natuur
-
Nee
B20 Buitengebied zeekleipolders incl rand
Landbouw/natuur
-
Nee
B21 Buitengebied toemaakdek
Industrie
Koper
Nee
B22 Buitengebied boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
Industrie
β-HCH, Heptachloor
Nee
B23 Buitengebied overig
Wonen
Kwik, Lood, Molybdeen, PAK
Nee
Tabel 3.10 Verwachte ontgravingsklasse NEN-stoffen en OCB’s per bodemkwaliteitszone (vervolg)
Bodemkwaliteitszone
Verwachte
ontgravingsklasse NEN-stoffen en OCB’s
Klasse-bepalende stof
P95 > I
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
O1 Binnenstad Gouda
Industrie
Koper, Lood, Zink
Ja
O2 Binnenstad Schoonhoven
industrie
Koper, Lood, Zink, PCB
Ja
O3 Kern Bodegraven
Wonen
Kwik, Lood, PAK
Nee
O4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Ja
O5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Kwik, Lood, Molybdeen, PAK
Nee
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
PAK
Ja
O7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Kwik, Lood, Zink, PAK
Nee
O8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Landbouw/natuur
-
Nee
O9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid+west)
Wonen
Kwik, Lood, PAK
Nee
O10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Landbouw/natuur
-
Nee
O11 Lintbebouwing veenweidegebied
Wonen
Kwik, Lood, Molybdeen, PAK
Nee
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Wonen
Kwik, Lood, PCB, PAK
Ja
O13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
Koper, Kwik, Lood, Molybdeen, PAK
Nee
O14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Landbouw/natuur
-
Nee
O15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Koper, PAK
Nee
O16 Lintbebouwing zeekleipolders
Wonen
Kwik, Lood, PAK
Nee
O17 Oude industrie
Industrie
Minerale olie
Nee
O18 Lichte industrie en bedrijven
Landbouw/natuur
-
Nee
O19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Landbouw/natuur
-
Nee
O20 t/m 23: Buitengebied
Landbouw/natuur
-
Nee
Grondverzet volgens het generieke beleidskader
Het al dan niet mogen verrichten van grondverzet van een niet-verdachte locatie zonder partijkeuringen is volgens
het generieke bodembeleidskader afhankelijk van de volgende zaken:
•Grondverzet zonder partijkeuring is toegestaan als de gemiddelde waarden van alle stoffen in de bodemkwaliteitszone van herkomst voldoen aan de toepassingseis in de zone van toepassing.
•Als sprake is van een specifiek locatie-/partijonderzoek op de te ontgraven locatie, dat volgens de criteria in het Besluit bodemkwaliteit als bewijsmiddel mag dienen, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, maar wordt gebruik gemaakt van de onderzoeksresultaten.
•De partij dient te worden ontgraven uit één laag waarop de ontgravingskaart van toepassing is. Als de partij afkomstig is uit meerdere (diepere) lagen van de ontgravingskaart dient de ontgraving op deze laaggrenzen te worden afgestemd. Als een partij gemengd wordt ontgraven uit verschillende lagen is het ter beoordeling aan de Omgevingsdienst Midden-Holland of de bodemkwaliteitskaart kan dienen als bewijsmiddel of dat de toe te passen partij moet worden gekeurd.
PFAS-VERBINDINGEN
Ook de verwachte ontgravingskwaliteit voor de PFAS-zones zijn op basis van PFOA(som) bepaald. In Tabel 3.11 is per PFAS-zone opgenomen wat de verwachte ontgravingsklasse voor PFOA is:
Tabel 3.11 Verwachte ontgravingsklasse PFAS-verbindingen per PFAS-zone
PFAS-zone
Ontgravingsklasse PFOA
Bovengrond (0-0,5 m-mv)
PFAS-zone 1
Wonen/Industrie
PFAS-zone 2
Landbouw/natuur
PFAS-zone 3
Landbouw/natuur
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
PFAS-zone ondergrond
Landbouw/natuur
3.10.4 GENERIEKE TOEPASSINGSKAART
De generiek toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan.
NEN-STOFFEN EN OCB’S
In Tabel 3.12 is de toepassingseis voor de stoffen uit het NEN-pakket volgens het generieke kader van het Besluit per bodemkwaliteitszone aangegeven. In kaartbijlage 5 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel 3.4 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en de kaartbijlagen 5 (toepassingskaart).
Tabel 3.12 Toepassingseisen NEN-stoffen en OCB’s per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse in de bovengrond conform het generieke kader van het Besluit.
BODEMKWALITEITSZONE
VOORKOMENDE BODEMFUNCTIES*
BODEMKWALITEITSKLASSE
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B1 Binnenstad Gouda
Wonen
Wonen
Wonen
B2 Binnenstad Schoonhoven
Wonen
Industrie
Wonen
B3 Kern Bodegraven
Wonen
Wonen
Wonen
B4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
Wonen
Wonen
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Industrie
Wonen
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Wonen
Industrie
Wonen
B7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Wonen
Wonen
B8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Wonen
Wonen
Wonen
B9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid+west)
Wonen
Wonen
Wonen
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
Wonen
Wonen
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Wonen
Wonen
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Wonen
Wonen
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
Tabel 3.12 Toepassingseisen NEN-stoffen en OCB’s per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse in de bovengrond conform het generieke kader van het Besluit. (vervolg)
BODEMKWALITEITSZONE
VOORKOMENDE BODEMFUNCTIES*
BODEMKWALITEITSKLASSE
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B17 Oude industrie
Industrie
Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
B18 Lichte industrie en bedrijven
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
B20 Buitengebied zeekleipolders incl rand
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
B21 Buitengebied toemaakdek
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B22 Buitengebied
boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B23 Buitengebied overig
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
* Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen verschillende gebruiksfuncties voorkomen
Tabel 3.13 Toepassingseisen NEN-stoffen en OCB’s per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse in de ondergrond conform het generieke kader van het Besluit.
BODEMKWALITEITSZONE
VOORKOMENDE BODEMFUNCTIES*
BODEMKWALITEITSKLASSE
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
O1 Binnenstad Gouda
Wonen
Industrie
Wonen
O2 Binnenstad Schoonhoven
Wonen
Industrie
Wonen
O3 Kern Bodegraven
Wonen
Wonen
Wonen
O4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
Wonen
Wonen
O5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Wonen
Wonen
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Wonen
Wonen
Wonen
O7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Wonen
Wonen
O8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord + oost)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
Wonen
Wonen
Wonen
O10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O11 Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
O13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
Wonen
Wonen
O14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
O15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Industrie
Wonen
O16 Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
Tabel 3.13 Toepassingseisen NEN-stoffen en OCB’s per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse in de ondergrond conform het generieke kader van het Besluit. (vervolg)
BODEMKWALITEITSZONE
VOORKOMENDE BODEMFUNCTIES*
BODEMKWALITEITSKLASSE
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
O17 Oude industrie
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
O18 Lichte industrie en bedrijven
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
O19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
O20 t/m 23 Buitengebied
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
* Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen verschillende gebruiksfuncties voorkomen
In kaartbijlage 5A en 5B staat per bodemlaag aangegeven welke generieke toepassingseis er geldt. Aan de hand van de ontgravingskaart en de generieke toepassingskaart kan een generieke grondstromenmatrix worden vervaardigd. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft tevens een gebiedsspecifieke toepassingskaart opgesteld. Deze is opgenomen in de Nota bodembeheer.
PFAS-VERBINDINGEN
In Tabel 3.14 is de toepassingseis voor PFAS-verbindingen volgens het Handelingskader aangegeven. In kaartbijlage 5 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in de tabel komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en de kaartbijlagen 5 (toepassingskaart).
Tabel 3.14 Toepassingseisen PFAS-verbindingen per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse conform het Handelingskader.
BODEMKWALITEITSZONE
VOORKOMENDE BODEMFUNCTIES*
BODEMKWALITEITSKLASSE PFAS-VERBINDINGEN**
TOEPASSINGSEIS PFAS-VERBINDINGEN HANDELINGSKADER
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
PFAS-zone 1
Industrie
Wonen/Industrie
Wonen/Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
PFAS-zone 2
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
PFAS-zone 3
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
PFAS-zone ondergrond
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
* Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen verschillende gebruiksfuncties voorkomen
** Klasse gebaseerd op PFOA(som)
In kaartbijlage 5A en 5B staat per bodemlaag aangegeven welke generieke toepassingseis er geldt. Aan de hand van de ontgravingskaart en de generieke toepassingskaart kan een generieke grondstromenmatrix worden vervaardigd. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft tevens een gebiedsspecifieke toepassingskaart opgesteld. Deze is opgenomen in de Nota bodembeheer.
3.11 BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN
De bodemkwaliteitskaart doet geen uitspraak over de kwaliteit van de bodem ter plaatse van verdachte locaties, verontreinigde locaties of gesaneerde locaties. Op deze locaties verwacht men een afwijkende (betere of juist slechtere) bodemkwaliteit dan in de omgeving. Op terreinen die ooit een leeflaag van schone grond hebben gekregen, of gesaneerde locaties mag men bijvoorbeeld een betere kwaliteit verwachten. Een slechtere kwaliteit valt te verwachten op terreinen die (wellicht) door een puntbron verontreinigd zijn en ter plaatse van dempingen en stortplaatsen.
Deze bodemkwaliteitskaart kan op de uitgesloten locaties en gebieden niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven uit deze gebieden. Ook kan deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan.
Ook door de provincie aangewezen beschermingsgebieden vallen onder locaties met bijzondere omstandigheden voor grondverzet. Voorafgaand aan grondverzet moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van het grond- en baggerverzet. Voorbeelden hiervan zijn gebieden met archeologische, cultuurhistorische, of aardkundige waarden, Natura2000-gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden of gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS): https://www.zuid-holland.nl/.
4SAMENVATTING EN CONCLUSIES
WSP heeft in opdracht van de Omgevingsdienst Midden-Holland de bodemkwaliteitskaart opgesteld voor het beheergebied van de Omgevingsdienst Midden-Holland. Dit beheergebied omvat het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas.
Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' weergegeven. Op de ontgravingskaart wordt de te verwachten diffuse milieuhygiënische ontgravingskwaliteit van de gemeenten weergegeven. Op de toepassingskaart is weergegeven aan welke kwaliteit de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie moet voldoen.
In de bodemkwaliteitskaart zijn op basis van historie, gebruik en diffuse bodemkwaliteit in totaal 24 bodemkwaliteitszones in de bovengrond en 21 bodemkwaliteitszones in de ondergrond onderscheiden. Ook zijn er in de bovengrond drie bodemkwaliteitszones voor de PFAS-verbindingen en in de ondergrond één bodemkwaliteitszone; zie kaartbijlage 3).
De volgende uitgesloten locaties en gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen:
-Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden inclusief de (spoor)wegbermen (andere beheerorganisatie).
-Waterbodems (ander bevoegd gezag: Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschap van Rijnland, Waterschap Stichtse Rijnlanden of Waterschap Schieland en de Krimpenerwaard).
De ligging van de onderstaande uitgesloten locaties en gebieden zijn, soms vanwege het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied, niet op de kaarten weergegeven:
-Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen
8Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.
in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende
9Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
en verwerkende bedrijven
10Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica.
, inzet blusschuim
11Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
en secundaire bronnen
12Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
).
-(Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).
-Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).
-De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld.
-Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Informatie over deze locaties kan worden achterhaald via de website van het landelijk bodemloket (https://www.bodemloket.nl/) én de omgevingsdienst Midden-Holland (http://www.bodembalie.nl).
Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor de stoffen barium (zie bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden. Zone 17 Buitengebied boomkwekerijen Boskoop is in de bovengrond ook vastgesteld voor bestrijdingsmiddelen (OCB). De bodemkwaliteitskaart is ook vastgesteld voor PFAS-verbindingen, voor zowel de bovengrond als de ondergrond.
Op de ontgravingskaart (kaartbijlage 4A en 4B) zijn de kwaliteitsgegevens weergegeven van de te ontgraven boven- en ondergrond. Op de generieke toepassingskaarten voor de boven- en ondergrond (kaartbijlage 5A en 5B) zijn de toepassingseisen weergegeven die gelden voor de onderscheiden dieptetrajecten in een gebied als een partij grond wordt toegepast en gebruik wordt gemaakt van het generieke toetsingskader van het Besluit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houden grond en baggerspecie.
In Tabel 4.1 en Tabel 4.2 zijn voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones een totaaloverzicht van de voorkomende bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingseisen voor respectievelijk de bovengrond en de ondergrond opgenomen als gebruik wordt gemaakt van het generieke kader van het Besluit. De kleuren in Tabel 4.1 en Tabel 4.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.
Tabel 4.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones bovengrond, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie.
BODEM-
KWALITEITSZONE NEN-STOFFEN
PFAS-ZONE
BODEM- FUNCTIE- KLASSE*
ONTGRAVINGS- KLASSE
NEN-STOFFEN
ONTGRAVINGS- KLASSE PFAS**
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT EN HANDELINGSKADER PFAS
NEN-stoffen
PFAS
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B1 Binnenstad Gouda
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
B2 Binnenstad Schoonhoven
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
B3 Kern Bodegraven
Zone 3
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
B4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Zone 3
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
B5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B6 Historische bebouwing zeekleipolders
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
B7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Zone 2
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
B8 Uitbreidingen 1940- 1990 (noord+oost)
Zone 2
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
Tabel 4.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones bovengrond, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. (vervolg)
BODEM-
KWALITEITSZONE NEN-STOFFEN
PFAS-ZONE
BODEM- FUNCTIE- KLASSE*
ONTGRAVINGS- KLASSE
NEN-STOFFEN
ONTGRAVINGS- KLASSE PFAS**
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT EN HANDELINGSKADER PFAS
NEN-stoffen
PFAS
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B9 Uitbreidingen
1940-1970 (zuid+west)
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
B10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Zone 1
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/ natuur
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Landbouw/ natuur
B11 Lintbebouwing veenweidegebied
Zone 3
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 1
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
B12 Lintbebouwing Oude Rijn
Zone 3
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
B13 Lintbebouwing op toemaakdek
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Zone 3
B14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Zone 1
Wonen
Industrie
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
B16 Lintbebouwing zeekleipolders
Zone 2
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Zone 3
B17 Oude industrie
Zone 1
Industrie
Industrie
Wonen/Industrie
Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Wonen
Zone 3
Tabel 4.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones bovengrond, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het enerieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. (vervol
BODEM-
KWALITEITSZONE NEN-STOFFEN
PFAS- ZONE
BODEM-FUNCTIE- KLASSE*
ONTGRAVINGS- KLASSE
NEN-STOFFEN
ONTGRAVINGS-KLASSE
PFAS**
TOEPASSINGSEIS NEN-STOFFEN GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT EN HANDELINGSKADER PFAS
NEN-stoffen
PFAS
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte
B18 Lichte industrie en bedrijven
Zone 1
Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
B19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Zone 1
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/ natuur
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
B20 Buitengebied zeekleipolders incl rand
Zone 2
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 2
Wonen
Zone 3
Zone 2
Landbouw/ natuur
Zone 3
B21 Buitengebied toemaakdek
Zone 2
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Zone 3
B22 Buitengebied boomkwekerijen (inclusief OCB’s)
Zone 3
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/
natuur
B23 Buitengebied overig
Zone 1
Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen
Wonen/Industrie
Zone 3
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 1
Wonen
Wonen/Industrie
Wonen/Industrie
Zone 2
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Zone 3
Zone 1
Landbouw/ natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/ natuur
Zone 2
Landbouw/natuur
Zone 3
* Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen verschillende gebruiksfuncties voorkomen
** Klasse gebaseerd op PFOA(som)
Tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones ondergrond, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie.
BODEMKWALITEITSZONE
BODEMFUNCTIE-KLASSE*
ONTGRAVINGSKLASSE NEN-STOFFEN
ONTGRAVINGS-KLASSE PFAS
TOEPASSINGSEIS GENERIEKKADER BESLUIT BODEMKWALITEIT EN HANDELINGS-KADER PFAS
NEN-STOFFEN PFAS
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
O1 Binnenstad Gouda
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O2 Binnenstad Schoonhoven
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O3 Kern Bodegraven
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O4 Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O5 Historische bebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O6 Historische bebouwing zeekleipolders
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O7 Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O8 Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
O9 Uitbreidingen 1940-1970 (zuid+west)
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O10 Recente uitbreidingen na 1970 à 1990 (hele regio)
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/natuur
O11 Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
Wonen
O12 Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
Wonen
O13 Lintbebouwing op toemaakdek
Wonen
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
O14 Lintbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
O15 Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
Tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones ondergrond, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie (vervolg)
BODEMKWALITEITSZONE
BODEMFUNCTIE- KLASSE*
ONTGRAVINGS-KLASSE NEN- STOFFEN
ONTGRAVINGS-KLASSE PFAS
TOEPASSINGSEIS GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT EN HANDELINGS-KADER PFAS
NEN-STOFFEN
PFAS
Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte
O16 Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/ natuur
Wonen
O17 Oude industrie
Industrie
Industrie
Landbouw/natuur
Industrie
Landbouw/ natuur
Wonen
Wonen
Landbouw/ natuur
O18 Lichte industrie en bedrijven
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Wonen
O19 Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Wonen
O20 t/m 23 Buitengebied
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/ natuur
Landbouw/ natuur
Wonen
Landbouw/natuur
* Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen verschillende gebruiksfuncties voorkomen
BRONVERMELDINGEN
1Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007.
2Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen.
3Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen.
4Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen.
5Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen.
6Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009 en latere wijzigingen.
7Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399, 8 juli 2019; aangepast op 29 november 2019, op 1 juli 2020 en op 13 december 2021.
8Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998.
9Model Beleid toepassen PFAS-houdende grond, opgesteld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk: 1248710-044 C04, TAUW, 10 januari 2020.
10Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen.
11Bodemkwaliteitskaart Regio Midden-Holland en gemeente Zoetermeer, LievenseCSO, documentcode: 15M2020.RAP001, 11 januari 2016.
12Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021, Beleid voor hergebruik van grond en bagger, Omgevingsdienst Midden-Holland, productnummer A-2015-000535, 12 september 2016.
13Gebiedseigen bodemkwaliteit PFAS Regio Midden-Holland, Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., referentie 121158/21-001.061, 21 januari 2021.
14Bodemkwaliteitskaart regio Midden-Holland en gemeente Zoetermeer, CSO Adviesbureau, 09K187, 14 maart 2011.
OVERZICHT BIJLAGEN
Bijlage 1A
-Begrippenlijst
Bijlage 1B
-Toetsing bodemkwaliteits-klasse en ontgravingsklasse
Bijlage 2
-Selectie dataset bodemkwaliteitskaart
Bijlage 3
-Specificatie uitbijters
Bijlage 4A
-Statistische parameters NEN 5740 bovengrond per bodemkwaliteitszone (waarden standaardbodem)
Bijlage 4B
-Statistische parameters NEN 5740 ondergrond per bodemkwaliteitszone (waarden standaardbodem)
Bijlage 4C
-Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemkwaliteitszone (waarden standaardbodem)
BIJLAGE 1ABEGRIPPENLIJST
BEGRIPPENLIJST
Bagger(specie)
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten.
Barium
Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn per 4 april 2009 (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) ingetrokken omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wel in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen namelijk een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen. Als verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrondwaarden worden aangetroffen als gevolg van een menselijke activiteit, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%).
Bodembeheergebied
Een aaneengesloten, door het bestuursorgaan (bijvoorbeeld een gemeente, waterschap of Rijkswaterstaat) afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders. Met gebiedsspecifiek beleid kan een bodembeheergebied worden uitgebreid.
Bodemfunctieklassenkaart
Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’.
Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.
3De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).
Bodemkwaliteitsklasse
In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:
-Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden – AW2000).
-Klasse Wonen.
-Klasse Industrie.
Bij de toetsingsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is het basispakket van toepassing. Voor de gebieden waar de bodemkwaliteitskaart ook voor organochloorbestrijdingsmiddelen is vastgesteld, is het aantal gemeten stoffen ’16-26’ van toepassing.
De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.
Tabel B1 Staffel toegestane aantal overschrijdingen.
AANTAL GEMETEN STOFFEN
AANTAL TOEGESTANE OVERSCHRIJDINGEN
1-6
0
Basispakket (7-15)
2
16-26
3
27-36
4
37-48
5
Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):
-Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
-De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
-De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').
Klasse Wonen:
-Alle gehalten voldoen aan de klassegrens Wonen, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
-De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
-De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen.
Klasse Industrie:
-Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Bodemkwaliteitszone
Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Wanneer een bodemkwaliteitszone uit meerdere gebieden bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten bodemkwaliteitszone’.
Bijzondere omstandigheden
Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanuit andere wet- en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.
Deelgebied
Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten deelgebieden’.
Diffuse chemische bodemkwaliteit
De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden waaronder de 80-percentielwaarde).
Grond
Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: ‘Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.’ Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten.
Heterogeniteit
Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:
De beoordeling van de heterogeniteitsindex is als volgt:
Index < 0,2 : weinig heterogeniteit
0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit
0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit
Index > 0,7 : sterke heterogeniteit
Interventiewaarde
Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).
Lokale bron (puntbron)
Duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse tank voor de opslag van olie, een chemische wasserij, een ontvettingsbad of een afleverzuil voor brandstof(fen).
Niet gezoneerd gebied
Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het deelgebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten locaties en gebieden).
Niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging
Een locatie waar geen lokale bron, zoals bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, een ontvettingsbad, een afleverzuil voor brandstof(fen)of een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is (geweest).
Onderscheidende gebiedskenmerken
Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit.
Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik.
Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kan vallen in één van de vier onderscheiden klassen:
-Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000).
-Klasse Wonen.
-Klasse Industrie.
-Klasse Niet toepasbaar.
Bij de toetsingsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen.
Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):
-Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
-De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
-De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').
Klasse Wonen:
-De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden.
Klasse Industrie:
-De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden.
-De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden.
Klasse Niet toepasbaar:
-De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Percentiel/percentielwaarde
Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 80-percentiel:
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen
(Bron: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsen-aanvulling/)
De toetsing aan de PFAS-verbindingen is een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt.
Vervolgens vindt de toetsing plaats aan de toepassingswaarden uit het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Aan de hand van de aanvullende toetsing wordt vervolgens vastgesteld in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen in oppervlaktewater. Voor PFAS zijn de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de Achtergrondwaarde of maximale waarde Wonen niet van toepassing, omdat nog geen normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Ook tellen de gemeten PFAS niet mee als gemeten stoffen bij de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de achtergrondwaarde of maximale waarde Wonen.
Bij de inbouw van het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld.
Daarnaast zijn hieronder twee voorbeelden uitgewerkt:
Voorbeeld 1
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de toepassingswaarden uit het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties:
1Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de rapportagegrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden.
2Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de rapportagegrens maar alle PFAS-gehalten voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen (7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de overige PFAS), blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan, maar gelden wel beperkingen aan de toepassing van grond in grondwaterbeschermingsgebieden.
3Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de overige PFAS is deze niet generiek toepasbaar. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Voorbeeld 2
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarde), dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de landelijke achtergrondwaarden (1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS) en bij overschrijding daarvan ook toetsen aan de normen voor 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de overige PFAS). Dit kan leiden tot de volgende vier situaties:
1Als alle PFAS-gehalten kleiner zijn dan de bepalingsgrens, blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Kortom alle toepassingen zijn toegestaan.
2Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de rapportagegrens (0,1 µg/kg ds) maar beneden de landelijke achtergrondwaarden (van 1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS), dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan, maar gelden wel toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op de landbodem in grondwaterbeschermingsgebieden is niet toegestaan.
3Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de voorlopige achtergrondwaarde (van 1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS) en onder de toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de overige PFAS, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan, maar kan de partij uitsluitend toegepast in gebieden met de kwaliteitsklassen Wonen of Industrie als toepassingseis of in gebieden waarvoor verhoogde lokale achtergrondwaarden zijn vastgesteld.
4Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de overige PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in een generieke kwaliteitsklasse voor toepasbare grond. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Standaarddeviatie
Ook wel ‘standaardafwijking’ genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van meetgegevens in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:
Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en ¯x het gemiddelde van de analyseresultaten.
Toepassingseis toe te passen grond op of in de bodem
Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld.
BODEMFUNCTIEKLASSE
BODEMKWALITEITSKLASSE
TOEPASSINGSEIS
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur @
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur @
Landbouw/natuur
Industrie
Landbouw/natuur @
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur @
Wonen
Wonen
Wonen @@
Wonen
Industrie
Wonen @@
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur @
Industrie
Wonen
Wonen @@
Industrie
Industrie
Industrie @@
@ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden.
@@ Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds.
Toetsing toepassen grond
Om te beoordelen of het toepassen van grond is toegestaan wordt de kwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die geldt voor de ontvangende bodem. De kwaliteit van de toe te passen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis kan worden bepaald op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden).
KWALITEIT TOE TE PASSEN GROND
TOEPASSINGSEIS
TOEPASSINGSEIS TOEGESTAAN?
Wonen
Wonen
Ja
Industrie
Wonen
Nee
Landbouw/natuur
Wonen
Ja
Wonen
Industrie
Ja
Industrie
Industrie
Ja
Landbouw/natuur
Industrie
Ja
Wonen
Landbouw/natuur
Nee
Industrie
Landbouw/natuur
Nee
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Ja
Toetsingswaarden Besluit en Regeling bodemkwaliteit en Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie
Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.
Tabel B2 Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-, uitgezonderd PFAS-verbindingen - gemeten waarden-).
STOF
MAXIMALE WAARDEN ACHTERGRONDWAARDEN (AW2000, LANDBOUW/NATUUR)
MAXIMALE
WAARDEN WONEN
MAXIMALE WAARDEN INDUSTRIE
Arseen
20
27
76
Barium *
n.v.t.
Cadmium
0,60
1,2
4,3
Chroom
55
62
180
Kobalt
15
35
190
Koper
40
54
190
Kwik
0,15
0,83
4,8
Lood
50
210
530
Molybdeen
1,5
88
190
Nikkel *
35
39
100
Zink
140
200
720
Som PAK
1,5
6,8
40
STOF
MAXIMALE WAARDEN ACHTERGRONDWAARDEN (AW2000, LANDBOUW/NATUUR)
MAXIMALE
WAARDEN WONEN
MAXIMALE WAARDEN INDUSTRIE
Som PCB
0,02
0,04
0,5
Minerale olie
190
190
500
α-Endosulfan
0,0009
0,0009
0,1
Chloordaan (som)
0,002
0,002
0,1
Drins (som 3)
0,015
0,04
0,14
α-HCH
0,001
0,001
0,5
β-HCH
0,002
0,002
0,5
γ-HCH
0,003
0,04
0,5
Heptachloor
0,0007
0,0007
0,1
Heptachloorepoxide (som)
0,002
0,002
0,1
DDT
0,2
0,2
1
DDE
0,1
0,13
1,3
DDD
0,02
0,84
34
PFOA
13PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.
zonder vastgestelde achtergrondwaarde
0,0019
Andere PFAS-verbindingen zonder vastgestelde achtergrondwaarde
0,0014
PFOA
0,0019
0,007
Andere PFAS-verbindingen
0,0014
0,003
* De normstelling in de Regeling bodemkwaliteit voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse Landbouw/natuur) geen toetsing meer plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens. Als een verhoogd gehalte van barium is veroorzaakt door een activiteit door de mens, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds.
Uitbijters
Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand dat niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een deelgebied.
Bij het samenstellen van de dataset met representatieve gegevens worden de gegevens gecontroleerd op aanwezigheid van extreme gehaltes. Deze worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Van deze extreme gehaltes, de potentiële uitbijters, wordt bepaald of deze deel uitmaakt van de achtergrondgehalten, het gevolg is van duidelijk aantoonbare menselijke activiteiten zoals puntverontreinigingen of verdachte locaties, of dat deze het gevolg is van een fout bij de invoer van de gegevens.
Indien de extreme gehalten na beoordeling als uitbijter worden aangemerkt dan worden deze niet mee genomen bij het vaststellen van diffuse chemische bodemkwaliteit.
Uitgesloten locaties en gebieden
Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit. Ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen), ProRail/NS Vastgoed (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Variabiliteit
Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone variëren.
Variatiecoëfficiënt
Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).
Vrij grondverzet
Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Wegberm
Onder de onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.1):
-de erfgrens of;
-de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of;
-de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of;
-als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.
Figuur B1.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).
BIJLAGE 1B – TOETSING BODEMKWALITEITSKLASSE EN ONTGRAVINGSKLASSE
In onderstaand schema is weergegeven wat het verschil is in toetsing tussen de bodemkwaliteitsklasse en de ontgravingsklasse.
BIJLAGE 2 – SELECTIE DATASET BODEMKWALITEITSKAART
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt dat de meetgegevens niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. Omdat naar verwachting de beschikbaar gekomen meetgegevens in de afgelopen 5 jaar niet afwijken van de meetresultaten die meer dan 5 jaar geleden beschikbaar zijn gekomen, zijn uiteindelijk meetgegevens vanaf 1 januari 2002 gebruikt voor de dataset van deze bodemkwaliteitskaart. Dit geeft een nog betere onderbouwing van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit.
Deze dataset is opgebouwd uit:
•Gegevens afkomstig uit het bodeminformatiesysteem Squit iBis waarin de Omgevingsdienst alle bodemonderzoeken van de gemeenten beheerd. De Omgevingsdienst heeft hier zelf een export uit gemaakt en de bruikbare gegevens hieruit geselecteerd. Deze dataset is op 30 augustus 2022 aangeleverd en bevat gegevens van de periode 2017-2022.
•Gegevens van de dataset die bij de vorige bodemkwaliteitskaart zijn gebruikt. Deze dataset bevat gegevens van de periode 2007-2016.
Later zijn hier nog extra gegevens aan toegevoegd:
•Gegevens van de dataset die bij de vorige bodemkwaliteitskaart zijn gebruikt. Deze dataset bevat gegevens van de periode 2002-2006.
BIJLAGE 3 – SPECIFICATIE UITBIJTERS
BIJLAGE 4A – STATISTISCHEPARAMETERS NEN 5740 BOVENGROND PER BODEMKWALITEITSZONE (WAARDEN STANDAARDBODEM)
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
BovengrondZone
Statistische parameters
BIJLAGE 4B – STATISTISCHEPARAMETERS NEN 5740 ONDERGROND PER BODEMKWALITEITSZONE (WAARDEN STANDAARDBODEM)
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan Besluit Bodemkwaliteit
* De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in onderstaande tabellen, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Ondergrond Zone
Statistische parameters
BIJLAGE 4C – STATISTISCHE PARAMETERS PFAS-VERBINDINGEN PER BODEMKWALITEITSZONE (WAARDEN STANDAARDBODEM)
Statistische parameters, toetsing aan handelingskader PFAS
gehaltes gecorrigeerd naar standaardbodem obv organisch stof
Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan handelingskader PFAS
gehaltes gecorrigeerd naar standaardbodem obv organisch stof
Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan handelingskader PFAS
gehaltes gecorrigeerd naar standaardbodem obv organisch stof
Zone
Statistische parameters
Statistische parameters, toetsing aan handelingskader PFAS
gehaltes gecorrigeerd naar standaardbodem obv organisch stof
Zone
Statistische parameters
OVERZICHT KAARTBIJLAGEN
Kaartbijlage 1
•Bodemfunctieklassenkaart
Kaartbijlagen 2
•Bodemkwaliteitszonekaart
Kaartbijlagen 3
•PFAS-kaarten
Kaartbijlagen 4
•Ontgravingskaart
Kaartbijlagen 5
•Toepassingskaart