Aanhef
De raad van de gemeente Zuidplas;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 maart 2011;
gelet op de Gemeentewet, Wet ruimtelijke ordening en Wet milieubeheer;
besluit:
1De gemeentelijke visie externe veiligheid vast te stellen
SAMENVATTING
De Gemeente Zuidplas is de nieuwe, robuuste ontwikkelgemeente in de Zuidplaspolder omgeven door de grote verkeersaders A12, A20, begrensd door het water van de Rotte en de Hollandsche IJssel, omringd door de steden Rotterdam, Zoetermeer en Gouda. De gemeente Zuidplas heeft deze visie externe veiligheid opgesteld als kader voor de vertaling van externe veiligheid naar ruimtelijke ordening en is daarbij ondersteund door het Intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Midden-Holland (ISMH).
Het externe veiligheidsbeleid geeft duidelijkheid over hoe de gemeente Zuidplas in haar ruimtelijke ordening omgaat met externe veiligheid. De visie vormt hiermee de basis van bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico en stuurt de uitvoering van de gemeentelijke externe veiligheidstaken.
Wat is externe veiligheid?
Bij het werken met gevaarlijke stoffen in bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen kunnen ongelukken gebeuren met effecten voor de omgeving. Het gaat om kleine kansen met soms grote gevolgen. In het begrip ‘risico’ zijn kansen en effecten aan elkaar gekoppeld. Het beleidsveld externe veiligheid houdt zich bezig met de beheersing van activiteiten die een risico voor de omgeving met zich mee kunnen brengen. De uitvoering van dit externe veiligheidsbeleid is een taak van rijk, provincies en gemeenten.
Wet- en regelgeving
Het externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in diverse documenten die de koppeling tussen externe veiligheid en ruimtelijke ordening regelen. Hierin zijn de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico vastgelegd, evenals de zogenaamde verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Daarnaast is er een Besluit voor transport van gevaarlijke stoffen in ontwikkeling.
Veiligheid voor burgers en ruimte voor bedrijvigheid
Ook de gemeente Zuidplas voelt zich verantwoordelijk voor het bieden van veiligheid aan haar burgers. Eén van de kerntaken van de overheid is immers het bieden van een veilige leefomgeving voor haar burgers. Daarnaast wil de gemeente voldoende ruimte bieden aan de aanwezige en toekomstige bedrijfsmatige activiteiten met gevaarlijke stoffen. Om deze verantwoordelijkheden beide in te vullen kan een gemeente er niet omheen een heldere visie op veiligheid binnen haar grenzen te hebben. Daarom heeft de gemeente deze visie externe veiligheid opgesteld, waarin zij de volgende vragen beantwoordt:
☐ Hoe gaat de gemeente Zuidplas om met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van infrastructuur waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd (m.n. spoor, weg en buisleidingen)?
☐ Waar en hoe kan veilig uitbreiding van woonfuncties worden gerealiseerd?
☐ Waar bieden we mogelijkheden voor bedrijvigheid, zowel risicovol als niet risicovol, en welke voorwaarden stellen we daaraan?
☐ Hoe gaan we om met het buitengebied in relatie tot externe veiligheid?
Duidelijkheid voor burgers en bedrijven!
Het veiligheidsbeleid is primair gericht op het beschermen van burgers in de woon- en leefomgeving van de gemeente. In die zin moet het voor burgers duidelijk zijn aan welke risico’s zij worden blootgesteld. Daarnaast heeft het veiligheidsbeleid ook consequenties voor bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken en/of vervoeren en voor de ruimtelijke ordening. Risicocommunicatie speelt hierin een belangrijke rol.
Risicobronnen
De gemeente Zuidplas is omgeven door de grote verkeersaders A12, A20 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Tevens lopen er twee spoorlijnen door het grondgebied: over de spoorlijn Rotterdam-Gouda vindt veel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats; over de spoorlijn Den-Haag-Gouda in principe niet. Binnen de gemeente bevinden zich daarnaast inrichtingen met gevaarlijke stoffen, provinciale wegen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zie onderstaande kaart).
Figuur 1Ligging risicobronnen met bijbehorend invloedsgebied.
In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ter hoogte van de kern Nieuwerkerk a/d IJssel overschreden. De gemeente heeft van het ministerie van Verkeer en Waterstaat echter een brief ontvangen dat met de generieke maatregelen uit het Basisnet Spoor het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde zal uitkomen.
Het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen betreft voornamelijk aardgas, maar daarnaast vindt ook vervoer van CO2 plaats .
In de gemeente Zuidplas vindt beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen over het water plaats. Het vervoer is echter niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
R'dam - The Hague Airport is een andere regionale risicobron waarmee rekening moet worden gehouden in de gemeente Zuidplas. De luchthaven heeft net als andere risicovolle inrichtingen een 10-6 PR-contour. De provincie Zuid-Holland heeft beleid geformuleerd voor externe veiligheid in relatie tot de luchthaven. Momenteel wordt het provinciale beleid daarom herzien. Verder is het zo dat verwacht wordt dat de contouren van de luchthaven in de nabije toekomst kleiner zullen worden.
Ruimtelijke plannen
Binnen de gemeente Zuidplas zijn diverse kleinschalige ruimtelijke plannen. Daarnaast is de ontwikkeling van de Zuidplaspolder actueel. Dit is de voornaamste nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente.
In deze visie is rekening gehouden met de ontwikkeling van de Zuidplaspolder. Er is niet specifiek ingezoomd op de genoemde kleinschalige plannen. Wel zijn per gebiedstype uitgangspunten geformuleerd die ook voor de kleinschalige plannen gelden.
In de huidige situatie kent de gemeente Zuidplas zo’n 55 bestemmingsplannen. In deze bestemmingsplannen is meestal niet specifiek aandacht besteed aan externe veiligheid, met uitzondering van plannen van na 2004. De reden dat externe veiligheid veelal niet meegenomen is, is dat de meeste plannen dateren van voor de inwerkingtreding van het Bevi. Alle plannen zullen de komende jaren worden aangepast. Bij de aanpassingen zal externe veiligheid worden meegenomen. Het feit dat aanpassing van de plannen enkele jaren gaat duren, brengt een risico met zich mee. Het is mogelijk dat plannen vestiging van nieuwe kwetsbare objecten binnen 10-6 PR-contouren toelaten evenals vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen. Hierdoor kunnen nieuwe saneringssituaties ontstaan en is sprake van enkele ‘papieren saneringssituaties’. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij de herziening van bestemmingsplan; papieren saneringssituaties moeten worden daarin worden opgelost.
Ambities
De gemeente Zuidplas wil met de visie een veilige werk- en leefomgeving bieden waarbij ambities worden gekoppeld aan de functie van het gebied. Uitgangspunt is dat wonen en risicovolle activiteiten zo veel mogelijk worden gescheiden. Daarnaast gaat deze visie er vanuit dat er voldoende ruimte moet blijven voor nieuwe (risicovolle) bedrijvigheid en economische ontwikkelingen.
De ambities die de gemeente Zuidplas heeft geformuleerd komen voort uit de raadscommissie (raadsessie van woensdag 13 oktober 2010), het College (collegevergadering van dinsdag 11 januari 2011) en de deskundigheid uit de projectgroep van de visie externe veiligheid. Tevens zijn de landelijke ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid meegenomen. De gemeente heeft op hoofdlijnen de volgende keuzes gemaakt:
☐ De gemeente Zuidplas wil veiligheid bieden aan haar burgers;
☐ Er moet ruimte zijn voor economische ontwikkeling en daarom ook voor vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven;
☐ De gemeente Zuidplas kiest voor een gebiedsgerichte benadering;
☐ De gemeente Zuidplas wil via deze visie inzicht geven in externe veiligheid aan burgers en bedrijven;
☐ De gemeente Zuidplas wil de burger informeren over de risico’s in zijn omgeving. Goede risicocommunicatie is daarvoor van belang.
Daarnaast heeft de gemeente Zuidplas een aantal specifieke ambities geformuleerd:
☐ Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen houdt de gemeente Zuidplas zo veel mogelijk rekening met een zodanige indeling van het plangebied, dat mensen redelijkerwijs in staat zijn zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen;
☐ Vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen bij voorkeur op het bedrijventerrein Gouwepark;
☐ Functies voor verminderd zelfredzame personen mogen enkel onder specifieke voorwaarden nabij risicobronnen (een transportroute van gevaarlijke stoffen of van een risicovol bedrijf) worden ontwikkeld;
☐ Bestaande functies voor verminderd zelfredzame personen nabij risicobronnen mogen daar blijven;
☐ Bij nieuwe ontwikkelingen, zoals uitbreiding van woongebieden of een Bevi-inrichting een (eventuele) toename van het groepsrisico zo veel mogelijk beperken door bij de uitwerking van de plannen of vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico;
☐ De gemeente Zuidplas voert geen actief beleid om het aantal particuliere propaantanks in het buitengebied te verminderen;
☐ Uitgangspunt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico in beginsel niet wordt overschreden;
☐ De gemeente Zuidplas stelt in 2011 een route vast voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen;
☐ De gemeente Zuidplas wil onderzoeken of er mogelijkheden zijn om hulpverlening en zelfredzaamheid in de omgeving van risicobronnen te verbeteren;
☐ Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen de (risico)contouren van de luchthaven R'dam - The Hague Airport altijd in overleg met de provincie bepalen wat er mogelijk is en met welke randvoorwaarden rekening moet worden gehouden.
Gebiedsspecifieke ambities
De ambities zijn voorzover mogelijk vertaald naar ambities voor verschillende gebiedstypen, die ruimtelijk kunnen worden vertaald.
Bij de formulering van de ambities per gebiedstype is onderscheid gemaakt tussen verschillende zones rondom risicobronnen. De zones worden bepaald door de typen effecten die kunnen optreden bij een calamiteit met de betreffende risicobron. Grofweg worden drie typen effecten onderscheiden: een explosie, een giftige wolk en/of een brand. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen drie verschillende typen risicobronnen: inrichtingen, leidingen en ‘wegen en spoorlijnen’. Binnen de gemeente Zuidplas wordt onderscheid gemaakt tussen de gebiedstypen:
1Wonen (binnen bebouwde kom), recreëren;
2Buitengebied (buiten bebouwde kom);
3Bedrijventerreinen.
Figuur 2Gebiedstypen.
Uitvoeringsagenda
Onderdeel van deze visie vormt een uitvoeringsagenda met concrete acties die komende jaren door de gemeente Zuidplas opgepakt zullen worden. Om de uitvoering hiervan te borgen en te blijven monitoren, is deze uitvoeringsagenda gekoppeld aan het Ambtelijk VeiligheidsOverleg van de gemeente. Aangezien de meeste acties onderdeel vormen van langdurige trajecten, bijvoorbeeld het herzien van de EV-paragraaf van bestemmingsplannen, zal externe veiligheid niet elke vergadering worden geagendeerd. Vooralsnog wordt voorgesteld deze elk half jaar te agenderen.
3 RISICOBRONNEN GEMEENTE ZUIDPLAS
3.3 Transport van gevaarlijke stoffen
3.3.1 Vervoer over de weg
De gemeente Zuidplas werkt momenteel aan een nieuwe gemeentelijke route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De bereikbaarheid van LPG-tankstations en propaantanks in het buitengebied staat daarbij centraal. In februari 2011 is de route nog niet vastgesteld.
Door de gemeente Zuidplas lopen verder de volgende autosnelwegen en provinciale wegen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd:
-De rijkswegen A12 en A20;
-De provinciale weg N219 van Capelle aan den IJssel – naar Zevenhuizen;
-De provinciale weg N456: tussen A12 en A20 ten zuidwesten van Gouda.
Voor de provinciale wegen geldt dat er geen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour buiten de wegen ligt en dat in de gemeente Zuidplas vrijwel geen groepsrisico voorkomt hoger dan 0,1 maal de
oriëntatiewaarde. Alleen voor de rijksweg A20 ter hoogte van plan ‘Kleine Vink’ is het GR groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (zie rapport Signaleringskaart Midden Holland, AVIV, 13 februari 2009).
Voor de A12 geldt geen veiligheidszone conform de Circulaire RNVGS. Voor de A20 geldt een veiligheidszone van 32 meter vanuit het midden van de weg op basis van de Circulaire RNVGS.
Langs de rijksweg A20 zijn geen bluswatervoorzieningen aanwezigen. Dit is voor de rampenbestrijding een aandachtspunt. Zie voor een nadere toelichting bijlage 4.
3.3.2 Vervoer over het spoor
De spoorlijnen Utrecht-Gouda-Den Haag en Utrecht-Gouda-Rotterdam lopen door de gemeente Zuidplas Alleen over de spoorlijn Utrecht-Gouda-Rotterdam vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op de kaart “GR-niveau MH huidig” in bijlage-1 is te zien dat het groepsrisico ter hoogte van de kern Nieuwerkerk a/d IJssel de oriëntatiewaarde overschrijdt. De gemeente Zuidplas heeft van het ministerie van Verkeer en Waterstaat echter een brief ontvangen dat met de generieke maatregelen uit het Basisnet Spoor het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde zal uitkomen.
Figuur 4Ligging wegen en spoor met transport van gevaarlijke stoffen.
De spoorlijn is goed voor hulpdiensten bereikbaar. Tevens is het station in het centrum voorzien van droge blusleidingen. Zie voor een nadere toelichting bijlage 4.
3.3.3 Vervoer via buisleidingen
In de gemeente Zuidplas vindt tevens vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats. Het betreft voornamelijk vervoer van aardgas, maar daarnaast vindt ook vervoer van CO2 plaats en van brandstof.
Op enkele plekken zijn er 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren aanwezig rondom de aardgasleidingen. Zie bijlage 1 voor de ligging van deze locaties.
Figuur 5Ligging buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
3.3.4 Vervoer over het water
In de gemeente Zuidplas vindt beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen over het water plaats. Het vervoer is echter niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid. In de bijlage van de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen is geen vaarweg in de gemeente Zuidplas genoemd.
5 GEBIEDSGERICHTE AMBITIES
5.4 Gebiedsspecifieke gemeentelijke ambities
5.4.1 Wonen (binnen bebouwde kom), recreëren
Voor de gebieden wonen (binnen de bebouwde kom) en recreëren is de ambitie: “veilig wonen en recreëren”. Dit betekent dat er geen nieuwe Bevi-inrichtingen (zoals nieuwe LPG-tankstations) in woon- en recreatiegebieden mogen komen. Nabij bestaande LPG-tankstations en andere risicobronnen geldt terughoudendheid met bouwplannen in de directe omgeving. Hiermee is de veiligheid in grote mate geborgd voor de gebieden waar veel mensen wonen, verblijven en recreëren.
In onderstaande tabel zijn de ambities voor het gebiedstype ‘wonen (binnen bebouwde kom), recreëren” weergegeven.
5.4.2 Buitengebied (buiten bebouwde kom)
Voor buitengebieden (de gebieden buiten de bebouwde kom) geldt dat rekening moet worden gehouden met de zones van de risicobronnen die in die gebieden liggen of zones van risicobronnen die over het buitengebied heen vallen. De ambities voor het buitengebied zijn gebaseerd op de uitgangspunten dat hier niet intensief gewoond wordt en dat het buitengebied niet bestemd is voor bedrijvigheid met gevaarlijke stoffen. Een specifiek aandachtspunt voor het buitengebied is de aanwezigheid van propaantanks en het vervoer van propaan dat dit met zich meebrengt. Bij het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied dient dan ook rekening te worden gehouden met aanwezigheid van wegen waarover vervoer van propaan plaatsvindt (deze routes zijn niet op kaart opgenomen).
5.4.3 Bedrijventerreinen
Binnen de gemeente Zuidplas moet er ruimte zijn voor groei van (risicovolle) inrichtingen Om de groei van deze (risicovolle) inrichtingen mogelijk te maken, zijn Bevi-inrichtingen alleen toegestaan als de PR 10-6 contour van de inrichting binnen de inrichtingsgrens is gelegen. Tevens moeten de Bevi-inrichtingen voldoen aan de best beschikbare technieken. Wanneer een Wabo-vergunningsaanvraag voor een Bevi-inrichting zich voordoet, heeft de gemeente Zuidplas de voorkeur deze te vestigen op het bedrijventerrein “Gouwepark”. Overigens laat het bestemmingsplan van Gouwepark niet alle typen Bevi-inrichtingen toe. Het is daarom mogelijk dat voor Bevi-inrichtingen uitgeweken moet worden naar andere bedrijventerreinen binnen de regio. In onderstaande tabel zijn de ambities voor het gebiedstype ‘Bedrijventerreinen weergegeven.
In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van hoe de gemeente Zuidplas de ambities uit deze visie zal uitvoeren.
BIJLAGE 1 Kaartmateriaal
In deze bijlage zijn opgenomen:
Een A3 kaart van de ligging van alle risicobronnen met bijbehorende invloedsgebieden; Een kaart van de invloedsgebieden van wegen en spoorwegen;
Een kaart van de invloedsgebieden van buisleidingen; Een kaart met de invloedsgebieden van bedrijven;
Een kaart van de niveaus van het groepsrisico rondom transportassen.
BIJLAGE 2 Begrippenlijst
100% letaliteitsgrens
Deze afstand geeft de afstand weer waarop maximaal 100% van de aanwezigen komt te overlijden als gevolg van een voorval met gevaarlijke stoffen.
Activiteitenbesluit
Sinds 1 januari 2008 is op inrichtingen het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, ofwel het Activiteitenbesluit van toepassing. Als gevolg daarvan is er nogal wat veranderd in milieuvergunningenland. De standaard is niet meer ‘een vergunning, tenzij algemene regels’, maar ‘algemene regels tenzij vergunning’. Nu vallen de meeste inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit, tenzij er een vergunning moet worden aangevraagd. Ook op inrichtingen waarvoor nog steeds een vergunning moet worden aangevraagd, zijn delen van het Activiteitenbesluit van toepassing. Samengevat komt het op het volgende neer:
1Een inrichting is ófwel aan te merken als een gpbv-inrichting (IPPC-inrichting) of niet. Voor gpbv-inrichtingen is altijd een vergunning nodig. Deze inrichtingen vallen niet onder het Activiteitenbesluit. Alle andere inrichtingen vallen in beginsel onder het Activiteitenbesluit.
2Inrichtingen die geheel onder het Activiteitenbesluit vallen, zijn meldingsplichtig (Type B); of niet-meldingsplichtig zijn (Type A). Inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt (Type C inrichtingen, zijn genoemd in bijlage I van het Activiteitenbesluit, zoals Bevi inrichtingen).
3Voor Type C inrichtingen geldt dat op sommige activiteiten met gevaarlijke stoffen alsnog het Activiteitenbesluit van toepassing kan zijn.
Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen in werking getreden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Besluit verplicht het bevoegde gezag op grond van de Wet milieubeheer en Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Tevens beperkt het besluit het totale aantal personen dat zich in de directe omgeving van een risicovol bedrijf mag bevinden. Gemeenten en provincies moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen. Tevens moet de brandweer om advies worden gevraagd. Afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding is zodoende van groot belang. In onderstaand kader zijn de basisbegrippen van het Bevi toegelicht.
Op 25 september 2008 is de wijziging van het Bevi gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2008, 380). Deze is op 13 februari 2009 in werking getreden. Voor Schiphol heeft deze wijziging consequenties. Met het besluit “wordt de werkingssfeer van het Bevi op enkele punten beperkt. In de eerste plaats door het verbinden van een ondergrens aan vervoersgebonden inrichtingen die onder de werking van het Bevi vallen (artikel I, onderdeel B, eerste wijzigingsonderdeel). Aangezien een kwantitatieve risicoanalyse (Quantitative Risk Assessment, hierna: QRA) bij deze inrichtingen zelden of nooit tot een veiligheidscontour leidt die buiten de grens van de inrichting ligt, heeft deze wijziging geen effect op de beschikbare ruimte”(bron: Nota van Toelichting, Stb. 2008, 380).
PR, GR, VGR en invloedsgebied
PR
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron (inrichting of transportroute), aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt:
de kans dat een ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt; de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg daarvan.
Deze kans mag conform het Bevi en de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen (10-6) per jaar zijn. De norm van 10-6/jr geldt ten aanzien van zogenaamde kwetsbare objecten als grenswaarde, die niet mag worden overschreden, en ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het PR kan in de vorm van risicocontouren, die punten met eenzelfde PR verbinden, op kaart worden weergegeven.
GR
Cumulatieve kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen of vervoersas voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld. Wel is er de zogeheten oriëntatiewaarde. Deze dient door het bevoegde gezag te worden gehanteerd bij beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. De oriëntatiewaarde is een lijn in een zogenaamde fN-curve. De oriëntatiewaarde voor inrichtingen ligt in de curve een factor 10 lager dan die voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
VGR
Op grond van artikel 12 en 13 van Bevi moet het GR van risicobronnen worden verantwoord (VGR) door het bevoegde gezag. Het gaat hier om een bestuurlijke afweging waarbij de vraag aan de orde is of de omvang van een zwaar ongeval, gegeven de kans daarop, maatschappelijk kan worden aanvaard. In een VGR dient een aantal onderwerpen te worden meegenomen, waaronder zelfredzaamheid bij en beheersbaarheid van een zwaar ongeval.
Invloedsgebied
Gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van een risicobron. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitgrens, behalve voor LPG-tankstations, waar de grens van het invloedsgebied op 150 meter is gesteld. Voor vervoersassen geldt in principe een vaste afstand van 200 meter als invloedsgebied.
In het kader op de volgende pagina is een overzicht gegeven van inrichtingen die onder het Bevi vallen.
Inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is
a.een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;
b.een inrichting die bestemd is voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
c.een door Onze Minister bij regeling aangewezen spoorwegemplacement dat gebruikt wordt voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen;
d.andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10–6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet;
e.een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
f.een inrichting waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg per opslagplaats, niet zijnde een inrichting als bedoelt in onderdeel a of d;
g.een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 400 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoelt in onderdeel a of d, en
h.andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en met g, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10–6 per jaar en waarvoor bij die regeling afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn vastgesteld, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de bijhorende regeling (Revi) zijn ook per 1 januari 2008 gewijzigd. Het gaat in die wetswijziging vooral om de nieuwe aanwijzing van bedrijven die onder de regeling vallen (zoals opslag van propaan met meer dan 13 m3 inhoud, acetyleen, licht ontvlambare stoffen of giftige gassen). Daarnaast bevatten de wijzigingen nieuwe rekenvoorschriften voor het vaststellen van de risico’s en geven zij meer duidelijkheid over onderdelen van de regeling.
Basisnet Vervoer Gevaarlijke Stoffen
Het (nog wettelijk vast te stellen) Basisnet heeft als doel om bij de toewijzing van vervoerscapaciteit over een vervoersas rekening te houden met een vastgelegde risicoruimte. Deze risicoruimte dient dan tevens als randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen met bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Het besluit regelt de normering van de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en de relatie daarvan met ruimtelijke ordening. In eerste instantie is het besluit van toepassing op het vervoer van aardgas en zogenaamde K1, K2 en K3-stoffen.
Besluit Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)
Inventarisatie van risicorelevante bedrijven is verplicht in kader van het RRGS. De resultaten zijn opgenomen in de RRGS website (www.risicoregister.nl).
Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (BRZO 1999)
In dit besluit worden regels gesteld aan bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan of gebruiken. Aan de hand van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen is er een lage en hoge drempelwaarde ingesteld. Bedrijven die de lage drempelwaarde overschrijden, moeten een beleid ontwikkelen om zware ongevallen te voorkomen: het Preventiebeleid zware ongevallen (PBZO). Bedrijven die boven de hoge drempelwaarde vallen, moeten een veiligheidsrapportage (VR) opstellen. BRZO-bedrijven moeten tevens beschikken over een veiligheidsbeheersysteem (VBS)
Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev)
Naar verwachting treedt in 2011 het Besluit transportroutes externe veiligheid in werking. Hierin wordt de normering van externe veiligheid in relatie tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en ruimtelijke ordening vastgelegd.
Bestaande situaties
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bevi:
geldende Wm-vergunning;
vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten is toegelaten;
aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Zie ook nieuwe situaties.
Bevoegd gezag
Het bevoegde gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegde gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan. Dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels.
Buisleiding
Ondergrondse of bovengrondse pijpleiding bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, niet liggend op het terrein van een inrichting. Voor gasleidingen geldt een druk hoger dan 16 bar.
Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
In augustus 2004 is de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen uitgekomen, in samenwerking met de ministeries van V&W, VROM en BZK. De nota is in januari 2010 gewijzigd. Uitgangspunten hierbij zijn de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS) en het Besluit Externe veiligheid Inrichtingen (BEVI). Een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) externe veiligheid transport gevaarlijke stoffen is in voorbereiding (Besluit transportroutes externe veiligheid). Hierin zal het zogenaamde basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen worden vastgelegd.
Crisisbeheersingsplan
Een crisisbeheersingsplan is een organisatieoverzicht van de rampenbestrijding. Er staat in wat de bevoegdheden en taken van de gemeente zijn. Het crisisbeheersingsplan is het rampenplan van de gemeente, zoals bedoeld in de wet.
Effect
De effecten ten gevolge van:
explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling; brand;
toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen.
Effectgebied
Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt.
De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren.
Explosie
Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken als bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken. Explosies kunnen optreden bij:
brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG; sommige vluchtige vloeistoffen;
patronen en andere munitie;
professioneel en consumentenvuurwerk;
sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest; stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of hout.
Geprojecteerd object
Nog niet aanwezig object dat op grond van het vigerende bestemmingsplan toelaatbaar is.
Gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het vervoer of de opslag, risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, of grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren. Daarnaast kan het ook om afvalstoffen gaan.
Grenswaarde
Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken.
Groepsrisico (GR)
Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het groepsrisico weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongeval bij een bedrijf. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld. Wel is er de zogeheten oriëntatiewaarde, deze dient door het bevoegde gezag (de vergunningverlener, zijnde de provincie of de gemeente) te worden gehanteerd bij de overwegingen over het groepsrisico. Deze oriëntatiewaarde is de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar (voor vervoer: 10-4), met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar (voor vervoer: 10-6) en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar (voor vervoer: 10-8). Hieronder is een FN-diagram weergegeven voor een inrichting met daarin als voorbeeld een FN-curve en tevens de oriëntatiewaarde. LET OP: de oriëntatiewaarde voor vervoer van gevaarlijke stoffen ligt een factor 10 hoger dan die voor inrichtingen. Dit verschil is een keuze van het Rijk geweest en vastgesteld in het Bevi en de Circulaire RNVGS.
Groepsrisicoverantwoording
Op grond van artikel 12 en 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moet het groepsrisico van zogenaamde risicobedrijven kunnen worden verantwoord. Het gaat hier om een bestuurlijke afweging waarbij de vraag aan de orde is of de omvang van een zwaar ongeval, gegeven de kans daarop, maatschappelijk kan worden aanvaard.
Voor de invulling van de verantwoordingsplicht is nadrukkelijk gekozen voor een aanpak die is gericht op de gezamenlijke betrokkenheid van het bevoegd gezag, de Veiligheidsregio en het risicobedrijf. Deze partijen moeten er dus samen voor zorgen dat de externe veiligheid een volwaardige plaats krijgt in de besluitvorming (zie ook bijlage 2).
Inrichting
Het begrip ‘inrichting’ wordt in algemene zin gedefinieerd in artikel 1.1 lid 1 Wm. Daarin wordt het omschreven als: “Elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.”
Invloedsgebied
Het invloedsgebied voor het groepsrisico is het gebied gelegen tussen de risicobron en de zogenaamde 1% letaliteitsgrens. Deze afstand geeft de afstand weer waarop maximaal 1% van de aanwezigen komt te overlijden als gevolg van een voorval met gevaarlijke stoffen. In afwijking hiervan geldt voor LPG-tankstations dat de grens van het invloedsgebied op 150 meter ligt. Het is het gebied waarin volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) personen worden meegeteld voor de berekening van het groeprisico.
Kans op dodelijke slachtoffers
Bij het externe veiligheidsbeleid wordt gesproken over risico’s. Hierbij gaat het om de kans dat er een ongeval gebeurt waarbij het effect is dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het gaat hierbij om slachtoffers die direct en binnen 2 à 3 weken overlijden ten gevolge van dat ongeval. Naast het effect dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen, kunnen er ook veel gewonden zijn.
Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De effectbenadering is dan ook vooral van belang bij de repressietaak van de hulpverleningdiensten, want het geeft het gebied aan waarbinnen zij moeten optreden. Over het algemeen kan het aantal gewonden worden gekoppeld aan het aantal dodelijke slachtoffers, aangezien met het beperken van de kans op dodelijke slachtoffers tevens de kans op gewonden wordt verkleind. Ook de voorbereiding op en de bestrijding van de effecten van een ongeval en de nazorg hebben zowel betrekking op gewonden als op dodelijke slachtoffers.
Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour.
Kwetsbaar object en beperkt kwetsbaar object
Bij de normstelling in Bevi wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare bestemmingen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang voor de toepassing van de normen voor het plaatsgebonden risico. Ook de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen kent een onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De definities komen grotendeels overeen. In onderstaand overzicht zijn enkele voorbeelden gegeven van objecten die kwetsbaar of beperkt kwetsbaar zijn (dit overzicht is niet uitputtend).
Kwetsbare objecten zijn objecten die of vanwege hun functie of vanwege de aanwezigheid van veel personen beschermd moeten worden. Beperkt kwetsbare objecten zijn objecten die vanwege de aard ervan iets minder bescherming nodig hebben dan kwetsbare objecten. Voor beide categorieën inrichtingen geldt dat het bevoegd gezag gemotiveerd objecten aan de lijst mag toevoegen. Objecten die niet onder een van beide categorieën kunnen worden ingedeeld, worden vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet als kwetsbaar beschouwd. De normen uit Bevi zijn op dergelijke objecten niet van toepassing. Te denken valt bijvoorbeeld aan een provinciale weg.
Kwetsbare objecten
Beperkt kwetsbare objecten
Woningen
Verspreid liggende woningen (2/ha)
Ziekenhuizen, bejaarden- en verpleeghuizen e.d.
Dienst- en bedrijfswoningen
Scholen en dagopvang minderjarigen
Kantoorgebouwen ( < 1500 m2 )
Kantoorgebouwen en hotels ( > 1500 m2 )
Hotels en restaurants ( < 1500 m2 )
Winkelcentra ( > 1000 m2 > 5 winkels )
Winkels
Winkel met supermarkt ( > 2000 m2 )
Sport- , kampeer- en recreatieterreinen
(<50 personen)
Kampeer- en verblijfsrecreatieterrein ( > 50 pers. )
Bedrijfsgebouwen
Andere gebouwen met veel personen
Equivalente objecten
Objecten met hoge infrastructurele waarde
Let op: hoewel bedrijfsgebouwen als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt, worden bedrijfsgebouwen van inrichtingen die onder het BEVI vallen niet als beperkt kwetsbaar object aangemerkt bij de toepassing van de normen voor het plaatsgebonden risico.
De circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik kent een definitief van kwetsbare objecten die net even anders is (niet toegestaan binnen B-zone), namelijk:
Woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in beperkt kwetsbare objecten;
Gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
Ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; Scholen;
Gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
Gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object;
Complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.
De circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik ken een wat andere definitie van beperkt kwetsbar objecten (eveneens niet toegestaan binnen B-zone), namelijk:
Verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, en dienst-en bedrijfswoningen van derden;
Kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten vallen;
Hotels en restaurants, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten vallen; Winkels, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten vallen;
Sporthallen, zwembaden en speeltuinen;
Sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten vallen;
Bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten vallen;
Objecten die vergelijkbaar zijn met bovengenoemde objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
Objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten conform de Circulaire RNVGS.
I Kwetsbaar object:
a.woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in categorie II onder a 1o;
b.gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
1ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
2scholen;
3gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
c.gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
1kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object;
2complexen, waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt, en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per object, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
d.kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
II Beperkt kwetsbaar object:
1verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare;
2dienst- en bedrijfswoningen van derden en
3lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het plaatsgebonden risico van een route of tracé;
b.kantoorgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
c.hotels en restaurants, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
d.winkels, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
e.sporthallen, zwembaden en speeltuinen;
f.sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet in categorie I onder d vallen;
g.bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
h.objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en
i.objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;
j.objecten, zoals wegrestaurants over of naast een weg en passagiersstations, die een functionele binding hebben met de risico opleverende activiteit.
III Objecten noch kwetsbaar, noch beperkt kwetsbaar:
Inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer waarin gevaarlijke stoffen in voor de externe veiligheid niet te verwaarlozen hoeveelheden aanwezig zijn of kunnen zijn. Het gaat daarbij in ieder geval om:
a.een inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is;
b.een inrichting die bestemd is voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
c.een door de minister van VROM bij regeling aangewezen spoorwegemplacement dat wordt gebruikt voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen;
d.andere door de minister van VROM bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan inrichtingen als bedoeld onder a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer;
e.een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit LPGtankstations milieubeheer;
f.een inrichting waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kg per opslaggebouw, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d;
g.een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 400 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d;
h.vervoersassen.
Nieuwe situaties
Het betreft situaties ná inwerkingtreding van het Bevi (27 oktober 2004):
het nemen van alle ruimtelijke besluiten het oprichten van een inrichting;
het veranderen van een bestaande inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is en waarbij de verandering nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico;
Zie ook bestaande situaties.
Ontruimingsplan
Een ontruimingsplan geeft aan hoe een ontruiming van een gebouw of een terrein moet plaatsvinden. De overheid eist in bepaalde gevallen een ontruimingsplan van bedrijven. Het gaat daarbij uiteraard om de veiligheid van groepen mensen die aanwezig kunnen zijn.
Oriëntatiewaarde
Betreft een toetsingswaarde (die het karakter heeft van een oriëntatiewaarde), waarvan het bevoegd gezag gemotiveerd mag afwijken. Een oriëntatiewaarde heeft een juridische status maar is geen grenswaarde.
PBZO-bedrijf
In het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO 1999) zijn criteria opgenomen waarmee wordt bepaald welke bedrijven een risico van zware ongevallen met zich meebrengen. Onderscheid wordt gemaakt tussen BRZO-bedrijven van de zware en de lichte categorie. Deze lichte categorie wordt ook wel 'PBZO-bedrijven' genoemd. Bedrijven van de lichte categorie moeten onder andere een 'preventiebeleid zware ongevallen' hebben en een veiligheidsbeheerssysteem.
Plaatsgebonden Risico
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron (inrichting of transportroute), aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt:
de kans dat een ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt; de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg daarvan.
Deze kans mag conform het Bevi, de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Bevb maximaal 1 op een miljoen (10-6) per jaar zijn. De norm van 10-6/jr geldt ten aanzien van kwetsbare objecten als grenswaarde, die niet mag worden overschreden, en ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Rondom een inrichting of transportroute bestaat op sommige plaatsen hetzelfde risico. Deze plaatsen kunnen als een lijn (een risicocontour) op een kaart gezet worden.
Plasbrand aandachtsgebied (PAG)
Het PAG is een zone van 30 meter aan weerszijden van rijkswegen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het PAG moet het bevoegd gezag onderbouwen, waarom het de ontwikkelingen wil toestaan. Het PAg is een nieuw begrip dat zal worden opgenomen in het Besluit Transport Externe Veiligheid, dat ontwikkeld wordt in het kader van het basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen voor rijkswegen.
Ramp
Volgens de Wet rampen en zware ongevallen is een ramp of zwaar ongeval een gebeurtenis:
1waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en
2waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken
De Wet rampen en zware ongevallen is inmiddels vervangen door de Wet op de veiligheidsregio’s (Wvr).
Rampenbestrijdingsplan
In een rampenbestrijdingsplan legt een gemeente vast welke voorbereidingen zijn getroffen voor de bestrijding van een specifieke ramp of een specifieke soort ramp. De gemeente moet een beleid hebben waarin is bepaald voor welke overige gevallen een rampenbestrijdingsplan wordt gemaakt. Het gaat erom dat er een rampenbestrijdingsplan komt voor rampen en zware ongevallen waarvan de plaats, de aard en de gevolgen voorzienbaar zijn. Voor sommige risicosituaties is een rampbestrijdingsplan direct wettelijk verplicht. In een rampenbestrijdingsplan moet de afstemming met aangrenzende gemeenten en aangrenzende gebieden in buurlanden zijn gewaarborgd.
Register risicosituaties gevaarlijke stoffen
Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) is een centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze gegevens worden beheerd door het RIVM en via Internet op een risicokaart gepresenteerd.
Daarnaast worden deze gegevens gebruikt in plaatselijke risicokaarten die ook andere risicosituaties tonen (www.risicoregister.nl).
Richtwaarde
Richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico. Van een richtwaarde mag slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken.
Risicobron
De plaatsen waar risico's vandaan (kunnen) komen, worden risicobronnen genoemd. Het betreft hierbij:
bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden gemaakt, gebruikt of opgeslagen;
routes en pijpleidingen waarover of -door gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Risicocontouren
Een risicocontour geeft aan hoe hoog in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner.
Risicokaart
Een risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Het gaat daarbij om risicobronnen waardoor mensen direct letsel kunnen oplopen. Bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen en andere relevante risico's, zoals overstromingen. In totaal kunnen de risico's van een dertiental verschillende ramptypen op kaart worden getoond. Maar er zijn ook risicokaarten waarop alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen staan.
Route gevaarlijke stoffen
Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Alle rijkswegen (enkele tunnels onder belangrijke vaarwegen daargelaten) en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld kwetsbare situaties, zoals dichte bebouwing, de aanwezigheid van een ziekenhuis of de ligging van een waterwingebied. De gemeente kán vervolgens ook vrijstelling verlenen aan bedrijven als deze hiertoe een verzoek indienen.
Verantwoording groepsrisico
Zie groepsrisicoverantwoording.
Verminderd zelfredzame personen
Zie: zeer kwetsbare groepen.
Vervoersas of transportroute
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt vooral plaats over de weg, over het water, per spoor en door buisleidingen.
Veiligheidsrapport
De meest gevaarlijke bedrijven die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999), moeten een veiligheidsrapport opstellen. In het veiligheidsrapport moet onder andere worden aangetoond dat:
een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem zijn ingevoerd;
gevaren zijn geïdentificeerd en doeltreffende maatregelen zijn genomen; de installatie en de bedrijfsvoering voldoende veilig en betrouwbaar zijn.
Veiligheidszone
Een door bevoegd gezag bepaalde zone waarbinnen zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden.
Vuurwerkbesluit
Het Vuurwerkbesluit bevat regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk. Per 1 maart 2004 is een herziene versie van het Vuurwerkbesluit in werking getreden en is de overgangstermijn verlopen. In maart 2006 is het besluit nog gewijzigd. Indien een bedrijf per die datum niet kon voldoen aan de eisen uit het Vuurwerkbesluit, was het niet toegestaan om vuurwerk op te slaan. Melding-plichtige inrichtingen die moesten stoppen hadden nog tot eind 2004 de mogelijkheid een schadevergoeding aan te vragen bij het Rijk. Hiervoor moest de gemeente wel een verklaring afgeven. Bij vergunning plichtige inrichtingen die moesten stoppen, moest de gemeente tevens actie ondernemen door de procedure te starten om milieuvergunningen in te trekken. Het bevoegde gezag moest beoordelen of een vuurwerkbedrijf al dan niet aanpassingen zou kunnen plegen om te voldoen aan de eisen uit het Vuurwerkbesluit. Een bedrijf dat echt niet kon voldoen aan de eisen van het Vuurwerkbesluit, had in veel gevallen recht op een schadevergoeding volgens een vaststaande berekeningswijze. De kosten van de schadevergoedingen voor de sanering van vuurwerkbedrijven worden door VROM aan het bevoegde gezag vergoed als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)
De Wet vervoer gevaarlijke stoffen gaat over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor en via de binnenwateren. Onder de wet hangt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en drie ministeriële regelingen met internationale voorschriften voor vervoer over de weg, per spoor en over water. Hierin zijn routeplichtige stoffen aangewezen, waarvoor de gemeente routes mag aanwijzen. De handhaving van de Wvgs wordt uitgevoerd door de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW).
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. De zelfredzaamheid kan positief beïnvloed worden door:
a.de voorzieningen in het gebied waarmee vluchten mogelijk wordt gemaakt (infrastructurele mogelijkheden);
b.de fysieke mogelijkheden van de aanwezige populatie om te vluchten;
c.de mate waarin men is voorbereid op de eventuele noodzaak om te vluchten of hiertoe tijdig instructies ontvangt (mentale mogelijkheden).
Zeer kwetsbare groepen
Onder “zeer kwetsbare groepen”, worden personen verstaan, die door geestelijke of lichamelijke beperkingen of door zeer jonge leeftijd of door opsluiting voor langere tijd, niet in staat zijn om zich zelfstandig binnen korte tijd in veiligheid te brengen of bescherming te zoeken voor een dreigend gevaar door het vrijkomen van een gevaarlijke stof. Voorbeelden van functies bedoeld voor verminderd zelfredzame doelgroepen zijn: basisscholen, kinderdagverblijven, verzorgingstehuizen, opvang gehandicapten, penitentiaire inrichtingen, enz.
BIJLAGE 3 Wet- en regelgeving
Het externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in diverse documenten. Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) ,de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn op dit moment de belangrijkste. Hierin zijn de risicomaten plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) vastgelegd, evenals de zogenaamde verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (VGR). Daarnaast is er een Amvb voor transport van gevaarlijke stoffen in ontwikkeling. Het Bevi, de Circulaire RNVGS en het Bevb regelen de koppeling tussen externe veiligheidsrisico’s enerzijds en ruimtelijke ordening anderzijds. Hierna volgt een korte toelichting op de voornaamste wet- en regelgeving.
Bevi : Besluit externe veiligheid inrichtingen
In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) is het Nederlandse externe veiligheidsbeleid opgenomen voor inrichtingen die gebruik maken van gevaarlijke stoffen en aan bepaalde randvoorwaarden voldoen. Het Bevi is o.a. van toepassing op inrichtingen met meer dan 10 ton van bepaalde gevaarlijke stoffen, ammoniakkoelinstallaties, LPG-tankstations en inrichtingen waarop het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (Brzo) van toepassing is.
Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
De randvoorwaarden die gesteld worden aan het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn beschreven in de Circulaire RNVGS. Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende modaliteiten: weg, water, spoor, buisleidingen. Momenteel wordt voor vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen het zogenaamde basisnet ontwikkeld. Het basisnet wordt wettelijk verankerd in het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit zal op termijn voor rijkswegen de Circulaire vervangen (zie kader).
Het vervoer van ontplofbare stoffen valt niet onder de Circulaire en straks ook niet onder het basisnet. Het vervoer van ontplofbare stoffen kent geen ruimtelijke doorwerking en is daarom niet relevant voor deze visie.
Basisnet
Het Ministerie van V&W ontwikkelt het zogenaamde Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Het basisnet wordt vastgelegd in een Amvb. Doel van het Basisnet is om bij de toewijzing van vervoerscapaciteit over een vervoersas rekening te houden met een vastgelegde risicoruimte. Deze risicoruimte dient dan tevens als randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Verder wordt in het basisnet weg een aantal wegen aangewezen waarop een zogenaamde veiligheidszone en/of een plasbrand aandachtsgebied (PAG) wordt aangewezen. Het PAG is een zone van 30 meter aan weerszijden van de weg. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het PAG moet het bevoegd gezag onderbouwen, waarom het de ontwikkelingen wil toestaan. Het basisnet gaat vooralsnog niet gelden voor provinciale en gemeentelijke wegen.
Bevb : Besluit externe veiligheid buisleidingen
Per 1 januari is de AMVB Buisleidingen en de bijbehorende regeling in werking getreden. In de Amvb wordt het beleid voor buisleidingen vastgelegd aan de hand van de begrippen PR en GR. Tot nu toe werden deze begrippen in het beleid voor buisleidingen niet gehanteerd.
Wvr : Wet Veiligheidsregio’s
De Wvr is begin 2010 aangenomen en is op 1 oktober dit jaar in werking getreden. Deze wet vervangt de Brandweerwet 1985, de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (Wghor) en de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo).
BIJLAGE 4 Elementen voor standaard verantwoording groepsrisico
Bij een verantwoording van het groepsrisico is het verplicht om de volgende elementen mee te nemen:
1Het aantal personen in het invloedsgebied;
2Het groepsrisico;
3De mogelijke alternatieven;
4De mogelijkheden tot risicovermindering;
5De mogelijkheden van rampenbestrijding;
6De mogelijkheden van zelfredzaamheid.
In deze bijlage zijn standaardteksten uitgewerkt die gebruikt kunnen worden voor uitwerking van de (standaard) verantwoording van het groepsrisico. Welke teksten gebruikt moeten worden, is afhankelijk van de situatie (meestal de ontwikkellocatie). De relevante risicobronnen bepalen welke scenario’s relevant zijn en hoe deze bestreden kunnen worden; de ontwikkellocatie en kenmerken van de bebouwing bepalen hoe het zit met zelfredzaamheid en bluswatervoorzieningen. In deze bijlage is inzicht gegeven in de status van de bluswatervoorzieningen. In sommige gevallen zijn de bluswatervoorzieningen nog niet optimaal. Dit zijn aandachtspunten; geen knelpunten.
1Het aantal personen in het invloedsgebied
Het bepalen van het aantal personen binnen het invloedsgebied van een risicobron is situatiespecifiek.
Deze gegevens dienen ten tijde van het project te worden bepaald.
2Het groepsrisico
Het bepalen van de hoogte van het groepsrisico van een risicobron is situatiespecifiek. Deze gegevens dienen ten tijde van het project te worden bepaald.
3De mogelijke alternatieven
Het bepalen van alternatieven is situatiespecifiek. Deze gegevens dienen ten tijde van het project te worden bepaald.
4De mogelijkheden tot risicovermindering
In de meeste situaties zal het plangebied leiden tot een verandering van het groepsrisico. Afhankelijk van de situatie zal dit een (lichte) toename of afname zijn. Bij een kleine verandering wordt de risicosituatie voornamelijk bepaald door de huidige situatie/autonome ontwikkeling (afhankelijk van de situatie). Om deze reden is het treffen van ruimtelijke maatregelen in dat geval niet nodig. Het treffen van bronmaatregelen is bij ruimtelijke besluiten niet mogelijk.
55+6. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en maatgevende scenario’s
De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid worden mede bepaald door de maatgevende scenario’s. In de onderstaande tabel is opgenomen welke maatgevende scenario’s per type risicobron bepalend zijn:
Tabel 5Maatgevende scenario’s.
Koude
BLEVE
Warme
BLEVE
Gaswolk-explosie
Toxische wolk
Fakkel
aardgastransportleiding
x
spoorlijn
x
x
x
rijksweg
x
x
x
propaantank/LPG
tankstation
x
PGS 15- opslag
x
Hierna worden de verschillende scenario’s toegelicht:
Volledige breuk van gasleiding (fakkel)
Een volledige breuk van de aardgastransportleiding kan optreden als gevolg van een (ernstige) beschadiging. Bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden, uitgevoerd door derden in de directe omgeving van de aardgastransportleiding. Indien de leiding ineens breekt, komt een grote hoeveelheid aardgas vrij. Dit aardgas zal in de meeste gevallen direct ontsteken, wat een (verticale) fakkel tot gevolg heeft. De fakkel kan, afhankelijk van de eigenschappen van de leiding, tot een hoogte van enkele honderden meters reiken. Buiten de fakkel zullen mensen komen te overlijden als gevolg van de warmtestraling. Personen die zich binnen bevinden worden hiertegen beschermd. De hulpverleningsdiensten zullen zich bij een volledige breuk richten op redden van mensen, het ontruimen van het gebied en het blussen van secundaire branden in de omgeving.
Warme BLEVE
De warme BLEVE kan optreden ten gevolge van langdurig aanstralen door een brand bij een tank met brandbare gassen. Door de hitte neemt de druk in de tank toe, waardoor deze op een gegeven moment ineens zal bezwijken. Er komt dan een vuurbal vrij. Personen binnen deze vuurbal komen te overlijden. Buiten de vuurbal (tot de grens van het invloedsgebied) kunnen dodelijke slachtoffers vallen als gevolg van de warmtestraling. Het scenario warme BLEVE heeft enige ontwikkeltijd. Over het algemeen is de druk in de tank na 15 à 20 minuten dusdanig hoog dat de tank bezwijkt. Bronbestrijding is mogelijk mits koeling van de tank snel genoeg gestart wordt. Zolang de tank niet faalt, zijn er geen slachtoffers en is er tijd om het gebied te ontruimen. Randvoorwaarde hierbij is dat de brandweer voldoende snel ter plaatse kan zijn en dat er bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn.
Koude BLEVE
Een koude BLEVE ontstaat doordat de inhoud van de tank, bijvoorbeeld door een botsing, ineens vrijkomt in de vorm van een vuurbal. Er komt dan een vuurbal vrij, personen binnen deze vuurbal komen te overlijden. Buiten de vuurbal (tot het invloedsgebied) kunnen dodelijke slachtoffers vallen als gevolg van de warmtestraling. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Als gevolg van een BLEVE kan er bij personen longschade, brandwonden en mechanische verwondingen optreden.
Wolkbrandexplosie
Een wolkbrand ontstaat wanneer een tot vloeistof verdicht gas bij instant falen onder druk expandeert tot een dampwolk die ontsteekt door aanwezigheid van een externe ontstekingsbron (vertraagde ontsteking). Een wolkbrand geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Alleen personen die zich binnen de wolk bevinden zullen komen te overlijden. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden
voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Als gevolg van een wolkbrandexplosie kan/kunnen er bij personen longschade, brandwonden en mechanische verwondingen optreden.
Toxische wolk
Toxische stoffen kunnen vrijkomen als een tankauto met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas (bij vloeistoffen) of een wolk (bij gassen). Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Bron/effectbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Voor het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal dit zeer lastig zijn.
Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden en bouwwerken zijn voorzien van afsluitbare ventilatiesystemen. Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat de bevolking tijdig gewaarschuwd wordt. Dit kan met behulp van zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen).
Situatieschets bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen
Door de brandweer Hollands-Midden is er een brandweerveiligheidsadvies bereikbaarheid en bluswater opgesteld voor de visie externe veiligheid Zuidplas. Onderstaand is het resultaat van het brandweeradvies opgenomen. De aandachtspunten die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen kunnen in de standaard verantwoording van het groepsrisico worden meegenomen.
Risicovolle inrichtingen
De bereikbaarheid is voor alle EV bedrijven 2 zijdig. De bluswater voorziening is onvoldoende bij enkel objecten zoals Weerheim, Bezinex en Oliehandel V/D Elst en bij het object Recreatiepark De Randstad is het nog onbekend. We adviseren voor de bovengenoemde locaties afdoende bluswatervorzieningen aan te brengen.
Een aandachtspunt bij de aanwezige geboorde putten is wel het onderhoud, deze is nu onbekend bij de brandweer. De eigenaar is hier verantwoordelijk voor.
Tabel 6 Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid.
Naam
inrichting
Type Bluswatervrz.
Bereikbaarheid
Van Gennep
LPG
Voldoende bkn
2zijdig
De Vink
LPG
Geboorde put 90m3
2zijdig
Maatveld
LPG
Geboorde put 90m3
2zijdig
Van Weelde
LPG
Voldoende Gbp + Bk
2zijdig
Weerheim
LPG
Onvoldoende
2zijdig
Benzinex
LPG
Onvoldoende
2zijdig
Recreatiepark
Oosteinde
Propaan
Geboorde put 60m3
2zijdig
Recreatiepark
Ijsseldreef
Propaan
Geboorde put 60m3
2zijdig
Resiflow
PGS 15
Voldoende bkn
2zijdig
IJsselcoatings
PGS 15
Voldoende bkn
2zijdig
Recreatiepark De Randstad
Propaan
Niet bekend
2zijdig
Oliehandel V/D Elst
Tankwagens
Onvoldoende
2zijdig
Spoorlijn
De spoorlijn door Nieuwerkerk aan den IJssel is voor een groot deel voorzien van geluidschermen waarin vluchtdeuren zijn aangebracht. Het spoor is bereikbaar via poorten en hekwerken in en langs het spoor. De poorten in de hekwerken en de geluidschermen zijn voorzien van sleutelbuizen met daarin de sleutels van de poorten. Langs de Zuidplaslaan zijn 2 bruggen met poorten over de spoorsloot aangelegd. Bij de vluchtpoorten in de geluidsschermen zijn om de 250/300 meter een aantal trapopgangen in het spoortalud aangebracht. Het station in het centrum is via trappen bereikbaar en op beide perrons zijn droge blusleidingen aangebracht met voedingsaansluitingen in RVS-kasten.
Snelweg A20
Langs de A20 liggen te ondiepe bermsloten. Aan de noordwestzijde en ter hoogte de nieuwbouwwijk Nesselande Rotterdam is deze bermsloot niet meer aanwezig. Er is langs de A20 geen bluswatervoorziening aanwezig.
Routering gevaarlijke stoffen
De routering gevaarlijke stoffen is niet beoordeeld. Er kan vanuit worden gegaan dat er geen problemen zijn met bluswater wanneer er door woongebieden en industrieterreinen wordt gereden. De gebieden buiten de bebouwde kom en randwegen zijn niet of nauwelijks voorzien van bluswatervoorzieningen.
BIJLAGE 5 Risicobronnen gemeente Zuidplas
Risicovolle inrichtingen
Van Gennep Tankstation (LPG tankstation, warme BLEVE) BP Tankstation De Vink (LPG tankstation, warme BLEVE)
Zelftankstation F & F Maatveld (LPG tankstation, warme BLEVE) Tankstation van Weelde B.V. (LPG tankstation, warme BLEVE) Weerheim Carsupport (LPG tankstation, warme BLEVE)
Texaco Benzinex (LPG tankstation, warme BLEVE)
Resiflow; (PGS 15, brand met toxische verbrandingsproducten)
IJssel Coatings; (PGS 15, brand met toxische verbrandingsproducten)
Buiten de gemeente Zuidplas
Sigma Coatings (Ammoniakinstallatie, toxisch scenario)
Buisleidingen
Door de gemeente Zuidplas loopt een aantal buisleidingen, te weten:
Een buisleiding voor het transport van CO2; Aardgastransportleiding A-518-01-KR-001;
Aardgastransportleiding A-518-03-KR-001/002; Aardgastransportleiding A-518-KR-014/15;
Aardgastransportleiding A-518-KR-022;
Aardgastransportleiding W-521-01-KR-014/15; Aardgastransportleiding W-521-18-KR-001;
Aardgastransportleiding W-521-25-KR-001/002; Aardgastransportleiding W-521-29-KR-001/002; Aardgastransportleiding A-553-KR-100;
Aardgastransportleiding A-553-KR-104;
Aardgastransportleiding A-553-KR-108/109; Brandstofleiding (DPO) P31B.
Tevens zal nog een nieuwe aardgastransportleiding worden aangelegd. In deze visie is rekening gehouden met de meest waarschijnlijke ligging van deze nieuwe leiding: A-803.
De DPO leiding betreft een 12” brandstofleiding met een druk van 80 bar, voor brandbare vloeistoffen (K1 categorie). In 2008 hebben het ministerie van VROM en het RIVM middels een briefwisseling een interim beleid voorgesteld voor leidingen met brandbare vloeistoffen. Voor deze DPO-leiding komt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour volgens dit beleid op 15 meter te liggen. Het invloedsgebied zal slechts enkele meters verder liggen dan de 10-6-contour. Er is geen sprake van een groepsrisico bij dichtheden tot 255 personen per hectare. In de gemeente Zuidplas worden deze dichtheden niet overschreden in de omgeving van de DPO-leiding.
Wegen
Door de gemeente Zuidplas lopen verder de volgende autosnelwegen en provinciale wegen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd:
De rijkswegen A12 en A20;
De provinciale weg N219 van Capelle aan den IJssel – naar Zevenhuizen; De provinciale weg N456: tussen A12 en A20 ten zuidwesten van Gouda.
Spoorlijn
Door de gemeente Zuidplas loopt de spoorlijn Utrecht-Gouda-Rotterdam waar vervoer van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt.