2 Rentelasten en rente-omslagpercentage
2.1 Rentelasten
2.1.1 Financieringsbehoefte: Vreemd vermogen
De financieringsbehoefte is het bedrag aan benodigde financiering nadat de eigen financieringsmiddelen zijn ingezet. Het betreft de hoeveelheid middelen die geleend (vreemd vermogen) worden.
De financieringsbehoefte varieert in de tijd vooral als gevolg van wijziging in investeringen (bezittingen), wijzigingen in de beschikbaarheid van eigen financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) en wijzigingen in de omvang en fasering van geldstromen uit rijksuitkeringen, subsidies en grondexploitaties.
Hieronder staat (als voorbeeld) de berekening van de benodigde vreemde financieringsmiddelen voor de meerjarenbegrotingbegroting 2025 opgenomen. Voor 2025 t/m 2027 is de financieringsbehoefte negatief, er hoeft dan dus geen vermogen te worden aangetrokken.
De berekening in tabel
2De opgenomen stand van reserves en voorzieningen wijkt af van wat in de programmabegroting is te zien in de financiële begroting Voor de financieringsbehoefte is een andere inschatting gemaakt (praktijkgericht begroten) dan op basis van het in de begroting opgenomen beleid mag worden verwacht. De jarenlange ervaring leert dat de afloop van de reserves en voorzieningen altijd minder hard gaat dan begroot.
is opgebouwd uit:
•De bezittingen (activa) die gefinancierd moeten worden. De inschatting van deze bezittingen bestaat uit de huidige activa en de toekomstige activa (vervangingsinvesteringen en nieuwe investeringen)
•De eigen financieringsmiddelen die worden ingezet als financiering voor de activa. Deze eigen financieringsmiddelen bestaan uit reserves en voorzieningen en overliquiditeit
3De overliquiditeit bestaat hoofzakelijk uit 2 componenten, 1) Geleend geld, 2) vooruit ontvangen subsidies en specifieke uitkeringen. Door vertraging in de investeringen staat dit geld tijdelijk onbenut bij de schatkist.
.
•Het resultaat van de te financieren bezittingen -/- de eigen financieringsmiddelen. Dit is het bedrag dat volgens de inschatting met vreemd vermogen gefinancierd moet worden. In de huidige situatie is dit tot en met 2027 negatief. Dat betekent dat er in die jaren geen behoefte is aan (additioneel) vreemd vermogen. Vanaf 2028 is er wel behoefte aan vreemd vermogen.
Om in de financieringsbehoefte te voorzien worden leningen aangetrokken. In tabel 2 staat de uitsplitsing van de vreemde financieringsmiddelen voor de jaren 2025 – 2028. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande leningen en leningen die nog moeten worden aangetrokken. In tabel 2 staat de verwachte omvang aan te trekken leningen op € 44 mln. in 2028. In tabel 1 staat de financieringsbehoefte op € 64 mln. Het verschil betreft de te verwachten instromen in de vorm van specifieke uitkeringen en of subsidies gedurende het jaar. Ook voor deze tabel is aangesloten bij de programmabegroting 2025-2028.
Bij het aantrekken van leningen kan gekozen worden voor leningen met een korte looptijd (korter dan een jaar of daggeldleningen) of leningen met een langere looptijd. Afhankelijk van de verwachte duur en omvang van de financieringsbehoefte wordt een passende financieringstermijn gekozen. Omdat de rente van een kortlopende lening normaal gesproken lager is dan van een langlopende lening wordt in de praktijk vaak gekozen van het optimaal benutten van de kasgeldlimiet. Dit is een wettelijk voorgeschreven limiet om te voorkomen dat gemeenten veel renterisico gaan lopen wanneer de rente gaat stijgen. De limiet is gesteld op 8,5% van het begrotingstotaal. Voor de periode 2025 t/m 2028 schommelt de limiet daarmee rond de € 45 mln.
Voor de begroting is echter voorzichtigheidshalve gerekend met de duurdere lange rente in 2028. Tot 2028 is geen enkele extra lening nodig. De bestaande leningen zijn aangegaan in een tijd dat we nog wel financieringsbehoefte hadden. De scheidslijn hierin betreft de verkoop van Eneco en daarna zijn er diverse subsidies en of specifieke uitkeringen met een langjarig karakter ontvangen die maken dat de gemeente tijdelijk geen nieuwe leningen nodig heeft.
In paragraaf 2.1.2 wordt ingegaan op de rentekosten die samenhangen met het aantrekken van leningen met een lange of korte looptijd.
2.1.2 Rentescenario
Over de vreemde financieringsmiddelen moet rente worden betaald. Om in de begroting een raming te geven van de te betalen rente wordt gewerkt met een rentescenario. De in het rentescenario opgenomen rentepercentages voor respectievelijk lang en kort geld worden gehanteerd als kostprijs voor het aan te trekken vreemd vermogen. We gebruiken hiervoor dus niet de werkelijk te betalen rente van dit moment. Doel is schommelingen in de marktrente dempen in onze ramingen en besluitvorming. Aangezien de financiering vooral voor vaste activa met looptijden van 10 jaar of langer is, is het niet de verwachting dat de rente gedurende deze hele looptijd hetzelfde blijft. Daarom rekenen we met een fictief rentepercentage zodat we ook in de toekomst voldoende dekking hebben voor onze financiering. Uitgangspunt hierbij is dat wij als gemeente zelf geen visie hebben hoe de rente zich gaat ontwikkelen, maar voor een aanpassing van het scenario maken we gebruik van een aantal variabelen, waarbij we benadrukken dat het bepalen van het scenario geen exacte wetenschap is. Voeding voor een mogelijke aanpassing komt uit onderstaande informatiebronnen:
•De actuele rente die volgens het scenario van toepassing is
•De actuele en nabij toekomstige financieringsbehoefte
•De actuele rente op de kapitaalmarkt, hiervoor wordt gekeken naar de 10 jaars fixe die van de refirente
4De refirente (refinancing rate) of herfinancieringsrente, ook wel gekend als reporente (repurchase operation), is de rente die banken / financiële instellingen betalen aan de centrale bank wanneer zij geld opnemen
is afgeleid.
•Het actuele ECB beleid; is dat verkrappend, verruimend of constant. Het gaat hierbij zowel om het beleid ten aanzien van de korte rente als het opkoopbeleid van obligaties (kwantitatieve verruiming). Beiden oefenen invloed uit op de lange rente.
•De marktconsensus, wat is volgens persbureau Bloomberg
5Een financieel dienstverleningsbedrijf, opgericht door de New Yorkse oud-burgemeester Michael Bloomberg. Het bedrijf is onder andere gespecialiseerd in statistische data over de financiële markten.
de verwachting van de markt dat er met de rente gaat gebeuren de komende tijd.
Of en wanneer het scenario aangepast wordt is vastgelegd hangt af van de omvang van de wijzigingen in bovenstaande punten. Ieder jaar wordt bij de perspectiefnota bekeken of het rentescenario herijkt moet worden. Dit doen we zo min mogelijk om zoals reeds genoemd de renteschommelingen in de markt zo min mogelijk invloed te laten hebben op onze ramingen en investeringsbeslissingen. In hoofdstuk 4 (renterisico en egalisatiereserve) is dit verder uitgewerkt.
Tabel 3 toont het rentescenario zoals gebruikt voor de programmabegroting 2025-2028. Net als nu het geval is kan er dus een verschil zijn tussen de actuele marktrente (3,2% op het moment van schrijven) en de rente in het scenario. Voor de overliquiditeit wordt de rente zo reëel mogelijk geschat. De reden voor de verschillende benadering is tweeledig. Enerzijds moet de rente voor leningen worden bezien als een structureel fenomeen en de rente over de overliquiditeit als tijdelijk. Anderzijds is er voor het verschil tussen de werkelijke rente en de begrote rente vanuit het scenario een veiligheidsklep in de vorm van de rente egalisatiereserve zie hoofdstuk 4.
Tabel 3 rentescenario
Tabel 4 geeft de geraamde rentelast weer op basis van het rentescenario en de verwachte behoefte aan vreemde financieringsmiddelen uit tabel 2. Het rentescenario is gehanteerd voor de bepaling van de rente op de toekomstige leningen. Voor de bestaande leningen is het werkelijk te betalen rentepercentage, gedurende de restant looptijd, opgenomen. Voor de schatkist is de verwachte overliquiditeit maal het verwacht gewogen gemiddelde rentepercentage genomen. Voor 2025 kom dit dus op (156+163)/2*2,5%= € 3,99 mln. Bij de Programmabegroting 2025 is een voor de rente een meerjarig voordeel verwerkt waarbij is afgerond op € 0,5 mln. waardoor voor de begroting de verwachting met € 0.2 mln. is verlaagd, 3.99-0.2=3,79
6Zie tabellen 1, 3 en 4 voor de getallen
mln.
2.1.3 Rente over eigen financieringsmiddelen
De BBV staat toe om naast de externe rentelasten en baten ook rente over eigen vermogen (over reserves en voorzieningen) te berekenen. Dit heeft echter niet de voorkeur van de BBV.
Zoetermeer hanteert ook geen rente over de eigen financieringsmiddelen, omdat
1de afwijkingen tussen geraamde en werkelijke rentekosten concernbreed op een product, Treasury, tot uitdrukking komen. Dit komt de inzichtelijkheid van de verklaring van die verschillen in de jaarstukken ten goede;
2de vergelijkbaarheid tussen gemeenten wordt vergroot.
3Dit niet de voorkeur heeft van de BBV
2.3 Rente-omslagpercentage
2.3.1 rente toerekening grondexploitaties
Voor de rentetoerekening aan grondexploitaties schrijft de BBV specifieke bepalingen voor (notitie Grondexploitaties). Hierbij is er vanaf de notitie rente 2023 van de BBV een verschil tussen de “gewone” grondexploitaties en de faciliterende grondexploitaties. Kortweg komt het erop neer dat bij de “gewone” grondexploitaties vanaf 2025 de reguliere renteomslag moet worden toegepast en bij faciliterende hangt het van de contractafspraken af welke rente toerekening er plaatsvindt en of en in welke mate er wel of geen nacalculatie plaatsvindt. In Zoetermeer kennen we echter alleen grondexploitaties (met dus omslagrente) en faciliterende projecten (met vooraf afgesproken kostentoerekening). We bespreken hierna de beide typologieën volgens de BBV en verwijzen voor verdere detaillering met betrekking tot faciliterend grondbeleid naar bijlage 7 van de notitie grondbeleid van de commissie BBV
2.3.1.1 Gewone grondexploitaties
In de Notitie rente 2023 wordt ingegaan op de verwerking van de rentelasten en –baten in de begroting en jaarstukken. Doelstelling van deze notitie is het bevorderen van een eenduidige handelwijze met betrekking tot rente door gemeenten (harmonisering), stimuleren dat gemeenten de (verwachte) werkelijke rentelasten opnemen in de begroting en de jaarstukken en het eenduidig inzichtelijk maken van de wijze waarop de gemeenten met rente zijn omgegaan (transparantie). De belangrijkste wijziging betreft de rentetoerekening aan de grondexploitaties. Vanaf 2016 was in verband met de invoering van de Vennootschapsbelasting (Vpb) voor grondexploitaties de rentetoerekening gebaseerd op het gemiddelde rentepercentage over het vreemde vermogen. In de praktijk hanteert de Belastingdienst een andere toerekening van rente aan de grondexploitaties. Hiermee is de noodzaak voor een afwijkend rentepercentage voor grondexploitaties vervallen en ligt het voor de hand de rente-omslag ook te gebruiken voor de rente aan de grondexploitaties. In de huidige situatie betekent dit een omslag van 0% oftewel geen doorbelasting.
2.3.1.2 faciliterende grondexploitaties
In het publiekrechtelijke kostenverhaal bij faciliterende grondexploitaties moet overeenkomstig de Omgevingswet voor de rentetoerekening wel een ander rentepercentage worden gehanteerd. Het rentepercentage dat voor de berekening van deze rente moeten worden gebruikt, betreft de gemiddelde rentelast over het rentedragende vreemde vermogen. Deze rente wordt per jaar berekend over het saldo van de exploitatie. Bij kostenverhaal op basis van een overeenkomst kunnen afspraken worden gemaakt over het verrekenen van rente. De hoogte van het rentepercentage is dan onderdeel van de afspraken in de overeenkomst en kan afwijken van de omslagrente.
De gemeente Zoetermeer kent op dit moment geen faciliterende grondexploitaties met publiekrechtelijk kostenverhaal.
2.3.2 Projectfinanciering
Gemeenten hebben de vrijheid om te kiezen voor projectfinanciering. Hierbij wordt een lening specifiek aangetrokken voor een bepaald project/investering. De rentelasten van de aangetrokken lening worden bij deze methode toegerekend aan het betreffende project/investering.
Er vindt in principe geen projectfinanciering plaats. Er wordt gewerkt met “totaal financiering” zodat de meest optimale financiering voor het totaal aan financieringsbehoefte gekozen kan worden. Uitzonderingen op deze werkwijze vergen een afzonderlijk raadsbesluit.
Voor alle projecten/investeringen wordt daardoor gerekend met hetzelfde rente-omslagpercentage.
In hoofdstuk 6 Toekomstige ontwikkelingen wordt aangegeven dat dit in de toekomst door gewijzigde regelgeving anders kan worden.
2.3.3 uitkomst rente-omslagrentepercentage
Uit de voorgeschreven berekeningswijze volgt - voor het jaar 2024 - rekening houdend met het totaalbedrag aan boekwaarde van de te financieren activa van ruim € 430 mln. een rente-omslagpercentage van 0%. Op basis van de gegevens voor 2025 bedraagt het rente-omslagpercentage voor 2025 0%. Dat percentage is gehanteerd voor de meerjarenbegroting 2025-2028.
De BBV staat toe dat deze berekende uitkomst mag worden afgerond met 0,5% naar boven of beneden. Die mogelijkheid is geboden om relatief kleine verschillen tussen jaarlijkse uitkomsten van de berekening niet direct en detail in de begroting te hoeven verwerken maar de verschillen van de afronding op concernniveau tot uitdrukking te brengen.
Het eventueel benutten van de mogelijkheid tot afronden zal jaarlijks bij de (her)berekening van het rente-omslagpercentage worden afgewogen. Een eventueel voorstel tot afronding zal in de Perspectiefnota worden opgenomen in de financiële uitgangspunten.
Indien er sprake is van een overschot adviseert de commissie BBV in deze situatie geen negatieve renteomslag toe passen om de rentebaat te verdelen naar de taakvelden waar vaste activa voor aanwezig zijn. Taakvelden met een vast actief krijgen dan een 'voordeel' omdat er overtollige liquide middelen zijn. Deze ‘negatieve’ renteomslag is een resultaat van treasurybeleid en beheer, en blijft op het taakveld treasury als baat staan. In dit geval kan de omslagrente en aan de investeringen toe te rekenen rente dus op 0% worden gezet.
2.3.3.1 Rente-omslagpercentage in de jaarrekening
Bij de jaarrekening wordt het definitieve rente-omslagpercentage berekend. Wanneer dit percentage afwijkt van de begroting kan dit definitieve omslagpercentage worden gebruikt om de rentekosten toe te rekenen aan de programma’s. Deze nacalculatie is vanuit de BBV verplicht voor afwijkingen van meer dan 25% op de rentelasten of wanneer deze afwijking materieel is.
De mogelijkheid om relatief geringe afwijkingen niet via nacalculatie op de programma’s bij de jaarrekening te verwerken is door de BBV ingegeven vanuit efficiency overwegingen voor gemeenten; geen tijdrovenede aanpassingen voor relatief geringe bedragen.
In de Zoetermeerse situatie met een laag rente-omslagpercentage is een afwijking van 25% in euro's al snel bereikt. Hierom wordt de mogelijkheid van de BBV benut, door bij afwijkingen <€ 500.000 (niet materieel) de nacalculatie achterwege te laten. Dit bedrag sluit aan bij het Handvest Informatievoorziening. Afwijkingen ten opzichte van de geraamde rentekosten onder de € 500.000 of 25% van de raming worden niet opnieuw verdeeld, maar worden verantwoord en toegelicht op het product Treasury binnen (het Programma) Overzicht Algemeen Dekkingsmiddel (OAD).
Bijlage 1 Afwegingsmatrix voor toerekening van rente aan leges en heffingen
In onderstaande matrix zijn de vier onderscheiden opties gewogen tegen de twee criteria. Bij deze weging is een schaalverdeling van 1 (lage score) tot 5 (hoge score) gehanteerd. De matrix is indicatief en een hulpmiddel om een afweging te kunnen maken.
Toelichting score opties:
Optie a. rente-omslagpercentage
Herkenbaarheid/objectiviteit: Het rente-omslagpercentage is gebaseerd op een in externe regelgeving vastliggende berekeningswijze en scoort daarmee hoog op het criterium van objectiviteit en herkenbaarheid. Het is wel een resultante van de beleidsbeslissingen die gemaakt worden en daarmee scoort het niet maximaal. (een score van 5 wordt gehaald bij het hanteren van de huidige marktrente. Aangezien deze dagelijks wijzigt, is dit geen bruikbaar rentepercentage).
Stabiliteit: De uitkomst van de berekening van het rente-omslagpercentage is afhankelijk van altijd wisselende omstandigheden en zal daarmee dus jaarlijks (sterk) variëren. Daarmee een lage score op het criterium stabiliteit.
Optie b. Gemiddelde rente op bestaande leningen
Herkenbaarheid/objectiviteit: Dit percentage is goed te herleiden tot feitelijke kosten van de rente (objectief vast te stellen). Omdat het hier het rentepercentage betreft van de bestaande leningenportefeuille waarin ook “oude” leningen zij opgenomen, scoort de herkenbaarheid iets minder hoog.
Stabiliteit: Dit percentage zal net als optie a jaarlijks wisselen, maar minder heftig dan optie a.
Optie c. Structureel percentage rentescenario
Herkenbaarheid/objectiviteit: Dit rentepercentage is een scenario voor de toekomst en is hiermee niet objectief bepaald. Omdat het een inschatting is van stijgende marktrente is het minder herkenbaar dan opties a en b. Wel is de werkwijze met betrekking tot voorstellen en besluitvorming Perspectiefnota en programmabegroting herkenbaar.
Stabiliteit: Omdat dit percentage ons eigen scenario laat zien van een structurele rente is dit percentage behoorlijk stabiel (zie ook paragraaf 4.2 voor werkwijze rondom aanpassing van het rentescenario).
Optie d. Gemiddelde uit rentescenario
Herkenbaarheid/objectiviteit: De score op objectiviteit is lager dan bij optie a en b omdat de rentepercentages het gevolg zijn van een scenario (net als bij optie c.). De herkenbaarheid is wat groter dan bij optie c, omdat het scenario rekening houdt met een oploop vanaf de huidige marktrente naar het percentage volgens het scenario. Hiermee ligt het percentage dichter bij de huidige marktrente en is de herkenbaarheid groter.